Goed verhaal. Lekker kort.

Ze zijn er nog, mannen die zich als een heer gedragen! Deze heer kwam ik tegen op mijn werk, in de kantine waar ik aan het genieten was van een bakkie koffie. Hij liep achter de dame van de catering aan en droeg twee tassen voor haar. Zware tassen zo te zien, vol met spullen die weer aangevuld moesten worden. De dame was erg dankbaar: “Dankjewel, wat aardig. Er zijn gelukkig toch nog mannen die zich als een heer kunnen gedragen.” 

‘In het Land der horken is de heer nog steeds koning!’ schoot mij door het hoofd. 

Tegenwoordig val je op als je dit soort dingen doet. Deze ‘gentlemen’, collega Thomas van Vooren, grijnsde breed en zei: “Ik heb niet alleen voeding gehad maar ook ópvoeding. Dat laatste vergeten sommige ouders nog wel eens.”  

Ik ben gek op dit soort hersenspinsels! 

Daarom bleef dit tafereel mij ook de rest van de dag bij. De volgende dag kwam ik hem buiten tegen, na de lunch, en vroeg, grappig als ik ben, of hij lekker buiten gespeeld had. “Ja!” zei hij met een brede lach; “We hebben een potje gevoetbald en we hebben nog gewonnen ook!” Direct schoot mij weer een situatie binnen van lang geleden en ongevraagd deelde ik dat met hem. Ongevraagd, maar ik wist dat hij zou luisteren want ik ben een senior en ja, hij was goed opgevoed waardoor hij mij niet in de rede ging vallen:  

“Het was in de tijd dat ik nog als kok werkte, in het hoofdkantoor van de Shell in Den Haag.  

“Onze lunchpauze begon daar altijd om 11 uur omdat we tijdens de echte lunchtijden natuurlijk aan het werk moesten. Maar 11 uur was veel te vroeg dus we pakten enkel een bak koffie. Maar als het mooi weer was, namen we de koffie mee naar buiten, naar het park naast het kantoor, Hoog Oostduin.” 

“En we namen een bal mee.” 

“Dan gingen we een partijtje voetballen, met onze sloven als doelpalen. Ja, ik zie je al denken, lekker fris, maar wanneer we weer aan het werk gingen pakten we gewoon een nieuwe sloof. En als het een hele warme dag was dan trokken we ook de koksbuis uit, fristen ons op en trokken daarna weer een schone buis aan. De groene grasplekken op de koksbroeken namen we voor lief. Spinazie. Dat kwam door de spinazie!”  

“Dat deed het altijd goed als excuus.”  

Thomas keek mij bedenkelijk aan toen er een kleine stilte viel tijdens mijn monoloog. Ik snap hem wel. Hij leest mijn stukkies wel eens en had al een keer gezegd dat het best veel is. En hij is daar niet de enige in. Persoonlijk heb ik dat met boeken. Die kunnen best lang van stof zijn. Sowieso langer dan die 1000 woorden die ik nodig heb. Maar tegenwoordig verslappen we steeds meer als een tekst langer is dan drie zinnen, scrollen dan snel weer naar het volgende, snelle tekstje of filmpje. Mijn jongste zoon vertelde mij eens dat hij ‘s avonds, bijvoorbeeld na het eten, ‘even wat filmpjes’ keek op zijn telefoon.  

“En pa, dan ineens was het middernacht!”  

Ja, het vreet ons allemaal op, het is net zo verslavend als roken, alcohol of drugs gebruiken. Het tart de concentratie boog aan alle kanten en ik betrap mij er zelf ook regelmatig op. Dan lees ik de eerste zinnen van een artikel of bericht en tijdens het lezen verslapt mijn aandacht.  

Omdat een binnenkomend appje mijn aandacht eist. 

Soms denk ik er wel eens aan om al die aandachttrekkende meldingen van Whatsapp uit te zetten, dat kan namelijk, maar aan de andere kant wil ik wel op tijd reageren wanneer het om iets belangrijks gaat: 

‘Yoghurt!’, een appje van mijn vrouw als ik boodschappen doe en dat niet op mijn lijstje stond. 

Of een ander Appje: ‘Hoi pap, hier je liefste dochter. Mijn telefoon heeft het begeven en dit is mijn nieuwe nummer. Kun je mij even 250 euro voorschieten, want ik sta bij de garage en ik kan nog niet betalen met deze telefoon.’ Ook zo’n moment dat je direct wilt reageren, want zo’n meisje is in nood. 

Ook al heb ik geen dochter, ik wil wel bereikbaar voor haar zijn. 

Maar goed, lang van stof zijn versus apps die steeds je aandacht opeisen, het blijft een lastige combinatie. Zelf zou ik, om daarvan af te komen, Facebook, Whatsapp, Instagram en twee kranten-apps van mijn telefoon moeten verwijderen. Want dat zijn de grootste aandachtstrekkers. Die snakken naar aandacht, willen ‘geliked’ worden waardoor ze nog groter groeien en nóg meer geld opleveren. Het mooie van die slimme telefoons is dat je de meldingen ook per App uit kunt zetten en van de week zag ik zelfs dat je de telefoon ook in kan stellen op nachtrust. Dus niet wakker worden door een verlaat appje van iemand die niet slapen kan. 

Of een nachtbraker is. 

Maar ik snap het wel hoor, we worden zo bewerkt door alle socials dat de concentratiebogen steeds korter worden. Die telefoon vreet ons op en spuugt ons uiteindelijk weer uit. Daarbij zijn we steeds meer visueel ingesteld aan het raken en daardoor schieten de datacenters weer als datacenters uit de grond. Of we kijken in één weekend een of meerdere series en komen dan s’ maandags, uitgeblust door het slaaptekort, weer op het werk. Mijn ouders waarschuwden ons al in het verleden als we op woensdag- en zaterdagmiddag televisie zaten te kijken: 

“Pas maar op, straks krijg je vierkante ogen!” 

We liepen ondertussen samen het gebouw binnen waar we beiden aan het werk waren. “Na dat potje voetbal draaiden we de lunch. En zelf lunchten we tijdens die lunch, we hadden immers het eten om ons heen en kwamen daardoor nooit wat tekort.” 

Ik keek hem triomfantelijk aan, want ik vond het eigenlijk best wel een leuk verhaal. 

“Goed verhaal hè,” zei ik, ”lekker kort!” Waarop hij heel kordaat, met een hele, hele brede grijns antwoordde: 

“Je kan het dus wel!” 

Veldslagjes

De laatste weken wordt er rondom ons huis een strijd gevoerd, een strijd op leven en dood mag je wel zeggen. Het is geen oorlogsgebied hoor, verre van dat, maar het tart wel de irritatiegrenzen. Ik kijk het met lede ogen aan, maar begrijp het ook wel. Beide partijen zelfs. Want de ene partij wil scheppen en de andere wil overleven, overleven door zich tegoed te doen aan alles wat groen is in onze voor- en achtertuin.

Groene vingers versus het slakkenleger!

Soms verhullen ze zich in hun eigen huis of, echt niet normaal, gewoon in hun blote kont. Die andere partij, de Groene Vingers, is mijn vrouw. Leden zijn wel welkom hoor, het is geen antidemocratische partij en ik zou zo lid mogen worden maar ik heb geen groene vingers. Een aantal jaren terug nog wel, toen we nog buxus in de tuin hadden staan. Elk jaar verheugde ik mij erop om ze te mogen snoeien in mooie, strakke vormen. Dat was zeg maar de kapper in mij.

Maar toen kwam de buxusmot!

We hebben toen alles uit de kast getrokken om dat beessie te verjagen, maar niets hielp. We hebben zelfs aaltjes geprobeerd, sidderalen om precies te zijn, maar die werden door de motjes vol in het gezicht uitgelachen! Samen zagen we hoe het blad blaadje voor blaadje opgevreten werd en uiteindelijk hebben we de stengels met de motjes in de groene container gekieperd.

Stelletje parasieten!

Wel jammer hoor. Toch zien we nog genoeg tuinen waar de buxusmot kennelijk overheen gevlogen is, dat is vooral jaloersmakend. Toch kozen we voor andere plantensoorten. Twee jaar terug is mijn vrouw daarmee begonnen, maar ze kreeg te maken met een valse start. Alle planten in de voortuin gingen stuk, verbrand door de zomerse hitte die we tegenwoordig mee moeten maken. Terwijl de bijsluiter juist aangaf dat ze prima in de volle zon konden.

Wij ontkennen de opwarming inmiddels niet meer…

Inmiddels hebben die verbrande plantjes weer plaatsgemaakt voor nieuwe plantjes, hortensia’s die tegen een stootje kunnen. We hopen dat deze het wel gaan redden en ik had in mijn fantasie al een noodplan bedacht, namelijk parasolletjes boven elke plant. En een Plan B wanneer ook deze het niet mogen overleven: Asfalteren!

Maar onze tuin kreeg te maken met een enorme hoeveelheid aan vooral nudistische slakken.

Daar is onze tuin té klein voor waardoor de slakken raken geïrriteerd raakten en dan krijg je overlast. Wij zijn dan ook voor de Spreidingswet! Nu is er een natuurlijke vijand van de slak, namelijk de egel. In normale omstandigheden lossen de natuurlijke vijanden het op, zoals de ezel bijvoorbeeld totaal niet onder de indruk raakt van de wolf. Maar de egel kan niet meer gedijen in onze opgeruimde, vaak betegelde tuinen óf ze worden platgereden. Dus die slakken lachen zich rot en eten hun blote buikjes vol aan onze pas gekochte plantjes. Mijn vrouw ergert zich hier groen en geel aan. Ik erger mij er slechts aan wanneer ik weer op zo’n stapel slijmbeesten gestapt ben.

Het is soms hink-stap-springen door de tuin om even wat uit de schuur te pakken.

Het werd tijd voor een list. Eerst dachten we aan slakkenkorrels, de biologische versie want we zijn best wel empathisch wat dieren betreft. Als ik bijvoorbeeld een mug of vlieg doodsla, bied ik van tevoren mijn excuses aan. Dat voelt goed en dan vreet die lugubere dood niet aan mijn geweten. Maar ondertussen vreten de slakken wél aan onze planten!

Koffiedik!

Wij gooien nu dagelijks koffiedik tussen de planten want daar hebben de slakken een broertje dood aan. Net als trouwens al die katten die in onze tuinen schijten, die vinden dat niet fijn voor hun gevoelige pootjes. Maar de slakken bleven toch komen en mijn vrouw werd tot wanhoop gedreven. En ik ook want er is niets maar dan ook niets fijns aan een vrouw die tot wanhoop gedreven is! Ik besloot haar daarom te steunen, tot de dood der slakken ons van hen zou scheiden. Na enkele felle betogen uit beide kampen kwamen we dan toch tot een compromis. We gingen enkele biervallen organiseren, gemaakt van halve petflesjes en gevuld met bier uit mijn biervoorraad. Dat laatste was ook onderdeel van het feit dat de betogen er soms best fel aan toe gingen, maar soms moet je, vooral omdat het algemeen bekend is dat slakken gek op bier zijn. Het spreekwoord heb ik daarom maar wat aangepast: ‘Als het bier in de slak is, verzuipen ze erin!’

Het helpt echt!

Met bosjes laten ze zich verleiden door de geur, kruipen in tijgersluipgang dwars door de koffiedikstelling en laven zich tenslotte aan het bier uit Twente. Hierdoor is het geen wrede dood maar gingen ze vrolijk ten onder. Deze slag was voor mijn vrouw.

Naast de strijd tussen mijn vrouw en de slakken voer ik nog altijd strijd met de katten uit de buurt.

Als natuurlijke vijand, mijn bijnaam is Muis, heb ik een hekel aan ze omdat naast het schijten in andermans tuinen ze met elkaar miljoenen vogels doden. Die strijd voerde ik eigenlijk altijd alleen, maar sinds wij het hondje van wijlen mijn schoonvader in huis hebben, heb ik er een strijder bij. Want deze strijder kan eigenlijk met iedereen goed omgaan, mens of hond, maar katten irriteren haar.

Dan wordt ze duivels en komt de wolf in haar tevoorschijn.

Zo zag ik van de week vanuit mijn schrijfkamertje een van die killerkatten boven op de kooi liggen die bij de buren in de tuin staat. Deze kooi is voor hun huis (!)katten en ervoor gemaakt om ze even buiten te laten spelen als het mooi weer is. Maar deze buitenkat dacht daar anders over en lag, in gevechtshouding, óp de kooi, verlekkerd te kijken naar al het levende wat in de conifeer aan de andere kant van de schutting zat: vogeltjes, een heleboel musjes en koolmeesjes.

Mispoes!

Ik sloop naar beneden, opende zachtjes de achterdeur en pakte de tuinslang. Vervolgens draaide ik de kraan open, klom op de border, keek over de schutting, richtte en spoot een flinke straal water op de kat.

Wegkat!

Uit de conifeer klonk een overweldigend en vrolijk gezongen concert.

Deze slag was voor mij!

‘In between jobs’

Tijdens een rondje ‘Dag van het Park’, stuitte ik op Gerardus, een oud-collega. In maart is Gerardus met welverdiend pensioen gegaan, een dag voordat hij 67 werd. Hij stond in het publiek waar de Stichting Dansplezier hun kunsten vertoonden. Mijn vrouw had hem al gespot, zij stond ook in het publiek want ze houdt van dansen. Ik stond niet tussen het publiek, maar achteraan met mijn oudste zoon en zijn gezin. Ik vind dansen leuk, voor anderen, niet voor mij. En ik ben bang ineens de vloer opgetrokken te worden ‘omdat het zo leuk is’ of ‘doe niet zo flauw’. Mijn gebrek aan mijn opvoeding is dat ik niet op dansen hoefde.

Hij zag er patent uit!

Hij liep natuurlijk ook niet in zijn werkkleren waardoor alles er natuurlijk ook beter uitziet. Ik moest daardoor wel drie keer kijken voordat ik de naam kon plaatsen bij het blije hoofd welke voor mij stond: “Hé Sjomp!” zei hij, en lachte zijn (eigen) tanden bloot. Ik wist het direct weer! Nu zul je denken dat dit niet zo’n aardige groet was van hem, maar dat was het wel. Het was zelfs als een compliment bedoeld.

Soort van koosnaampje.

Want tijdens zijn werkbare leven heeft hij mij het ‘schelden in het Gronings’ geleerd. En met redelijk succes, ik was een snelle leerling. Naast ‘sjomp’ leerde ik ook de woorden ‘boekou’, ‘gaalsterd’, ‘naarnust’, ‘miesgaster’ en ‘kwalster’. Mooie woorden als je het vergelijkt met het superlelijke en vreselijke K-woord wat men tegenwoordig graag er uitkraamt, echt een gebrek aan je opvoeding. Maar goed, ik was een snelle leerling bleek wel. Maar dat kwam omdat ik op hem oefenen mocht. Zodra ik hem tegenkwam op de werkvloer nam hij het examen af zeg maar.

En na wat onvoldoendes ben ik uiteindelijk toch geslaagd!

Die onvoldoendes kwamen vooral door de uitspraak, dat leek nergens op en soms zat er zelfs een vleugje JelleJellelands bij. Maar het was fijn hem weer te zien want hij was altijd een zeer gewaardeerde collega, geliefd bij jong en oud. Dat kwam vooral door zijn positieve kijk op zaken én zijn humor. Ik denk nog vaak terug aan die dagen dat we tijdens de koffie liedjes van vroeger zongen om zo de jeugdigen onder ons aan het lachen te krijgen, van ‘Mien waar is mijn feestneus’ tot aan ‘Oh was ik maar bij moeder thuisgebleven’.

Geheid dikke lol aan tafel!

En samen vormden we regelmatig een front richting de jonkies om ons heen. Vooral wanneer die aan het klagen waren over hoe zwaar ze het wel niet hadden, bijvoorbeeld omdat ze steeds weer naar hun werk moesten. Dat front was gebouwd op stevige fundamenten, want we hadden natuurlijk al een flinke tijd van ons leven gewerkt, allebei onder andere als kok in de Horeca en daardoor ook veel ervaringen opgedaan. Ervaringen die we graag deelden, maar er was wel altijd ruimte voor tegengeluiden, zoals bijvoorbeeld de problemen waar de jeugd van tegenwoordig tegen aanloopt.

Dat ze zo vroeg moeten beginnen bijvoorbeeld.

“Dan moet je wat vroeger naar bed gaan en niet continue van die energiedrankjes drinken of tot diep in de nacht gamen!” was dan ons antwoord. Te makkelijk, weet ik, maar we moeten het ook niet moeilijker maken dan het is. Of ze gaven aan het werk saai te vinden, de actie was ver te zoeken. Dan zeiden we: “Als je actie wil moet je uit een vliegtuig springen. En als dat niet spannend genoeg is moet je dat doen zonder parachute.”

Actie, spanning, waar halen ze het weg?

Gerardus en ik zijn allebei onze ‘carrière’ begonnen als kok en daar was niks spannends aan. Het enige spannendste wat ik kan bedenken is dat het altijd weer spannend was om al het bestelde eten tegelijk op de juiste tafel te krijgen.

En de groenten gaar en de biefstuk rare, medium of well done.

“Hoe gaat het met je?” vroeg ik, nadat we elkaars handen geschud hadden. “Goed, heel goed!” zei Gerardus. “Het vakantiegevoel wat ik de eerste weken, maanden had, is nu weg. Daarvoor kwam in de plaats het besef dat ik geen werkverplichtingen meer heb. Dat ik alleen nog zélf mijn dagindeling moet invullen, zonder inmenging van een baas, manager of andersoortig leidinggevende.”

“Dat was best even wennen na 50 jaar ‘in ‘t gareel lopen’.”

“Want ineens was de structuur in mijn leven weg, een hele aparte gewaarwording. De wekker kon bij wijze van spreken aan de wilgen gehangen worden, want ineens had ik alle tijd van de wereld.” Ik knikte instemmend, herkende dat gevoel wel. Dat was in de periode toen ik van de ene naar de andere baan overstapte, ‘in between jobs’ zoals ze dat tegenwoordig zeggen. Ruim vijf weken hoefde ik niet te werken.

Na de derde week kwamen de muren op mij af.

Daarom besloot ik de muren van een vriendin van ons te gaan sauzen zodat ik wat om handen had, mijzelf een beetje nuttig kon maken. Deze periode heeft mij toen wel geleerd dat werken een mooie vrijetijdsbesteding is ook al denk ik wel eens, wanneer de wekker mij in de vroegste morgenuren wekt en ik eigenlijk nog helemaal niet klaar was met slapen, dat er wel verdomd veel vrije tijd in gaat zitten!

Voor Gerardus is dat tijdperk voorbij.

Maar het is echt wennen zei hij.  “Ineens viel naast de sociale contacten ook de beweging weg”, vervolgde hij, “de beweging die wij hadden tijdens onze dagelijkse werkzaamheden. Met de weken die volgde als pensionado werd ik luier en strammer. Och man, dat proces gaat dan ineens snel hoor. Maar toen ik eenmaal bewust was van mijn huidige, fysieke status ben ik de structuur weer gaan opzoeken.”

“Die wekker hangt niet meer in de boom maar staat weer naast mijn bed!” zei hij lachend.

“Ik sta op vaste tijden op, doe s ’morgens huishoudelijke of andere klusjes en s ’middags mag ik wat voor mezelf doen. Oh ja, en ik ben weer voorzichtig aan het sporten, hardlopen en dan minimaal drie keer per week.”

“Na 50 jaar werken vóór een baas ben ik weer eigen baas!”

We namen afscheid met een ferme handdruk en ik dacht bij mijzelf: Nog zeven jaar en drie maanden!

In de bloei van de aftakeling

Het spreekwoord ‘Ouderdom komt met gebreken’ hoor ik steeds vaker. Wellicht heeft dat te maken hebben met mijn leeftijd, inmiddels 6 kruisjes. Want zodra ik leeftijdgenoten om mij heen spreek, is dat spreekwoord vaak de laatste, na het groeten, de afsluitende zin in het gesprek.

We moeten het er maar mee doen.

Maar het kan leiden tot soms best wel hilarische en behoorlijk intieme gesprekken. Zo kwam ik laatst en dame in de leeftijd ‘middenklasse’ tegen. We hadden elkaar al een poosje niet meer gezien en ik zag, in de blik hoe ze mij aankeek, de verwondering. Maar ze zei het niet.

Dat ik wat zwaarder ben geworden in de loop der jaren.

Mooi is dat want het is niet fijn om steeds op je minpunten gewezen te worden. En ik weet donders goed dat ik wat zwaarder ben dan twintig jaar geleden. Ze was erg blij mij weer eens te zien en dat was wederzijds. We praatten honderduit, zij was inmiddels ook grootouder en op een gegeven moment werd het onderwerp ‘gezondheid’ aangesneden. Daar kun je op wachten op onze leeftijd en dat geeft ook niet. Uiteindelijk krijgt iedereen wel met het onderwerp gezondheid te maken, of je wilt of niet.

Vroeg of laat.

Zelfs als je beweert dat je gezond leeft en daardoor nooit ziek zal worden. Dat hoor ik nog wel eens sinds de coronacrisis, dat ze gezond eten en drinken en daardoor gespeend blijven van kommer en kwel. Die voelen zich verheven boven de huisarts of de specialist zeg maar en laten zich graag ‘influencen’. Dat mag hoor, ik gun ieder mens heel veel gezondheid, maar het is natuurlijk zo onrealistisch als wat.

De dame tegenover mij was gelukkig wel realistisch.

Kennelijk in het kader dat alles bespreekbaar moet zijn, vertelde zij mij dat ze enkele jaren terug was geopereerd aan een zogenaamde verzakking. Niet in details, maar helder genoeg. Over het voordeel wat de operatie opleverde maar ook de wat ongemakkelijke momentjes.

Dat de controle over het een en ander wat te wensen overlaat.

Op de een of andere manier begreep ik direct waar ze op doelde. Want naast apparatuur is de mens ook onderhevig aan slijtage en allerlei gebreken. Vol vuur begon ik mijn gespreks-genote over mijn aftakeling te vertellen.

“Ja, het wordt allemaal minder. Mijn voeten bijvoorbeeld. Daar kwam ik achter toen ik ze bij een schoenenboer liet opmeten, na jaren ervan overtuigd te zijn dat ik schoenmaat 45 had. Terwijl ik beter had moeten weten want ik voelde altijd wel iets knellen of zwaar irriteren in mijn schoenen.”

“46! zei de dame die voor mij zat terwijl ze met enige moeite weer overeind kwam.”

“En zij was ook de jongste niet meer en dat schoenen passen bij mensen, tig keer per dag, is natuurlijk ook een aanslag op je gestel. Maar ik was natuurlijk het meest verbaasd over het uiteindelijke cijfer waarmee ze weer overeind kwam, maat 46!”

“Gewoon een volle maat méér!”

“En dan mijn tandarts. Die zei vorig jaar ineens over een van mijn kiezen dat die eruit moest. “Wat? Moet die eruit? Hoezo? Waarom?” Dat kwam echt heel onverwacht, vooral omdat ik geen klachten had, althans niet noemenswaardig. Maar de man bleef erbij en ik kon kiezen (!): nu eruit of later terugkomen om de kies te verwijderen.”

“Doe nu maar.” zei ik, overbluft over het oordeel van de tandarts.

“Nou, die kies ging eruit en dat was zó raar, ik heb dat ding nog maanden erna echt gemist! En het voelde als het begin van het einde. Maar goed, een kies eruit en na jaren en jaren maat 45 te hebben gehad, maakten mijn voeten dus promotie naar de 46ste klasse. En ik wist dat ik al die jaren mijn voeten onnodig pijn gedaan heb. Zo stom!”

“Misschien moet ik voortaan wat beter luisteren naar mijn lichaam op deze leeftijd.”

De dame tegenover mij knikte instemmend en nam het woord, want na mijn gezemel wilde ze natuurlijk haar aftakeling ook toelichten. Ze was dus geopereerd aan een verzakking en op zich viel daar goed mee te leven. Ik wilde nog zeggen dat ik op het eerste gezicht niks aan haar kon ontdekken, maar op de een of andere manier wist ik mij in te houden.

De nuance kwam weer even om de hoek kijken.

Ze vertelde dat de operatie prima verlopen was én dat het een boel problemen had opgelost. Maar de interne huishouding was natuurlijk niet meer zoals het ooit bedoeld was geweest. Er waren wel eens ‘wat ongelukjes’, de spiertjes her en der hadden aan kracht ingeboet. Zo liep ze een keer door een winkelstraat en toen ontging haar ineens een wind, eentje die goed van zich liet horen zeg maar.

“De Deftige Dame was er niets bij!” zei ze, enigszins beschaamd dat ze het mij vertelde.

Ik hield mijn gezicht in de plooi want ja, ook vrouwen laten ‘m wel eens waaien heb ik wel eens gelezen. Alleen doen zij het waarschijnlijker een stuk charmanter dan mannen, maar dat komt natuurlijk weer omdat mannen het een onderdeel van hun mannelijkheid vinden. En ze hebben er lol aan, heel veel lol. Mijn vader liet ook wel eens een scheet en keek dan onder de tafel en zei: “Fut hond!”

We hadden helemaal geen hond.

“Mijn man heeft nu gezegd dat als het mij weer gebeurt, zij hém hardop moet corrigeren voor het laten van die scheet.” vertelde ze verder. “Want van mannen is het min of meer wel geaccepteerd, dat zijn nu eenmaal horken. Maar er is nog iets. Van de week hielp ik mijn man even met een bak oude tuinaarde in de groene container te gooien en toen ging het mis.”

“Faliekant mis!”

“Ik moest ineens heel erg lachen en het volgende moment…. Ken je dat liedje van Brigitte Kaandorp? ‘Annelies van de Pies: ‘Vertel mij nooit een goeie grap, want mijn sluitspier is te slap!’

“Nou, dát dus!”

Lachend vervolgden we beiden onze weg, met de woorden: “Ja, ja, ouderdom komt met gebreken!”

Eigen schuld, dikke bult

Als je niet tegen kritiek kan moet je dit eigenlijk niet lezen. Dat is slecht voor je bloeddruk. Ik lees het zelf ook met pijn en moeite want voor mij is het ook beste wel een confrontatie, even het monster in de bek kijken zeg maar. Niet op alles hoor, maar veel wel. Dus als je doorleest, is dat echt je eigen schuld. Dikke bult! Je kan ook lekker naar buiten gaan, op deze Pinksterdag. En dan, als het dan even kon, met je kroost aan de hand in het parrekie, lekker gaan kuieren in de zon… Maar mocht je toch doorgaan met lezen, denk er dan om:

Een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Want sinds de mens dénkt de baas te zijn op deze wereld gaat er veel mis. Heel veel. En als er iets mis gaat hebben we nogal de neiging om naar anderen te wijzen. Terwijl als je naar anderen wijst, je met drie vingers naar jezelf wijst. Want klopt dat wijzen naar anderen wel?

Kiek noar die zulf!

Zo kwam onlangs het keiharde nieuws binnen dat de postzegel 5 cent duurder gaat worden! Nou, dat was wat en er waren maar weinig media die er niet over berichtten. En daarboven op kwam ook nog eens het nieuws dat de aandeelhouders de bezorging van de post tot één keer per week willen reduceren. Commotie!

Maar dat de postzegel weer duurder wordt is toch echt onze eigen schuld.

Want wees eens eerlijk, hoe vaak verstuur je nog een brief of een kaart? Als ik kijk naar mijzelf kijk dan zijn het hooguit enkele deelneemkaarten en zo nu en dan maken we online een kaart, bij bijzondere gelegenheden zeg maar. De rest gaat via de mail, whatsapp of social media chatforums. 

Eigen schuld.

En we bestellen met zijn allen steeds vaker online. Vanaf de bank, tijdens het bingewatchen, delen we opdrachtjes uit aan al die online winkels en worden onze pakketten op allerlei plekken en door mensen van allerlei nationaliteiten ingepakt, waarna de koeriers de volgende dag volgens een strak tijdschema onze pakjes afleveren aan de deur of bij een ophaalpunt.

‘Bestellen, bestellen, retourneren, retourneren, bestellen, betalen’ (vrij naar liedje Lenen van Youp van ‘t Hek)

Waarom dan toch de verontwaardiging wanneer er weer een winkel(keten) moet sluiten. Want het is toch echt onze eigen schuld. Mijn vrouw en ik proberen nog zoveel mogelijk lokaal te winkelen, maar soms dient het gemak de mens óf we vallen in de val van al die aanlokkelijke aanbiedingen die via allerlei digitale wegen op onze schermen verschijnen. Maar bij elke bestelling online voel ik mij ongemakkelijk bij al dat gemak. Want ik weet dat de mensen achter de winkels bij jou en mij in de straat elke dag op tijd op moeten staan om de winkel te openen, tot sluitingstijd aanwezig moeten blijven om ons, het zogenaamde winkelend publiek, te voorzien van service en alles wat daarbij komt kijken.

Zes tot zeven dagen in de week, jaar in, jaar uit.

We klagen ook heel veel over verkeersboetes, dat we die te veel krijgen en dat ze veel te hoog zijn.  Waarom denk je dat die boetes steeds hoger worden? Niet om er lekker aan te verdienen zoals sommigen denken, maar omdat het wangedrag wat sommigen vertonen op s ‘Heerenwegen niet af te leren schijnt te zijn.

Hardleers noemen we dat. Eigen schuld, dikke bult.

En als je toch blijft vinden dat die boetes de staatskas vullen dan is het aan jou, echt alleen aan jou om een boete te voorkomen. Zo heb ik de staatskas in de afgelopen tien jaar enkel met 29 euro gespekt. Dat was op een weg met trajectcontrole. Ik werd rechts ingehaald en liet mij meeslepen in de emotie, het haantje in mij trapte even het gaspedaal in.

Zonde van het geld.

Vooral omdat die wegen drukker en drukker worden en de kans op ongelukken daardoor alleen maar toeneemt, met of zonder letsel/ dodelijke afloop. Het is niet voor niets dat er steeds meer drempels worden neergelegd in de straten of dat er bij drukke kruispunten rotondes worden aangelegd.

Allemaal eigen schuld. 

Boetes kunnen mij niet hoog genoeg zijn. Vooral voor het harde rijden binnen de bebouwde kom. En dan hoop ik oprecht dat de chauffeur enkel een boete krijgt voor te hard of roekeloos rijden in plaats van veroordeeld worden voor de dood van een kind die plotseling de weg over stak.

Wát een verdriet!

Doordat we tegenwoordig zo ontzettend veel kunnen doen om onszelf te plezieren, verdwijnen er steeds meer evenementen, zoals bijvoorbeeld hier het Lutje Adrillen. Er is geen animo meer voor want men heeft het al druk genoeg met de tripjes naar de dierentuin of de Efteling. Traditionele evenementen moeten steeds vaker het onderspit delven. Daarbij opgeteld is er nog het feit dat vrijwilligers steeds dunner gezaaid worden waardoor er niks meer georganiseerd kan worden.

Ook weer eigen schuld, denk daaraan als je klaagt dat alles maar verdwijnt.

Er is ook een huisvestingsprobleem. Ook daar ligt het weer veel aan onszelf want we worden steeds individualistischer. Steeds meer mensen wonen alleen, door bijvoorbeeld een scheiding. Wanneer er dan een nieuwe liefde om de hoek komt kijken zijn ze vaak al zo gewend aan het leventje alleen, dat ze dat ook willen behouden.

Scheelt een hoop gedoe.

Er zijn oplossingen, maar dat heb je zelf in de hand. Als de brandstoffen te duur worden zou je bijvoorbeeld wat meer de fiets of de benenwagen kunnen pakken. En wanneer er een evenement of een voetbalwedstrijd van je kind niet door kan gaan vanwege tekort aan vrijwilligers, dan zou dat op te lossen zijn door jezelf op te geven om bijvoorbeeld te helpen met opbouwen of met een vlag langs de lijn te rennen als grensrechter. Of stuur weer eens een kaartje en schrijf er wat aardigs over de persoon op en breng dat kaartje dan lopend of met de fiets naar de brievenbus. Dan valt die 5 cent wel te overbruggen, toch?

Het is allemaal niet zo moeilijk. We maken het onszelf zo moeilijk.

Een weekendje verstrooiing

Vorig weekend was er weer een die ons en onze familie lang zal bijblijven. Vorig jaar hadden we dit weekend al gepland omdat het er namelijk twee bijzondere dagen in zouden vallen. De eerste dag was vrijdag 3 mei, de dag dat mijn schoonvader 83 jaar geworden zou zijn. Het toeval wilde dat mijn vader daags erna belde. Of we 5 mei 2024 vrij wilden houden want dan zou de 95ste verjaardag van moeder geweest zijn. “Dat lijkt mij een mooie dag om definitief afscheid te nemen van moeder.” zei hij, “Met de kinderen, voor de laatste keer, voor de laatste eer.” Mijn vrouw en ik keken elkaar aan en wisten dat het een weekend zou gaan worden waar veel bij elkaar zou komen. Vooral omdat het zich allemaal op hun geliefde eiland Terschelling zou gaan afspelen.

Want op dit eiland zijn heel veel herinneringen gemaakt, door onze beider families.

Zo gingen mijn schoonouders met hun gezin vanuit Groningen elk vrij weekend en elke vakantie naar Terschelling. Het was dan ook logisch dat ze bij leven al hadden aangegeven na hun overlijden nog één keer naar het eiland te willen.

Nog één keer de bootreis, nog één keer al die herinneringen de revue laten passeren. 

Nog één keer, samen met de kinderen, kleinkinderen en twee achterkleinkinderen. Het begon vrijdagmorgen al in de auto toen we naar Harlingen reden, we hadden de vroege boot van 8 uur. Achter en naast mij kwamen de verhalen los. De kopjes koffie bij Zeezicht, een patatje bij Wiegman, naar de Nollekes om van drie fietsen één maken, pieren en zagers steken, mosselen rapen, vissen, vis bakken op de camping, naar het strand bij Paal 8, douchen in het Duinmeertje, vakantiewerk in de slagerij van de Spar..

En dan ineens die naam, Peter, oud voetbalmaatje, helaas niet meer onder ons.

Met zijn twaalven plus hondje Lobke zaten we even later op de boot. Mijn schoonouders nu weer bij elkaar, in een rugzak in de fietsmand van mijn vrouw, klaar voor hun laatste reis naar de Parel der Wadden. De sfeer was goed, het Skip-Bo kaartspel werd gespeeld, een ander was niet van het dek te slaan (“Zo mooi hé, ik geniet hier zo ontzettend van!”) en weer een ander zat te lezen of gewoon te genieten van de reis.

Even een dagje los van de onrust achter ons.

Eenmaal op het eiland begon de fietstocht, een fietstocht langs de plekken op het eiland waar mijn schoonouders herinneringen met hun gezin gemaakt hadden. Met een lach en soms even hele dikke tranen luisterden we naar elkaars verhalen en belevenissen waardoor de dag mooier en mooier werd. Via het Groene Strand naar het strand bij Paal 8, lunchen bij Midsland Aan Zee en vervolgens weer door via Midsland, de dijk op bij Kinnum en via de polder door naar het Duinmeertje.

Waar het ooit allemaal begonnen was.

Daarna was het tijd om weer afscheid te nemen op de haven en vervolgens fietsten mijn vrouw en ik naar mijn vader, zoals afgesproken. Toen ik even later onze koffer in logeerkamer zette, dacht ik terug aan mijn moeder. Want deze kamer was haar hobbykamer. Hier luisterde ze naar liedjes van Boudewijn de Groot terwijl ze tekende of aan het strijken was, keek ze televisie als Pa beneden voetbal aan het kijken was of keek ze door het raam naar buiten, over de dijk naar de Waddenzee. In gedachten of gewoon omdat ze zo genoot van het uitzicht.

Ik zie haar nog zo zitten.

Vijfenzestig jaar was Terschelling haar thuis, haar veilige haven. Hier voedde ze drie kinderen op, zorgde ze voor het huishouden zodat mijn vader zo goed als mogelijk zijn werk kon doen, integreerde ze in de eilander samenleving, fietste ze dagelijks haar boodschapjes bij elkaar, zette ze zich in voor de gemeenschap zoals bij de gymvereniging of bij de Brandaris Wandeltochten en bovenal genoot ze van de prachtige flora en fauna van het eiland.

Samen met haar geliefde man.

De volgende dag hadden we geen plannen, moest er alleen even soep gemaakt worden voor de volgende dag omdat dan de rest van de familie zou komen. Allemaal om mijn moeder, schoonmoeder, oma en ‘Oma Kinnum’ te herdenken op haar geboortedag. Die avond herdachten we al die moedige mannen en vrouwen tijdens de Dodenherdenking, zij die voor onze vrijheid (!!) gestreden hebben én in veel gevallen hun leven gegeven hebben. Onze nationale vlag hing daarom bij ons halfstok, in de enige én juiste positie:

Rood-wit-blauw.

Zondag verzamelden iedereen (19 volwassenen en 7 kinderen) zich bij mijn zus en genoten we van broodjes, soep en het ‘slaatje’ volgens moeders recept. Daarna stapten we allemaal op de fiets, bakfiets en mijn vader achter op een tandem.

Voor de route langs Moeders favoriete plekjes.

Zo begonnen we bij het sluisje bij Kinnum. Daarna fietsten we door de polder naar de Duinweg net voorbij het Duinmeertje alwaar het eerste bankje te vinden was waar mijn moeder graag even ging zitten wanneer ze weer met de fiets op pad was. Pa ging op het bankje zitten en vertelde honderduit over wat zij hem weer verteld had over haar fietstochtjes. Even later fietsten we weer verder naar de volgende bankjes, de eerste aan de rand van het bos bij de Badweg West en de andere stond midden in het bos, op een paradijselijke plek.

Onze moeder was een liefhebster.

Hierna fietsten we een flinke slag om, deze keer in open duingebied richting het fietspad wat ons dwars door het zogenaamde ‘Enge Bos’ zal leiden, op weg naar de laatste plek waar zij zo graag kwam, het meertje van Doodemanskisten. Hier lagen naast mooie herinneringen ook de herinnering dat zij hier verdwaald was, dat ze door haar ziekte niet meer wist hoe ze thuis moest komen. Gelukkig werd ze herkend en weer op de juiste weg naar huis gezet.

Voor al haar geliefden om haar heen een harde confrontatie met de realiteit.

Op deze plek proostten we op haar leven en kwam er aan dit bijzondere weekend een einde. En allemaal waren we het met elkaar erover eens dat het een prachtig, afgerond, waardig en respectvol einde is geworden.

Voor mijn schoonouders Martha en Gerrit en mijn moeder Truus!

‘Dood ben ik pas als jij dat bent vergeten’ (Bram Vermeulen, Testament)

En de ton die viel in duigen…

Tinus moet er al de hele week om lachen. Dit had hij nog nooit eerder gezien. Ik probeerde het nog te gooien op mijn geliefde MacGyver techniek, maar daar leek het zelfs niet op. 

Ik kwam er niet mee weg. 

Eerder die week kreeg ik een aanbieding onder ogen waarmee ik dubbel geld uit zou sparen. Want zuinigheid met vlijt, bouwt huizen als kastelen. Voorgaand spreekwoord hoorde ik vaak van mijn ouders, logisch want zij zijn opgegroeid in de oorlogsjaren en hebben daarna de tering naar de nering moeten zetten.  

Zuinig zijn is van alle jaren.   

Zo probeer ik zoveel als mogelijk de fiets te pakken om benzine te besparen, stippel de autoritten vanaf mijn werk naar huis zó uit dat ik dan direct even de wat zwaardere of onhandige boodschappen mee kan nemen zoals flessen frisdrank of het familiepak toiletpapier (‘hypermilen’), draai het gas uit zodra de eieren koken en hou dan het deksel erop: 4 minuten zacht ei, 5 tot 6 minuten halfzacht- hard ei, 8 minuten hard ei, ben met een vrouw getrouwd die houdt van fiets- of wandelroutes, ga elk jaar op vakantie naar een Waddeneiland waar je wel móet wandelen of fietsen om het eiland echt te beleven, ik zet geen flitsbezorger in maar haal zelf op een heel flitsende manier boodschappen: mijn boodschappenbriefje is direct de snelste route naar de uitgang en ik kook ons eigen eten in plaats van bestellen via alle vormen van Tafeltje Dekjes. 

Van dat laatste maak ik wel gebruik van als vergeten vaker voorkomt als onthouden. 

De aanbieding die ik onder ogen kreeg, betrof een regenton, eentje van ruim 200 liter. Het trok mijn aandacht en ik zag zelfs mogelijkheden. Mogelijkheden die ik ook al zag als ik keek naar het platte dak van de overkapping in de tuin, daar blijft veel water op liggen. Alleen ben ik er nog niet uit hoe ik dat hergebruiken kan, daar moet ik nog wat langer over nadenken. 

Goed nadenken voor je iets doet kan een hoop ellende voorkomen. 

Mijn ouders zeiden vroeger al dat we zuinig moesten zijn met water en sinds vorig jaar zegt mijn oudste zoon dat ook. Hij is werkzaam in de waterleiding en hij vertelde mij over de zorgen die zijn werkgever uitte tijdens de Nieuwjaarstoespraak van vorig jaar. Dat als we zo doorgaan met zijn allen er een enorm (schoon) watertekort zal ontstaan. Er wordt nu te veel water verspild. Door bijvoorbeeld de tuinen te blijven sproeien met kraanwater tijdens grote droogte of duizenden en duizenden liter kraanwater gebruiken voor het vullen van een zwembadje in de tuin. 

Mijn vrouw sproeit er ook graag op los. 

Want ze is bang dat de flora in onze tuin last krijgt van droge keeltjes. Zodra het één dag niet geregend heeft staat ze alweer te sproeien. Natuurlijk heb ik daar commentaar op, bestook ik haar met wijsheden die ik in mijn 60-jarige leven heb geleerd. Zoals hoe langer je wacht met water geven, hoe sterker de plant zich wortelt.  

Ze raakte er niet van onder de indruk. 

Daarom zag ik die regenton wel zitten. Ruim 200 liter gratis hemelwater, tonnen vol! Hoe makkelijk geld verdienen is dat! Want naast het besparen van water hebben we vervolgens nooit meer een dikke rekening van het Waterbedrijf. En van de eerste winst kopen we dan ook nog een design gieter die leuk staat bij het design tuintafeltje en de oud-zinken vuilnisemmer. Wat een vooruitzichten allemaal en vooral, nooit meer dorstige bloemetjes die smeken om een drupje water.  

De ton was zo gehaald. 

Het deksel was zo gevormd dat daar weer plantjes in gehouden kon worden waarna onze beide harten nóg groener werden van blijdschap. “Oh wat leuk, daar kunnen we allerlei kruiden in laten groeien!” kirde de dame hier in huis van blijdschap. Nu sloeg haar enthousiasme op mij over want ik besefte mij dat de katten uit de buurt er dan ook niet meer bij konden komen. Eerder probeerde we kruiden te kweken in de tuin, maar de katten uit de buurt gingen erin schijten en toen waren we er direct weer klaar mee.  

Maar hij moest wel even aangesloten worden aan de regenpijp.  

Daar moest ik over nadenken, ook al was het mijn vrije zaterdag. Mijn vrouw dacht daar anders over. “Joh, dat kan jij toch wel?” Ik stamelde wat en wilde eigenlijk even wat voor mezelf doen, maar ze liet deze keer niet los. “Zo moeilijk is dat toch niet?” 

“Dat kan jij!”  

Lief natuurlijk, zo’n vrouw die vertrouwen heeft in mijn kluskunsten, maar ik was er eigenlijk nog niet klaar voor. Maar de druk werd opgevoerd, zelfs toen ik aangaf eerst nog even te moeten overleggen met de Hoofdmeester, Tinus.  

Ze accepteerde geen nee. 

Ik raapte al mijn moed bij elkaar, reed met de auto (!!) naar de bouwmarkt om de bevestiging te kopen die natuurlijk niet bij de ton geleverd was, zocht in de garage naar de ijzerzaag die niet te vinden was omdat bonuszoonlief deze niet teruggebracht had na gebruik, moest vervolgens met de fiets naar de stad om alsnog een ijzerzaag kopen die niet op voorraad was en kwam zwaar oververhit weer thuis met een Japanse zaag! 

Ik was in alle staten!  

De beschrijving bevestigde mijn dyslectici aangaande klusinzichten. Er werden drie mogelijkheden geboden om de boel te bevestigen, 70 mm, 60 mm en 50 mm. 

Ik gokte de middelste. 

Het zagen ging mij goed af, mooi recht. Die Japanse zaag werkte prima. Voor de speedboor met de juiste maat moest ik wederom naar de bouwmarkt, want ik had natuurlijk niet de juiste maat in huis.. Vrouwlief riep nog iets over dat ik mij beter moet voorbereiden op een klus om ergernis te voorkomen.  

Ik deed net of ik niks hoorde. 

Nadat ik de boel bevestigd had, hing het er los bij. Duct tape was de oplossing, de ergernis bij mijn vrouw kon ik niet meer voorkomen. Maar de volgende dag bleek maar weer dat het doel de middelen heiligt, want de ton zat vol met water! We gaan geld verdienen!  

Tonnen!! 

En toch was het onverdiend!

Ongeveer 50 jaar geleden, toen ik nog als een jonkje van en jaar of tien rondliep, was voetballen een van mijn passies. De andere passies zaten in de hoek cowboytje of soldaatje spelen, met zelfgemaakte houten geweren met een ‘pylke’ buis als geweerloop. Daarnaast was het zwemmen in het openluchtzwembad, op ‘t strand of op ’t Wad, met de auto’s spelen, schommelen en dan-over-het-kleed-springen en vliegeren of meiden- de jongens spelen in de weilanden.

Met als hoogtepuntje zoenen met het gevonden meiske.

Beweging genoeg en dat was misschien de reden dat mijn moeder ooit eens tijdens een stranddag aangesproken werd door een andere strandganger, of haar kinderen soms ziek waren omdat ze zo mager waren.

Moeder heeft dat altijd een rare vraag gevonden.

Terecht raar, vooral omdat we niets te kort kwamen. We mochten ook niet zonder ontbijt de deur uit, aten tussen de middag altijd warm met om de dag een klein stukje vlees, mochten na schooltijd altijd een boterham smeren en tijdens het brood eten in de avond genoten we elke week wel van iets extra’s, zoals bijvoorbeeld, gebakken bloedworst, wentelteefjes, gebakken ondermaatse tongetjes of scholletjes, in vetspek gebakken krieltjes, gebakken tomaat met ui of een plak balkenbrij.

We bewogen gewoon veel waardoor alles als een tierelier verbrandde.

Voorgaande was zeg maar mijn leven als kind of puberende jongvolwassene, uit de tijd dat wij nog niet zo veel moesten en onwetend waren van bucket lijsten waar zo veel wél moet. Het was de tijd dat alles nog overzichtelijk was. Mijn dagen en die van mijn vriendjes werden gevuld met voorgaande bezigheden, maar we speelden bovenal voetbal, hetzij blokjes- of potjes voetbal op de straat of op de voetbalvelden.

Of elk (school) pleintje of veldje waar het spelletje op gespeeld kon worden.

Als er maar een bal was. De jas diende als doelpaal. Naast fan van het voetbalspel waren we natuurlijk ook fan van een voetbalclub. Dat was voor mij Quick’35, de vereniging waar wij het voetbalspel leerden. Landelijk was ik, net als mijn oudere broer, voor Feyenoord. Mijn vader was voor Ajax.

We waren alle drie voor het Nederlands Elftal.

Alhoewel grote broer daar later toch een andere mening op na hield. Want zodra er te weinig Feyenoorders opgesteld werden in Oranje was hij er klaar mee, dan werd hij fan van Duitsland. Ja. Zo ver ging hij, te bizar voor woorden en soms vraag ik mij wel eens af of hij daar niet voor in behandeling moet. Maar toen we nog jong waren was ik dus ook voor Feyenoord en dat kwam natuurlijk omdat mijn broer dat ook was.

Pure indoctrinatie.

In plaats van mijn eigen mening te laten gelden, volgde ik hem in zijn voetsporen. Nu was hij wat voetbal betreft wel net even beter dan ik was. Hij haalde het 1e elftal van Quick’35 omdat hij een gevaarlijk schot in zijn linkerpoot had en ik haalde het 3e elftal omdat ik een iets minder gevaarlijk schot in mijn rechterpoot had.

Het 2e sloeg ik gewoon over.

Want voetballen was leuk, maar ik zag ook wel de andere leuke dingen van het leven, hoe bleu ik ook was. Eenmaal volwassen voetbalde ik nog enkel tijdens het jaarlijks gehouden familie voetbaltoernooi en nog een klein jaartje bij DEVJO, een Voorburgse voetbalvereniging. Dit moest ik uiteindelijk noodgedwongen stoppen vanwege een herniaoperatie die ik op mijn 27ste jaar moest ondergaan. Dat was voor mij genoeg reden om er mee te stoppen, alhoewel ik nog wel vaak met de kinderen en hun vriendjes en vaders voetbalde, op mooie zomeravonden. En ik begon mij meer te richten op voetbal kijken vanaf de bank of als het zo uitkwam bij de plaatselijke verenigingen.

Ik had al gezien dat het voetbal van Ajax mij het meest bekoorde.

Maar dat kwam natuurlijk omdat ik niet meer dat bleue jochie was die alles nadeed wat zijn grote broer deed. En daarbij, ik gooi ‘m er toch even in, verstand komt met de jaren. Ik raakte zelfs in stadions, hetzij het Olympisch Stadion in Amsterdam, hetzij in de Kuip van Rotterdam. Want toentertijd gingen we regelmatig met een groepje liefhebbers naar Ajax- Feyenoord of Feyenoord – Ajax. Dat was nog in de tijd dat men geen vuurwerk in ons achterwerk stopten, ik zou daaraan willen toevoegen:

We hadden destijds net even wat meer hersencellen!

De Europa Cup en Champignon League wedstrijden in het Olympisch Stadion en de Johan Cruijff arena staan mij nog goed bij, dat waren feestjes op zich. Maar het was niet alleen Ajax waar mijn blik op gericht was, ik keek ook graag naar andere wedstrijden, naar spelers die het verschil konden maken zoals bijvoorbeeld Bergkamp, Robben, Van Persie, Van Basten, Ibrahimovic, Litmanen, Messi…

En al die anderen.

Maar ik kon ook erg genieten van de voetbalkwaliteiten van mijn kinderen. Naast de trainingen keek ik ook graag naar de wedstrijdjes die ze speelden, vanaf de F’jes tot en met de senioren. Wanneer ze dan scoorden dan stond ik langs de zijlijn heen en weer te springen of met enorme trots in stilte te genieten.

Alleen de laatste jaren verloor ik de interesse in het professionele voetbal.

Ik kon het niet meer opbrengen om dagelijks ernaar te kijken, het was te veel en er waren vooral te veel voor en na beschouwingen. Plus de kapsones die we steeds meer zien op de velden, de trucjes, de schwalbes, de geslagen kruisjes, de handopleggingen na de knieval naar boven, het zeiken naar de scheidsrechter, het zeuren om een kaart, de handen achter de oren, de handen gevouwen als een hartje, de strak gekamde én gekleurde haren, het eencellige gedrag van sommige ‘fans’…

Aan voetballen komt men niet meer toe.

Ook het Nederlands Elftal liet ik min of meer links liggen, zapte er hooguit een paar keer even naartoe, maar vond het niet meer boeien. De overdaad aan voetbal heeft bij mij zijn tol geëist. Heel soms pak ik nog wel eens een wedstrijdje live mee, zoals de bekerfinale afgelopen zondag. Inmiddels is het een week later en ik vind het nog steeds een onverdiende overwinning.

Maar dat mag ik zeggen, als zwaar gefrustreerde Ajax-fan!

Vooral omdat ik wist dat Peter Bosz heel graag trainer was geworden van Ajax!

En ja: PSV is de terechte landskampioen!

Wacht maar tot je vader wéér thuiskomt!

Enkele weken geleden schreef ik hoe bijzonder het was dat mijn vader na enkele jaren weer eens bij ons thuis op bezoek kwam. Dat had ik namelijk niet meer verwacht, puur vanwege het feit dat hij mijn dementerende moeder verzorgde. De reden van zijn bezoek was een doorverwijzing van het MC Leeuwarden naar het UMC Groningen. Hij had iets met zijn oog en daar hadden ze in Groningen meer kennis van volgens de Oogarts in Leeuwarden.

Nou, dat verhaal heeft een vervolg gekregen.

Want er was inderdaad iets loos met zijn oog, genetisch bepaald zelfs. Gelukkig openbaarde het zich pas op latere leeftijd. Hij is bijna 90 jaar jong, heeft als kind de oorlog meegemaakt, heeft op de Ambachtsschool het Timmermans vak geleerd in de tijd dat steigerbuizen nog op de fiets meegenomen werden naar de werkplek en de zakken cement nog 50 kg wogen, is 65 jaar getrouwd geweest met wijlen mijn moeder, heeft samen met haar drie kinderen opgevoed, heeft ooit als hulpsinterklaas zijn op hol geslagen paard in de Dorpstraat weer in bedwang gekregen, is opa van 8 kleinkinderen en 1 in de bonus, heeft inmiddels 7 achterkleinkinderen en 1 is onderweg, woont nog steeds op zichzelf, is zelfredzaam en dan doel ik op koken, wassen, strijken, ramen lappen, autorijden, Whatsappen en mailen, is tussen de ietwat dove oren nog scherp van geest en, last but not least, heeft al zijn vaccinaties gehad.

En heeft een flinke dosis geluk wat zijn gezondheid betreft.

21ervoor werden de voorbereidingen getroffen, Project ‘Pa naar UMCG’ was gestart. Ik appte mijn vader: “Pa, wat wil je eten zondag? Asperges? Net als laatst? Of liever wat anders? Nasi? Spaghetti? Of zullen we weer Chinees halen?” Vroeg ik hem in de app. “Dat laat ik aan jullie over.” Antwoordde hij. “Oké, lastig kiezen dan..” Appte ik weer. “Zo gaat dat mij ook.” Antwoordde hij weer. “Maar het is nu aspergetijd…”. reageerde  ik, waarmee ik eigenlijk al een keuze gemaakt had want ik weet dat hij gek op asperges is. Hij reageerde met zijn gebruikelijke gevatheid:

“Ga dan gewoon met je tijd mee.”

Zuslief bracht Pa naar de boot van half vijf en broer en schoonzus haalden hem zondagmiddag van de boot in Harlingen en reden daarna naar Winschoten. We aten met zijn allen met smaak de asperge maaltijd, nu wel afgetoet met Groninger aardbeien. De volgende dag reden wij met Pa naar het UMCG. Hij wilde nog even naar de wc en toen hij daar weer afkwam, hoorde ik hem vraagtekens zetten bij de uitvoering van deze toiletruimte: ‘Waarom twee deuren voor één wc?’ Ook zijn architectonische kennis was nog steeds prima in orde. Toen hij na zijn behandeling zich weer bij ons voegde in de wachtkamer, vertelde hij droog dat het allemaal best meegevallen was en dat de arts een aardige kerel was.

Daarna gingen we even wat eten, want de lunch was erbij ingeschoten.

We hadden alle drie wel trek in wat want het liep al tegen drie uur. Trek die mij ook weer verging want tijdens het eten van een broodje vertelde hij nog even hoe de behandeling gegaan was. Want dat ramenlappen liep toch anders dan hij verwacht had. Ze deden dat niet met een sponsje en een ramenwisser maar met een soort scheermesje!

We besloten dat hij de hersteldagen bij broer en schoonzus in Workum zou doorbrengen.

Hij sliep heel goed die nacht en de volgende dag vermaakte hij zich met een bezoek aan het Jopie Huisman museum, samen met twee van zijn achterkleinkinderen waarop gepast werd. Die avond  keek hij voetbal met mijn broer en zag hij hoe Barcelona verloor van PSG. Het schema om het oog te druppelen liep ook prima en een paracetamolletje voldeed als pijnstiller.

Die nacht sliep hij niet goed.

De oorzaak was een klacht die hem de laatste jaren al een paar keer getroffen had. Dit speelde weer op en door het bloedverlies werd hij beroerder en beroerder. Hierdoor moest er een andere gang genomen worden, de gang naar het ziekenhuis. Mijn broer belde mijn zus op Terschelling en daarna mij om ons op de hoogte te brengen van de nieuwe situatie. Een situatie die we allemaal even niet hadden zien aankomen.

Vooral omdat het de dag ervoor best goed ging met hem.

Via de familie app communiceerden we nu verder en rond half twaalf werden de berichten ineens zeer verontrustend. Mijn zus vroeg of ze moest komen want dan boekte ze de boot van half een, maar haar beide broers reageerden niet. Dat kwam natuurlijk omdat ze niet wisten hoe hier mee om te gaan. Mijn vrouw gaf er uiteindelijk een klap op want ze snapte dat mijn zus nu bij haar vader wilde zijn, het overlijden van háár vader vorig jaar nog vers in het geheugen. Dat zetje had ik ook nodig en ik appte dat ik haar met de auto zou oppikken in Harlingen.

Dankzij onze werkgevers én collega’s moet ik erbij zeggen, die gaven ons de gelegenheid.

Zonder dat ik 130 km per uur hoefde te rijden kwam ik toch op tijd aan in Harlingen en waren mijn gedachten even bij de formerende partijen. Die waren weer lekker populistisch bezig in deze barre tijden met échte problemen en wilden nog even scoren bij hun achterban! Gauw zette ik het van mij af en even later reed ik samen met mijn zus naar Leeuwarden waarna we niet veel later naast zijn bed stonden. Mijn zus gaf Pa een kus en zei: “Nou Pa, je hebt ons flink laten schrikken! Zijn antwoord:

“Ja meisje, je zal weten dat je een ouwe vader hebt.”

De praatjes kwamen alweer terug en met het uur zagen we hoe er weer wat kleur op zijn wangen terugkwam.

Afgelopen vrijdag werd hij ontslagen uit het ziekenhuis en verblijft hij nog een paar dagen bij mijn broer in Workum. Gistermorgen stuurde hij weer een berichtje: ‘Goed geslapen, lekker ontbeten en nu lekker met mijn rug in de zon het blad ‘Schylge myn Lântse’ lezen.’

Hij is bijna weer thuis!

Nood breekt wetten

Van de week hadden we het er ineens over. Zo uit het niets. “Misschien moeten we ook maar eens zo’n noodpakket aanschaffen.” We doelden op de voorzorgsmaatregelen die geadviseerd worden vanuit de overheid, maatregelen die je nu alvast kunt nemen voor als we in een noodsituatie terechtkomen.

Een oorlogje of zo.

Of het moment dat je door omstandigheden totaal op jezelf aangewezen bent. Ik googelde direct even wat er in zo’n noodpakket eigenlijk zit. Sowieso chips wat mij betreft! Nou, dat werd nog een behoorlijk lijstje: water, noten, blikgroente, gedroogd fruit, powerbank, batterijen, zaklamp, kaarsen, lucifers, EHBO-doos mét gebruiksaanwijzing, dekens, fluitje, contant geld, hamer, zaag, kniptang, maandverband, natte doekjes, tandpasta en tandenborstel, kopieën van ID-bewijzen, lijstje met belangrijke telefoonnummers en reservesleutels van je huis en auto.

En ja, nu mag het: toiletpapier!

Voorheen overheerste bij mij vooral het cynisme. Dat begon al als dienstplichtig militair, gelegerd in Duitsland. We gingen een dagje uit, naar de Oost-Duitse grens. Niet om dat land binnen te vallen, maar puur om ons bewust te maken van de situatie waar we al jaren inzaten, de zogenaamde Koude Oorlog. Wij keken naar de militairen aan de andere kant van het hek, met hun Duitse Herders en wapens om de nek.

Zij keken naar ons.

Qua motivatie overheerste stoerheid: “Zodra de pleuris uitbreekt zijn we zijn niks meer dan kanonnenvlees.” Maar goed, we waren jong, onbezonnen en onervaren en hadden nog weinig van de wereld gezien. We hadden geen idee, hadden enkel nog de films gezien waar de helden zegevierden en de bezetters het nakijken hadden. Later kwamen pas de oorlogsfilms die dichter bij de waarheid kwamen, films die gruwelijk nauwkeurig ons het leed lieten zien. Maar het opvallendste was toch hoe de mens achter de militair werd belicht, met name de angsten die zij ervaarden. Zowel bij de ‘goeien’ als bij de slechten. .

Met al hun twijfels…

Mijn cynisme begon scheurtjes te vertonen, vooral na het zien van de beelden uit Berlijn, toen de Muur viel. Dat was wel een moment hoor, het wegvallen van de dreiging uit het Oosten. Op de een of andere manier was dit denk ik toch een vorm van opluchting, opluchting dat de vrede waar ik inmiddels alweer 25 jaar van genoot, gehandhaafd zal worden zonder wapengekletter. Het wereldbeeld zag er ineens heel anders uit, het bood voor velen weer perspectief. Het live concert van Roger Waters met zijn collega’s Bryan Adams, Joni Mitchell, Van Morrison, Cyndi Lauper en Sinéad O’ Connor in Berlijn, een jaar na de val van de Muur, maakte het sprookje af:

“Tear down the Wall, tear down the Wall!” 

Sprookje ja, want ondanks dat men het concert afsloot met het lied ‘The Tide is Turning’ bleef de wereld niet bespaard van oorlogsgeweld. Alleen was het vaak een ver-van-mijn-bedshow en hadden wij er nagenoeg geen last van. Behalve dan de militairen die er naartoe gestuurd werden, die droegen het kruis voor ons durf ik wel te zeggen.

Oorlog, het klonk zo ver weg.

Ondertussen zijn we zo gewend aan onze vrede dat we toch wel sporen van arrogantie beginnen te vertonen. We zijn zo met onszelf bezig dat we vergeten dat het gevaar op de loer ligt. Zo heb ik ook altijd gedacht. Maar de twijfel begint toe te slaan, vooral omdat nu ook gebleken is dat ervan buitenaf aan onze democratische poten wordt gezaagd. Niet alleen in ons land maar overal om ons heen. Dat zagen aan die democratische poten gebeurt door lieden die op plekken zitten waar de macht uitgeoefend kan worden.

Dankzij datzelfde democratische stelsel!

Nu zien we over het algemeen dat het voornamelijk uit raaskallen bestaat maar toch, dit soort ongein moet echt niet onderschat worden. Het verleden heeft daar al hele sterke bewijzen voor geleverd. En daardoor weten we dat alleen gekken een oorlog beginnen.

En gekken zijn er, helaas, genoeg.

Je kan de vijand ook in de bek kijken door ernaartoe te gaan, bijvoorbeeld door te emigreren naar het Beloofde Land, Rusland bijvoorbeeld. Of te vluchten naar Portugal en je trouwe volgelingen in desolaat en met nóg meer wantrouwen naar alles en iedereen achterlatend.

Ik maak mij zorgen.

Voor het eerst in 60 jaar begin ik mij zorgen te maken. Of maakte ik mij er onderhuids al zorgen over, omdat ik in al die jaren heel bewust bezig ben geweest met de 4 mei herdenking. Was ik mij altijd al bewust van het feit dat vrede niet vanzelfsprekend is? Waren het mijn ouders die ons bewust hebben gemaakt dat vrede niet vanzelfsprekend is? Zij hadden immers recht van spreken want zij waren 6 en 11 jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak.

Toen ik zo oud was speelde ik buiten, mij nog van geen ellende bewust.

Zij waren 11 en 16 toen de oorlog voorbij was en puberden dus voort op de puinhopen die achtergelaten waren. Naast het opbouwen van een samenleving waren ze het allemaal erover eens:

Dit nooit meer!

Maar ik maak mij ook zorgen over het groeiende aantal mensen welke zich losmaken van onze maatschappij en in veel gevallen, ook van hun familie en geliefden om hun heen. Vooral ontstaan uit wantrouwen en opgehitst door lieden op YouTube of afkomstig uit de duistere krochten van het internet, lieden die daar heel goed van kunnen leven. 

Intriganten van de hoogste categorie.

Allemaal zorgen waar we eigenlijk niet mee bezig zouden moeten zijn. Dat zuigt energie uit ons, terwijl we juist de energie moeten gebruiken om te genieten van het leven, hoe cliché dat ook al klinkt. Gelukkig kan ik het nog wel opbrengen, mijn glas is halfvol en niet halfleeg. Want stel nu dat het allemaal met een sisser afloopt.

Dan blijven we zitten met ons noodpakketje.

Zonde! Daarom stel ik voor om een Nationale Noodpakket Dag in het leven te roepen. Dan gaan we allemaal de straat op met onze transistorradio’s, zetten de barbecue aan en eten en drinken we alles uit het noodpakket op, in combinatie met een lekker geroosterd stukje vlees, vis of groentepakketje.

Allemaal! Opdat we elkaar niet meer kunnen verliezen!

Omgaan met teleurstellingen

De deur werd dichtgegooid en dat was voor mij een teken dat er wat loos was. Want normaal roept ze dan van onderaan de trap naar boven: “Hooooiiii!” en sluit ze daarna de deur.

Een dingetje.

Ik laat namelijk overdag, als ik thuis ben, de deur van de trap naar de kamer openstaan. Hond Lobke weet dan dat ik niet ver weg ben en ze gaat dan rustig op de rand van de bank voor het raam zitten. Haar favoriete plekje. Mijn favoriete plekje is mijn (schrijf) kamertje boven. Eerder nam ik Lobke wel mee naar boven, maar inmiddels is ze zo gewend dat ze het beneden ook wel naar haar zin heeft.

Flopke.

Zo noemt mijn vader haar. Hij belde daags voordat we weer een weekendje naar hem toe gingen. “Welke boot komen jullie? En hoe doen we dat met eten? En gaat Flopke ook mee?” Lachend gaf ik antwoord: “Zaterdag met de 10 uur boot, ophalen hoeft niet want we nemen de fiets mee en Flopke gaat ook gezellig mee. Achterop! En zondag hoef je alleen rekening te houden met ons bij het ontbijt, de rest van de dag regelen we zelf.”

“En we nemen Groninger asperges, ik maak een heerlijk asperge-maaltijd.”

De asperges klonken als muziek in zijn oren. “Nou, daar kan ik mij wel op verheugen!” Zei hij. “Tot zaterdag!”

Ik liep snel naar beneden, schoorvoetend en op mijn hoede. In mijn hoofd een enorme bedrijvigheid, de vragen schoten van links naar rechts en van rechts naar links. Waarom gooide ze de deur dicht? Of was het de tocht? Ja, het was de tocht, ze smijt nooit met de deuren. Toch? Had ik het aanrecht wel netjes? En de vaatwasser. Die had ik toch leeggemaakt? Of was dat gisteren, ben ik war? Nee, gister moest ik werken, vandaag was mijn enige vrije dag deze week. Mijn schoenen. Had ik mijn schoenen weer uitgeschopt en lagen die weer in de weg achter de voordeur? Had ik haar iets beloofd iets te doen? Ze weet toch dat ze dat ruim moet nemen? Ze weet toch dat ik altijd even wennen moet aan een belofte, dat die net als bij een bevalling als het ware even in moet dalen…

Spontane acties bij mij kunnen soms wel weken duren.

Of was het omdat de kamerdeur weer open stond. Dat vindt ze niet handig van mij want dan vliegt de warmte het huis uit, via de trap naar het open raam in de badkamer. Of had ze gezien wat we gingen eten, snijbonen met een schnitzel? Maar dat wist ze toch? Dat had ik gisteren nog gezegd en haar antwoord was “Lekker! Met komkommer in het zuur?”

“Tuurlijk skettesket, mét komkommer in het zuur!”

Vanaf de wc hoorde ik haar, mopperend, dat ze zwaar teleurgesteld was. Ik wilde nog roepen: “In wie?” Maar bedacht mij nog net. Want er was/ is niemand anders in dit huis dus ze moest wel in mij teleurgesteld zijn! Dat kon niet missen! Ik nam plaats aan de eettafel en hield mij gedeisd, durfde niet eens meer op mijn telefoon te kijken, staarde voor mij uit, wachtend op wat komen zou.

Storm of hooguit wat motregen?

“Ja, voel jij je maar schuldbewust! Ik ben heel teleurgesteld in je!” zei ze toen ze de kamer inliep. Nadat ze mij passeerde zonder de gebruikelijke kus wist ik dat ik zwaar in de problemen zat. Zwijgen was nu het slimste wat ik kon doen, maar ik koos natuurlijk voor het verkeerde:

“Lieverd, waarom ben je teleurgesteld in mij?”

“Dat is nog het ergste! Je weet niet eens waarom ik teleurgesteld ben in je, je hebt geen flauw idee zeker?”

……

Ik had wel een vermoeden, maar weigerde dat uit te spreken want daarmee zou ik zout in de open wond strooien. Dat zou dan nog meer recht doen aan haar teleurstelling en ja, dat staat gelijk aan toegeven en daar had ik nu geen zin meer in. En ik was nu ook teleurgesteld vanwege het feit dat zij teleurgesteld was.

En dat mij erg duidelijk liet merken.

Nadat de ergste stoom afgeblazen was kwam de aap uit de mouw, de aap die ik verwacht had. Zij had verwacht dat ik die dag de twee Catalpas die in de voortuin staan, zou gaan snoeien. Dat had ze twee weken eerder al op een briefje geschreven, plus de Cortaderia uit de grond trekken en het grofvuil naar de stort brengen. Mijn smoesjes had ik inmiddels al klaarstaan, bedacht vanaf het moment dat beneden de deur werd dichtgegooid: “Ja lieverd, maar het weer leende zich er nog niet voor. Ik doe het heus een dezer dagen, komt allemaal goed!”

“Het was vandaag prachtig weer! En je had vrij..”

“Ja, een dagje maar..” probeerde ik nog in te brengen, noem het onvermogen. Want zoiets tegen een vrouw zeggen is vragen naar de bekende weg. “Oh, dus op je vrije dag hoef je niks te doen? Dat zal ik onthouden. Dan doe ik de volgende keer niet de was en dan strijk ik ook niet want het is mijn vrije dag.”

Hier viel niks maar dan ook niks op in te brengen.

Nadat het stormpje weer was gaan liggen werd het als vanzelf weer wat lichter om ons heen en verliep de rest van de avond in vrede. Toen ik afgelopen donderdag mijn stukkie voor zondag al klaar had, snoeide ik voordat ik aan mijn avonddienst begon de Catalpa’s, bond de takken bij elkaar, legde deze in de garage en Appte een foto naar vrouwlief.

De hartjes en kusjes die zij terugstuurde waren overweldigend!

We waren weer in evenwicht. De reis naar Terschelling, naar mijn vader, verliep ook harmonieus. We reden op tijd weg, hadden bij Stad geen centje pijn van de werkzaamheden en de bootreis verliep kalm.

Die avond kookte ik voor mijn vader, zuslief en geliefde.

Asperges uit Groninger bodem: aspergesoep, asperges met ham en gerookte zalm, krieltjes en zelf getikte Hollandaisesaus. Het toetje bestond uit Friese aardbeien, niet de Groningse versie want die waren er nog niet klaar voor. Ze vonden het erg lekker.

Vrouwlief ook. Dat herhaalde ze vervolgens nog een keer of tien!

 

 

Duurzaam? Mwah..Maar het is wel ontzettend gaaf!

Zodra de lente in de lucht zit zie je overal om je heen meer energie ontstaan. In flora en fauna maar ook bij de mens. Tijdens het uitlaten van de hond werd mijn pad al een paar keer doorkruist met achter elkaar aan vliegende musjes, onder luid getjilp.  

Die hadden er zin in! 

Wij hadden twee weken geleden zin om de zaterdag door te brengen in Den Haag. Ons gezin had nog een etentje tegoed ter gelegenheid van mijn 60ste verjaardag. Dat was begin januari en omdat ik die verjaardag door mocht brengen in het Seinhuisje op Terschelling hadden de kinderen nog wat tegoed. Want, enthousiast als ze kunnen zijn, wilden zij ook naar Terschelling, maar daar had ik een stokje voor gestoken want ik wilde optimaal kunnen genieten van ons verblijf. 

In alle rust! 

Dat ging onder protest, maar toen ik aangaf dat we naar Den Haag zouden komen voor een etentje werden de gemoederen wat rustiger. Dat had wel wat voeten in de aarde want voordat we een datum hadden afgesproken waarop al het kroost kon, zaten we al in half maart. Daar kwam ook weer wat gemopper op, maar toen ik zei dat ik van plan was om nog het hele jaar 60 jaar te blijven, kreeg ik de gemoederen opnieuw weer rustig. 

Het is ook allemaal wat! 

We vertrokken tegen acht uur nadat we eerst bonuszoon en zijn vriendin hadden opgepikt. Als ex-korporaal menagemeester had ik de broodjes voor onderweg al gesmeerd en lagen de stroopwafels geduldig te wachten tot de koffiestop, bij het tankstation net voor de Ketelbrug want die tappen van die lekkere koffie. Rond elf uur waren we ter plekke, bij mijn oudste zoon en zijn vriendin, de ouders van kleindochters Roméline (3.10 jr) en Félou (0.3 jr). 

Door ons liefkozend Lientje en Loetje genoemd. 

Lientje zat onder de vlekjes, ze had de waterpokken te pakken, maar ze was niet ziek genoeg om ons allemaal te knuffelen, inclusief dansjes en een hoop vrolijkheid. Na alle begroetingen moest ik met Lientje naar buiten. Ze wilde laten zien dat ze al fietsen kon. Ik moest haar nog wel in het ‘luchtledig’ vasthouden maar waarachtig, ze fietste! Dat was voor haar een inspanning maar voor mij helemaal. Gelukkig had ze er na één rondje al genoeg van en kreeg ik gelegenheid om bij te komen. Ik wilde nog voorstellen om het rollenspel te doen welke wij bij het laatste bezoek ook gedaan hadden: 

Opa als baby en Lientje als Mama. 

Maar het volwassen gezelschap vond dat niet zo’n goed idee, dat vonden ze ongezellig en ze wisten natuurlijk dat ik gewoon even een dutje wilde doen. Het was mij niet gegund deze keer. Na de lunch maakten we een wandeling naar het huis van mijn middelste zoon en zijn vriendin. Hij heeft na 27 jaar het nest verlaten. Ik was, en vele generatiegenoten, 20 toen ik uitvloog.  

De woningnood vertraagd veel uitvliegers. 

Inmiddels had jongste zoon met vriendin zich ook aangesloten bij het gezelschap en waren we nagenoeg compleet, Lientje deed met haar moeder een middagdutje omdat ze natuurlijk niet optimaal fit was door al die jeukende vlekjes. Ondertussen kreeg ik een biertje in mijn handen gedrukt van mijn middelste zoon die ik, terwijl ik eigenlijk nog in de koffie modus zat, met smaak opdronk. Dat had natuurlijk ook te maken met de omstandigheden, het feit dat we weer even allemaal bij elkaar waren én omdat we lekker uit eten gingen. 

Een keertje niet koken is ook wel eens leuk. 

Oma had Loetje met kinderwagen en al in het tuintje gezet, heerlijk in het nog fris winterse zonnetje. Dat deed mij denken aan hoe mijn moeder ooit mijn pasgeboren zus in de kinderwagen buiten zette, op het grasveld. Totdat een al te nieuwsgierige koe passeerde en het niet kon laten om zijn snuivende, natte neus in de kinderwagen te steken. Mijn moeder zag het net op tijd, gaf een gil waarop de koe snel wegsprong naar veiliger graasgebieden om het boerenerf.  

Er schoot mij wat te binnen. 

Zij had het niet zo op koeien. Want toen ik een aantal jaren terug haar onder dijk voortduwde in de rolstoel zag ze aan de overkant van de sloot een aantal koeien staan, met de konten naar ons gericht. Dat zag er niet zo fraai uit maar ik nam er geen aanstoot aan. Mijn moeder wel: “Bah, vieze koeien, bah! Ik vind ze stom” De jonge eendjes die achter hun moeder aanzwommen in de sloot deed haar humeurtje omslaan: 

“Ah, wat liefff!”  

Loetje kreeg ook een blik op haar geworpen, haar vader tilde haar uit de kinderwagen en nam haar mee naar binnen. Wij keken er lachend naar, want hij is gewoon bezorgd, bang dat ze kou zou vatten of bang voor het fijnstof in de lucht.  

Opvoeden is in elke generatie aan veranderingen onderhevig. 

Tegen vijf uur zaten we allemaal aan tafel, tien volwassenen en twee leutje wichtjes. Dat noemen ze een rijkdom en dat snap ik ook wel terwijl ik om mij heen keek en iedereen gezellig met elkaar zag praten. Nu stond de oudste zoon op en kreeg ik alsnog de felicitaties. Eerst een mooie kaart, een zeer kleurrijke en creatieve creatie van Lientje die mij nu met een grijns van oor tot oor aankeek en daarin geschreven de volgende vraag: 

Hoe het gesteld is met mijn hoogtevrees. 

Ik voelde even nattigheid. Ze willen mij laten parachute springen, schoot er door mij heen. Ik gaf nu een afwachtend antwoord: “Mwah..hangt ervanaf..” Er werd nu hard gelachen. Ik kreeg nu nog een envelop en daarin zat het cadeau:  

Een cadeaubon voor een helikoptervlucht! 

Ik voelde alle ogen op mij gericht, want ze wisten allang wat er nu komen zou, namelijk tranen en snotteren. Vrouwlief keek mij liefdevol aan, ze zat natuurlijk in het complot en ze kent mij.  

Oké, het is niet zo duurzaam. Maar wel ontzettend gaaf! 

 

 

 

 

 

‘Wacht maar tot je vader thuiskomt’

In de loop der jaren heb ik wel geleerd dat veel dingen wederkerend zijn. Zo zijn we sinds afgelopen woensdag weer begonnen aan een nieuwe lente, mijn 60ste editie om precies te zijn, mede dankzij het Rijksvaccinatieprogramma in ons land. Daar ben ik enorm dankbaar voor, net als Maarten van Roozendaal de lente ooit zo mooi gezongen heeft in het lied ‘Mooi’:

‘Ach, ik ben goddank dus nog een keer een jonge lente waard’

Maar met het ouder worden zijn er wel wat dingen die ik loslaten moet, puur omdat de tand des tijds haar werk doet en waar elk mens mee te maken krijgt. Zo had ik mij een paar jaar geleden er al bij neergelegd dat mijn ouders niet meer bij ons in Groningen langs zouden komen. Dat zou een te grote impact zijn geweest op het welzijn van mijn aan Alzheimer lijdende moeder die 94 jaar mocht worden, mede dankzij alle vaccinaties. Maar de minste verandering in haar omgeving kon al verwarrend voor haar zijn. Ik kon mij daar prima in vinden.

Geen verwachtingen, het loopt zoals het loopt.

Om de doodeenvoudige reden dat mijn vader op leeftijd is. Juist dan kan reizen best wel vermoeiend zijn en dat begreep ik volkomen. Maar het loopt zoals het loopt.

En het liep anders.

Mijn vader, bijna 90 jaar en nog gezond van lijf en leden mede dankzij alle vaccinaties die hij kreeg in zijn leven, had wat aan zijn ogen. Na een bezoek aan de afdeling Oogheelkunde in het MCL, werd hij doorverwezen naar het UMCG. Afgelopen maandag werd hij daar om 9 uur verwacht en ja, aangezien hij op een eiland woont, betekent dat je dan een dag eerder weg moet, zondag dus. Zuslief bracht hem naar de boot, de boot van half een. Hij zou dan tegen half drie in Harlingen zijn. Toen wij in de auto stapten om naar Harlingen te rijden, belde mijn zus.

Hij zat aan boord maar vraag niet hoe.

“Pa moest via het autodek in verband met de werkzaamheden aan de haven. Ik hoop dat het goed gegaan is want het was smoordruk, geen idee waar al die lui vandaan kwamen.” Balen, want Pa wilde een tukkie doen aan boord, zoals hij al jaren gewend is te doen na het middageten. Toen wij hem even later van de boot zagen komen was dan ook mijn eerste vraag aan hem hoe de reis gegaan was. “Ja, dat ging wat anders dan anders,” zei hij, “we moesten via het autodek aan boord en omdat de lift werd gebruikt door de hondenbezitters moest ik de trap nemen. Op de eerste verdieping zat alles al vol en moest ik weer traplopen. Gelukkig kon ik daar nog een plekje vinden, aan een tafel waar nog één stoel vrij was.”

“Ging dat wel Pa, al dat traplopen…En nu kon je zeker ook niet even je ogen dichtdoen?” vroeg ik bezorgd.

“Och jongen, dat ging prima. Die trappen hebben aan beide kanten een leuning, dat heb ik thuis niet eens! En ik was mij bewust dat als ik zou vallen, wel opgevangen zou worden door de meute die achter mij de trap op liep! En dat tukkie was héérlijk, ik heb geslapen als een marmot! Ik sluit mij gewoon af van al dat volk. Die zaten ook allemaal te loeren op hun telefoon, dus ik hoefde ook niet met ze te praten. En slapen kan ik overal, dat heb ik wel geleerd in militaire dienst.”

“Daar leerde je zelfs om staand te slapen!”

“Ondanks dat je momenteel slecht ziet, zie je altijd wel weer een lichtpuntje hè Pa!” Zei ik lachend. En trots! Hoe die man in het leven staat kan ik erg waarderen. Positief, ziet in elk nadeel wel weer een voordeel, heeft rechtvaardigheid hoog in het vaandel staan, heeft een realistische kijk op zaken, maar weet altijd goed te luisteren naar argumenten die anders zijn dan de zijne, waardoor hij zijn mening wil aanpassen.

Dat laatste niet altijd hoor, maar je mag best een beetje eigenwijs zijn in het leven.

Even later reden we naar Workum voor een bezoek aan mijn broer en zijn vrouw en iets na zessen waren we weer thuis. Mijn vader zag direct de veranderingen aan en in ons huis: “Wat een mooie kast.” Ik vertelde hem dat die uit die Zweedse winkel kwam en dat wij hem in goede harmonie in elkaar gezet hadden.

“Dan zit het in jullie relatie wel goed!” zei hij gevat.

Na het eten van een heerlijke Chinese rijsttafel ging hij sport kijken en hoorden we al gauw de nodige snurkjes. Even bijkomen van de dag en Ajax is momenteel toch niet om aan te zien. Wij hadden ons bed aangeboden in verband met een wc op dezelfde etage, maar daar wilde hij niks van weten: “Ik loop ook elke dag een rondje over de dijk, inclusief de trap om erop te komen.”

Geen speld tussen te krijgen.

Later die avond keken we samen PSV- FC Twente. “Die scheidsrechter snapt het niet!” Was de analyse van mijn vader. Kenneth Perez bevestigde deze analyse in de nabeschouwing.

De volgende dag waren we om half 9 in het UMCG. Na het inschrijven liepen we richting Oogheelkunde. Hij vond de medewerker die hem inschreef er keurig uitzien: “Hij had ook een mooi overhemd aan met oranje in de kraag. En zo vriendelijk. Ook was hij zeer te spreken over de medewerkster die hem prepareerde voor het onderzoek, ‘Zuster Suzan’.

Hij wist zelfs haar naam nog.

Zij was onder de indruk van zijn fitheid. “Dat komt omdat het altijd zo waait op een eiland. En ik word chemisch in stand gehouden en heb hulpoortjes!” antwoordde hij, een wees naar zijn medicijnlijstje en zijn gehoortoestel. Even later reden we weer terug naar de Harlingen Haven en ik dacht terug aan mijn puberjaren, aan wanneer ik op mijn (terechte) donder kreeg van mijn moeder:

“Wacht maar tot je vader thuiskomt, dan zwaait er wat!”

Vlak voordat hij aan boord ging, keek hij nog even om en zwaaide.

Nieuwe tijden, nieuwe gedragsregels

Het is de tijd van de transparantie, de tijd dat we alles bespreekbaar moet zijn. Dat we transparantie willen komt door het wantrouwen naar alles en iedereen, gevoed door figuren die daar garen bij spinnen en die zich als een olievlek over het land verspreidt. Want tegenwoordig weet iedereen het beter. Het is wel te vergelijken met de meningen over het Nederlands Elftal: er is niet een Coach, maar er zijn 18 miljoen Coaches. Nu kan dat niet zoveel kwaad, het is maar een spelletje en je kan er lekker over lullen in de voetbalkantine of in de dagelijkse koffiepauzes.

Ook al hebben de meeste betweters het nooit verder geschopt dan 5e klasse KNVB.

Doordat we alles (denken) beter te weten worden we ook steeds eigenwijzer en daarmee in veel gevallen ook vervelender voor onze omgeving. Maar goed, transparantie is natuurlijk bedoelt om achterkamertjes te openen en het vaak op de werkvloer voorkomende ‘met twee maten meten’ bloot te leggen, uit te roeien. Enkele politieke partijen hebben daar handig op ingespeeld en kregen daarmee menig kiezer op hun hand.

Want het moest anders.

Nieuwe bezems vegen schoon moesten ze gedacht hebben, maar ondertussen weten we dat er altijd nog wat rotzooi blijft liggen, in de naden en kieren van de samenleving. Want politiek is niet enkel zwart-wit, maar heeft alle kleuren van de regenboog.

Heel divers, dat dan weer wel!

Wat ik wel een mooie ontwikkeling vind, is hoe we met elkaar omgaan op de werkvloeren. Dat moet anders, veiliger en zonder machtsmisbruik. Daar durf ik wel wat over te zeggen na 45 jaren rondgelopen te hebben op die werkvloeren. De eerste 20 jaar werkte ik in de keuken als kok en daar ging het er soms stevig aan toe. Toch heb ik in al die jaren maar één keer iets grensoverschrijdend meegemaakt. Gelukkig zonder daar iets aan overgehouden te hebben.

Terwijl het natuurlijk absoluut niet door de beugel kon.

Het speelde zich af op een mooie zomeravond en ik was nog leerling-kok. We hadden die avond drie keer het restaurant vol gehad met gasten en was ik, samen met de andere leerling aan de schoonmaak begonnen. Werkbanken opruimen, de vloer schrobben en droogtrekken. De Chef-kok hield zich bezig met de bestellingen. Tijdens het schoonmaken vonden we een tennisbal van de hond van de baas en al gauw liepen we voetballend door de keuken en hadden we de grootste lol.

“Jongens, kap daarmee!” riep de Chef.

Na de derde waarschuwing kwam hij op mij af, niet bewust, maar ik stond gewoon het dichtstbij. Vervolgens kreeg ik een klap in mijn gezicht, verloor daardoor mijn evenwicht en viel naar achteren. De slagroommachine brak mijn val maar het apparaat gleed van de balie af op de grond en er volgde een enorme knal.

Hard genoeg om de baas die aan de stamtafel zat, te waarschuwen.

Hij rende de keuken in en vroeg verschrikt wat er loos was. De Chef reageerde direct, nam alle schuld op zich alleen verdraaide wel een klein beetje de waarheid: “Mijn schuld!” zei hij, “ik gleed uit en viel tegen Arjen aan en die viel op zijn beurt tegen de slagroommachine. Maar het is mijn schuld!” benadrukte hij nogmaals.

Samen met de Chef zette ik de slagroommachine weer op zijn plek.

Er zat wel een deukie in de wand van de machine, maar ik kon geen letsel vinden aan mijn gezicht. Waarmee het voor mij afgedaan was, vond het wel verdiend want we waren echt aan het kloten. Misschien noemen ze dit een harde les in luisteren, geen idee, maar ik heb er niks aan overgehouden in mijn verdere leven. En qua werksfeer werd het er absoluut niet slechter op, integendeel, ik denk nog met plezier terug aan deze Chef. Ik keur het natuurlijk wél af!

In het licht van de huidige tijden.

Maar er is ook een andere soort ‘onveilige’ werkvloer, die van de geniepige, narcistische leidinggevende. Zo’n leidinggevende heb ik ook gehad en dat was vooral mentaal een pittige toestand. Deze persoon was een meester in het manipuleren en dat deed hij vooral om zijn eigen straatje schoon te houden. Jaren en jaren achtereen zorgde hij ervoor dat er een angstcultuur heerste, wist hij collegialiteit in de kiem te smoren en zette hij mensen tegen elkaar op. Wanneer er een werkoverleg aanstaande was ging hij al daags tevoren sommige collega’s uithoren of er ook wat speelde op de werkvloer, zodat hij goed beslagen de vergadering inging. Meestal werd wat ingebracht werd dan ook afgekeurd want er waren dan uiteindelijk te weinig voorstanders. Dit gebeurde allemaal buiten het zichtveld van de hogere bazen op de werkvloer.

Of als je er toch een melding over maakte dan reageerde men verbaasd.

“Nou, je bent de eerste die hiermee komt.” Was een veel gehoord antwoord. Daarom moest ik ook zo lachen over die toezichthouders van omroep WNL: “Onze deur staat altijd open.” Dat kreeg ik en mijn collega’s ook altijd te horen. Maar ondertussen durfde niemand meer aan de bel te trekken en werd de drempel van die open deur alleen maar hoger en hoger.

Gelukkig is er een gedragsverandering gaande op de werkvloeren, een goede ontwikkeling.

Overal om ons heen vallen zowel mannelijke als vrouwelijke leidinggevenden van hun sokkel en kunnen we ondertussen wel spreken van een flinke cultuuromslag, blootgelegd doordat steeds meer mensen er melding van willen én kunnen maken.

De zelfzuchtigen onder ons verliezen steeds meer terrein.

Zuiver op de graat is niemand, ‘wie zonder zonde is werpe de eerste steen’ zei ene Johannes ooit. Maar als belangrijk persoon of omdat je een belangrijke functie hebt, heb je wel je verantwoordelijkheden die gelukkig steeds beter begrensd zijn. Zoals bijvoorbeeld je macht niet misbruiken door bijvoorbeeld te zeggen dat je op moet passen voor je baan.

Dat heb ik zelf meegemaakt.

Terwijl er genoeg werkvloeren zijn waar men wél weet hoe om te gaan met het personeel. Die heb ik gelukkig ook meegemaakt, leidinggevenden die het personeel niet als poppetjes zagen maar als mensen.

Eigenlijk net zoveel mens als ze zelf zijn! 

De weidegang, niet zo vanzelfsprekend

Vorige week zondag was echt zo’n dag dat we allemaal weer even losgelaten werden, dat we eindelijk weer eens naar buiten konden. ‘Mét zonder jas’ zoals mijn kinderen dat altijd zo mooi zeiden. Net als in dezelfde trant van wanneer ze op de fiets zaten en de handen los hadden van het stuur:

“Kijk papa, mét zonder handen!”

Maar we konden weer even naar buiten omdat de weersomstandigheden daartoe uitnodigden. Een vooraankondiging van het voorjaar denk ik dan, waar velen die dag dan ook graag gebruik van maakten. Heel veel mensen pakten lekker de fiets of maakten gebruik van de kuierlatten, anderen gingen een stukkie toeren. Ik zag zelfs de eerste cabrio rijden, met daarin een chauffeur die je eigenlijk wel uittekenen kan: Blauw overhemd, sweater om de nek, wit petje op en uiteraard de zonnebril.

Met ernaast een zonnebank gebruinde dame.

Ik oordeel niet, ik vooroordeel enkel. Zij zullen vast over ons, zestigers op de e-bike, ook wel een mening hebben. Maar dat mag, we wonen immers in een vrij land. Of laat ik het anders zeggen, we wonen nóg in een vrij land want de vijand ligt op de loer. Een lastige gedachte voor de meeste mensen onder ons omdat zij hun hele leven al in vrijheid geleefd hebben. Voor mij is dat inmiddels al 60 jaar en een beetje en dat besef ik mij elke keer weer als ik de ellende van de oorlogen om ons heen zie.

Die vrijheid wordt nog wel eens vergeten.

We worden er laconiek in. Maar vrijheid is niet vanzelfsprekend. Dat leerden wij van onze ouders en grootouders want zij hebben wel een oorlog meegemaakt. De impact daarvan is enorm en zelfs zo erg dat erover praten al verschrikkelijk pijnlijk kan zijn. Wat hun meegemaakt hebben en wat ze gezien hebben blijft schuren, blijft altijd op de achtergrond aanwezig.

En juist nu denken ze erover om het testen van dat irritante luchtalarm af te schaffen!

Want het kan moderner, via een (nóg irritanter) NL-alert komt dan een melding binnen op je telefoon. Prima hoor, ik hou van technische snufjes, maar toch lijkt het mij een typisch geval van de goden verzoeken. Vooral nu we weer terug lijken te gaan naar de tijd van de Koude Oorlog, een periode die in het verleden al veel spanningen opleverde. Toen in 1989 De Muur viel, kregen we weer hoop, geloofden we even in wereldwijde vrede en zagen we Oost en West elkaar in de armen vallen.

Valse hoop blijkt nu.

Daarom zou ik nog even wachten met het weggooien van de oude schoenen. En ik vraag mij af of iedereen wel een telefoon heeft! En zo ja, hoe zit het met het bereik? Moet je op zolder gaan staan of in een boom klimmen om het Alert te kunnen ontvangen? Ontstaat er geen ‘batterij-stress’, of de telefoon wel voldoende opgeladen is? En heeft iedereen wel genoeg data in de bundel? Wat als de telefoon net voor de rampspoed in het toilet gevallen is? Of stel dat je net van een crematie komt en het geluid van je telefoon staat nog uit?

Wat als de stroom uitvalt?

Vooral die laatste zou ons zorgen moeten baren, want ons stroomnetwerk raakt voller en voller. Logisch, want we verbruiken steeds meer elektriciteit omdat we onze huizen volstouwen met elektrische apparaten. Vaak gecombineerd met een slimme App die van alles in en om het huis kan bedienen. Zo bedienen wij hier thuis de verwarming op afstand. Als we een dagje of weekendje weg zijn geweest, zet mijn vrouw op de terugreis naar huis al tijdig de verwarming aan. En ze doet ook een paar lampen aan zodat we niet in een donker en koud huis terechtkomen.

De App slaat nog net niet het bed open!

Dat afschaffen van het maandelijks luchtalarm deed mij een beetje denken aan Gerrit Zalm, toen hij nog minister van Financiën was. Dat was begin deze eeuw en ik zat nog in de jonge kinderen, kinderen die zich langzaam aan het voorbereiden waren op een digitale wereld. Het was de tijd dat het krijtbord plaats ging maken voor het digibord. Natuurlijk wilde ik ook meegaan met deze moderniteiten en maakte daarom dankbaar gebruik van het pc-privé project, het project waarmee je redelijk goedkoop een computer kon aanschaffen. Dat was voor mij, alleenverdiener, een betaalbare manier om een computer aan te schaffen. Echter, in 2004 werd dit voordeel voor veel huishoudens afgeschaft door de minister, want: “Iedereen heeft inmiddels wel een computer in huis.” zei Zalm, op zijn bekende bekken trekkende manier.

Ik vond dat stilstand in de vooruitgang.

Ik kom nog steeds mensen tegen die niks met al dat digitale hebben, ouderen maar ook leeftijdgenoten van mij. Daarom zou ik nog even wachten met het weghalen van die sirenes. Want met al die gekken op deze wereld is de kans op oorlog misschien nog wel groter dan de kans op een bosbrand.

Opdat wij niet vergeten!

Want het gekke aan vrijheid is dat je ervoor moet blijven vechten, het is echt niet online te koop op of zo.  Die vrijheid herdenken we elk jaar weer. Dan zijn we twee minuten stil, stil bij al die mensen die voor onze vrijheid gevochten hebben. Helaas lijkt het erop dat steeds meer jongeren niks meer weten over de jaren 30 en welke ellende daar allemaal uit voortkwam. Ik hoop daarom oprecht dat de scholen er extra aandacht aan gaan besteden. Maar ik vind ook dat dit thuis gebeuren moet. Ga samen met je kroost naar al die oorlogsfilms kijken die elk jaar in deze tijd van de plank gehaald worden.

Boeken lezen willen ze toch niet meer..

Misschien dat ze dan, als ze naar buiten gaan op een mooie voorjaarsdag ‘met zonder jas’, net als wij ‘ouderen’ die al jaren kunnen genieten van vrijheid, zich meer gaan beseffen wat vrijheid inhoudt. Zonder bang te hoeven zijn voor een kamikaze-drone die zich op een gebouw stort. Of bang te hoeven zijn om op een mijn te trappen tijdens een potje voetbal op dat veldje verderop.

Mét zonder angst is pas echte vrede!

 

Wennen, het is nog wennen

“Opa, jij bent baby en ik ben Mama.” Vervolgens pakte kleindochter Lientje (bijna 4 jaar) mijn hand en leidde mij naar boven, naar haar Prinsessenkamer. Nog een beetje moe van het autoritje, Winschoten- Den Haag, zag ik tot mijn grote vreugde dat Lientje tegenwoordig een groter bed heeft. Ik zag mijn kans schoon en zei met een piepend klaagstemmetje:

“Baby moe, baby slapen!”

En ging daarna op bed liggen, in de wetenschap dat haar vader en moeder er ook wel eens bij gingen liggen als er voorgelezen moest worden of als de kleine wat moeilijk in slaap kon komen. Voor mij een herhaling van zetten, want toen mijn jongens nog klein waren lag ik er ook vaak even naast, om voor te lezen of wanneer ze wat moeite hadden om in slaap te komen. Vooral dat laatste hielp altijd.

Ik sliep zo!

Dan werd ik soms uren later wakker. Mijn jongste zoon heb ik zelfs een keer bijna geplet tussen muur en matras. Gelukkig heeft hij daar niks aan overgehouden, denk eerder dat hij het altijd wel gezellig vond. Hij heeft ook eens een keer tijdens zo’n voorleesmoment, althans, nadat ik voorgelezen had en weer in slaap gevallen was, mijn hele rug bewerkt met viltstiften. Daar kwam ik de volgende dag pas achter op het werk. “Wat heb jij nou allemaal op je rug!” vroeg een collega aan mij tijdens het omkleden. Via een spiegel zag ik het kunstwerk, een zeer kleurrijk geheel waar mijn jongste zoon goed zijn best op gedaan had.

Categorie abstract.

Terwijl ik lekker op mijn zij lag vroeg ik in mijn beste babytaal of Mama een verhaaltje wilde voorlezen. Nou, dat wilde ze wel: “Ja hoor schat”. Ze pakte een boekje uit haar boekenkast en ging daarna zowat boven op mijn hoofd zitten, ik kon nog net op tijd mijn bril afdoen. Die bril was natuurlijk weer interessant. Ze pakte hem uit mijn hand en zette hem daarna op haar neus en begon met voor te lezen, nou ja, op haar manier dan.

Ze zong het voor.

Onnavolgbaar voor haar oude opa, ze haalde allerlei liedjes door elkaar of verzon de helft, maar zolang zij er lol in had vond ik het goed. En zoals ik al zei, zolang zij aan het moederen was kon ik lekker bijkomen van de reis. Nadat enkele leesboekjes uitgezongen waren, stapte ze van bed af en deed ze de gordijnen dicht:

“Zo schat, ik doe de gordijnen dicht dan kun je lekker gaan slapen.”

Mijn powernapje was ineens voorbij! Ik wilde natuurlijk niet echt in slaap vallen want we kwamen natuurlijk kijken naar haar pasgeboren zusje, Loetje (vandaag precies 58 dagen jong). Voor de tweede keer dit jaar. De eerste keer was kort na haar geboorte, toen zijn we heel even geweest want ze was iets te vroeg geboren. We beperkten ons toen alleen tot even kijken, omdat ze even wat langer nodig had om te landen op deze wereld.

Zonder knuffels, maar omgeven door liefde.

Nadat we aangekomen waren duurde het dan ook niet lang voordat oma haar kleindochter in de armen had. Lientje kroop er direct bij want ze had Oma Muis al een tijdje niet gezien, Oma Muis uit het land Groningen. Mijn vrouw is al helemaal gewend aan haar nieuwe titel, voor mij blijft het nog wennen al dat grut. Wellicht omdat het meisjes zijn, die zijn toch weer net even anders.

Als vader van drie jongens.

Maar goed, het blijven kleine kinderen en ik vind het machtig om mee te gaan in de fantasie van het kroost. Ik geniet ervan om bijvoorbeeld mij voor te doen als koekiemonster: “Ik ruik koekies!” grom ik dan waarna ik snuivend en stampend om mij heen begin te kijken en er geheid een mini nageslacht gillend door de kamer begint te rennen. Soms gaan we er ook een heel weekend heen en als ik dan op zondagmorgen de kans krijg om even de muziek te bepalen die uit de speakers komen, dan zet ik klassieke muziek op en dans ik de kamer door. Daar slaat Lientje ook op aan en zwierend als een danseres en zwaaiend met haar armen op de muziek, danst zij dan achter mij aan.

Klassieke muziek op de zondagmorgen was standaard bij ons thuis toen ik nog een jonkje was.

Maar ik kan mij niet herinneren dat ik zwaaiend en zwierend achter mijn vader aan danste. Die was meer van het dirigeren vanuit zijn stoel, terwijl hij even zijn boek of krant had neergelegd. Tegen het middaguur zette mijn vader elpees op van cabaretiers op, onder anderen van Toon Hermans, Wim Sonneveld of Henk Elsink. Of als mijn moeder het bepalen mocht, de elpee Hoogtepunten van de Lage Landen, met onder anderen Jenny Arean, Ramses Shaffy en Conny Stuart, liedjes die we allemaal mee konden zingen.

De middag was voor de radio, Langs de Lijn.

Pas om vijf uur ging de televisie aan want dan kwam Frits van Turenhout die op zijn bekende wijze de voetbaluitslagen voorlas. Vooral hoe hij de nul uitsprak: ‘null- null’.

Maar dat ligt achter ons.

Ik sprong uit het bed van het meiske dat nog een hele lange toekomst voor haar heeft liggen. “Mama, baby wil naar beneden, baby wil drinken hebben.” “Oh schatje, wil je naar beneden? Maar dan moeten we nog wel even je tas inpakken!” Ze hing mij zo’n damestasje om de nek en zocht daarna tussen al haar spulletjes, om die vervolgens in het tasje te proppen. Er ging van alles in, zoals een plastic hamburger, een grote pop, een boekje, een kleinere pop erin en de grote pop eruit, een portemonneetje en nog een plaatje waar ze allemaal stickertjes op had geplakt.

Die was voor Oma zei ze.

Daarna gingen we samen naar beneden alwaar ik weer Opa mocht zijn want ik kreeg Loetje in mijn armen, plus een flesje melk. Dát was effe wat, zo klein! Ik wist mij even geen houding te geven.

Lientje kwam gezellig naast mij zitten. Alsof ze zeggen wilde: “Het komt allemaal goed.”

“Hè schat!”

De wondere wereld van het huisdier

Sinds wij een hond hebben valt het mij op dat ik steeds op mijn tijdlijnen geconfronteerd word met informatie/ advertenties over en voor honden. Logisch, want we zoeken nog wel eens wat op over de hond op het internet en dat is allemaal data, het nieuwe goud zoals men wel eens zegt. Niks complottheorie, gewoon de harde werkelijkheid.

Het digitale tijdperk.

Op mijn tijdlijnen belast men mij met allerlei wetenswaardigheden over de hond. Zo weet ik nu hoe een kwetsuur te herkennen is bij een hond. Of waarom een hond zich steeds krabt. Of waarom het platte ontlasting heeft. Of waarom een hond ‘sleetje’ rijdt. Of waarom een hond plat gaat liggen als je hem of haar wilt aaien. Of juist steeds weer bij je wegloopt als je het dier wilt aaien.

Elke dag wijzer.

Maar de interesse daarvoor is natuurlijk ook aangewakkerd, door het hebben van een hond ga je je er ook in verdiepen. Voorheen hadden we daar niet echt die voelsprieten voor, die waren meer gericht op onszelf, de kinderen en de kleinkinderen. En natuurlijk alle mensen om ons heen, van familie en vrienden tot en met collega’s.

Kortom, gericht op de mensheid.

Daarmee is het ook makkelijker communiceren dan met de hond zelf, ik heb nog niet een keer een goed gesprek gehad met ons hondje. Wel heb ik mijzelf betrapt om toch een gesprek te beginnen, bijvoorbeeld als ik thuiskom van werk en de dame hier in huis nog niet thuis is. Meestal begint het gesprek dan met: “Hallo, ben jij lief geweest? Heb je lekker geluierd de hele dag? Ja hè, en nu wil je lekker even uit natuurlijk, even plassen.” Het enige antwoord is een kwispelend, rondjes springend beest dat ook nog eens voor je voeten gaat lopen.

Niks goed gesprek, enkel de boodschap: ‘Ik wil uit!’

Maar onlangs hoorde ik op de radio een gesprek met een emeritus-hoogleraar antrazoölogie, gespecialiseerd in de relatie tussen mensen en dieren. Het ging over een nieuwe, uit Engeland overgewaaide trend, namelijk over maaltijdboxen. Nu dacht ik eerst aan de maaltijdboxen van Maffe Thierry, maar niets was minder waar.

Het was nóg gekker!

Het ging over maaltijdboxen voor de hond of kat, gemaakt en gekookt volgens de richtlijnen van de mens en voor het luttele bedrag van 200 euro. Een maaltijd box met gevarieerd voedsel volgens de Schijf van Vijf, maar dan in brokken à la haute cuisine. Volgens de spreekster worden dieren steeds meer gezien als onderdeel van het gezin, iets waar ik een heel eind in mee kan gaan. Want ik ben van mening dat wanneer je kiest voor een huisdier, je er alles aan moet doen om het dier goed te verzorgen.

Tot de dood je scheidt.

Maar ik ben ook van mening dat we hier steeds meer in doorslaan. Doorslaan in de welvaart die ons welgevallen is. En daar wordt dan weer gretig misbruik van gemaakt door slimmeriken die dan de dierenliefhebbers benaderen met allerlei onzin producten. Puur voor eigen gewin, ten gunste van hun eigen portemonnee.

Ten koste van onze portemonnee.

Ik ging eens kijken op zo’n website en werd vervolgens begeleid door een heuse dierenarts, met de mooie naam Anaïs. Er werden vragen gesteld die mij stap voor stap naar de allerbeste maaltijd zouden leiden voor onze hond. Uiteindelijk kon de keuze gemaakt worden en was ik nog maar een paar klikken verwijdert van een snelle toezending van de box. Dat snelle toezenden snap ik ook wel weer. Je betaalt zo’n hoge prijs dat de kok het zelf wel even komt brengen.

Tafeltje Dekje voor uw huisdier.

Ik besloot deze dierenarts eens te gaan googlen, op de naam Anaïs want iedereen kan zich wel dierenarts noemen. Tot mijn verbazing kwam ik de volgende namen tegen, allemaal dames die diergeneeskunde gestudeerd hadden: Anaïs Colman, Anaïs Hermans, Anaïs de Brouwer, Anaïs Baalman en Anaïs Wittmann. O ja, en Anaïs Anaïs, alleen heeft die niks met dieren, waarschijnlijk wel met dierproeven, maar dat is weer een ander onderwerp.

Anaïs is kennelijk een gewilde naam onder de diergenezers.

Dit zaakje stinkt en ik vraag mij af of die dierenactivisten van PETA zich hier ook mee bezighouden in plaats van idiote praatjes over houten dieren in de draaimolens verzinnen. Dat was typisch zo’n welvaarts-discussietje, we weten van gekkigheid niet meer wat we moeten verzinnen om zo gelukkig mogelijk te kunnen leven. Er kwam dan ook een lawine aan reacties op waar ik dan wel weer om moest lachen, hoe triest het ook is dat we ons in deze tijden met dit soort zaken bezig moeten houden.

Überhaupt vraag ik mij af waarom de media aan dit onzinverhaal aandacht besteed heeft.

Want wat komt er na de draaimolen dieren? Alle tattoos van dieren. En mag je straks ook niet meer boompje klimmen, want daarmee ondermijn je de wandelende tak? En je mag ook niet meer zeggen dat je even moet pissen want daarmee heb je totaal geen respect meer voor de pissebed? Uiteraard ben ik tegen dierenmishandeling, in welke vorm dan ook.

Maar dan heb ik het over echte dieren!

Geweld is waar we al snel aan denken maar een dier gaan behandelen als mens gaat mij ook te ver. Ik ben voorstander van dat baasjes eerst een toets moeten afleggen, of men wel geschikt is om een hond of kat op te voeden. Plus een papier laten tekenen dat de hond tot zijn einde blijft en niet na een jaar ergens gedropt wordt, omdat de meubels opgevreten worden of omdat er over het kleed gepist is.

Of omdat het vakantiehuisje geen honden wenst.

Wat dat betreft kun je een dier wel degelijk zien als een gezinslid. Wanneer je voor kinderen kiest en je je gelukkig mag prijzen ze te kunnen krijgen, kies je automatisch voor de verantwoording die daarbij hoort. Dat geldt voor alles wat leeft, dus ook het konijn, de goudvis, de giftige Cobra, hamster, hond of kat. Als je dat beseft zouden veel dieren opvangplekken gesloten kunnen worden.

Maar kennelijk vergeten we dat snel door eigen belang.

 

Made by Tinus, een ode aan de rechterhand

“Oh, is mijn vriend bij je?” zei mijn vrouw ineens heel opgewekt door de telefoon. Ik moest nu even schakelen, want ik dacht dat ze belde om mij te vertellen dat ik goed bezig was op mijn vrije dag. Ik had haar namelijk foto’s geappt van mijn activiteiten in- en om het huis. Zo had ik veevoederzout over de tuintegels gestrooid, zowel voor als achter. Dat doen we om het gevecht aan te gaan met de steeds terugkerende groene aanslag op die tegels en is normaal een klusje waar zij zich mee bezighoudt.

Maar op de Dag van de Liefde pakte ik dit klusje even op.

Of ze belde mij, blij verrast als ze kan zijn, over de foto van de bos tulpen die ik haar gestuurd had, omdat het de Dag van de Liefde was. Ik had verwacht dat ze hier dubbel blij verrast zou zijn want het kopen van de bloemen kwam helemaal uit mijzelf én ik had ook zelf de tulpen geschikt in een door mijzelf uitgezochte vaas. Het schikken was een creatief proces maar het lukte: de oranje en gele aan de buitenkant.

En het bosje rode tulpen in het midden!

Maar uiteindelijk viel bij mij het kwartje, waarom ze dacht dat haar vriend bij ons thuis op bezoek was. Ze bedoelde met die vriend Tinus, Handige Tinus, vast familie van Handige Harry, maar Tinus was volgens mijn vrouw dan wel een van de hoogste categorie.

Voor de duidelijkheid: ook voor mij.

Want wat die man kan, kan ik niet. Dit is typisch zo’n kerel die bij het uitdelen van twee rechterhanden, vooraan heeft gestaan. Maar ik begreep haar verwarring voor de telefoon want ik had de muziek hard aanstaan, het schitterende ’t Het nog nooit zo donker west’ van Ede Staal klonk luid uit de boxen via een Spotify-lijstje ‘Door merg & been’.

De stem van Ede deed haar kennelijk denken aan de stem van Tinus.

Waarmee ik hier wel wil bevestigen dat Tinus de Ede Staal van het klussen is, in – en om het huis. Wat hij alleen al bij ons allemaal gemaakt heeft: een tuintafel van steigerhout, een keukenblok voor bij de BBQ, een bijzettafeltje voor naast de achterdeur, de lampen boven onze eettafel, de plinten aan onze muren en de opbergrekken in ons schuurtje.

Allemaal ‘Made by Tinus!’

Plus dan nog alle kleine handigheidjes in huis, zoals bijvoorbeeld het plankje naast mijn bed waar mijn apneuapparaat op staat. Of dat drempeltje voor de badkamer, voor de overgang van laminaat naar de tegels. Of het plaatsen van een nieuwe garagedeur. Of een houten koof, ter afscherming van het wifi modem en andere knipperlichtende apparatuur. Als ik dit zo even teruglees breekt het zweet mij al uit!

Wat een werk!

Vorige week gaf de dame hier in huis aan dat ze weer op zoek ging naar muurdecoratie voor de muur achter de bank. Het betreft een flink stuk muur die ik een paar jaar geleden, na strak stucwerk van de plaatselijke stukadoor, een kleur gegeven heb. Dat kan ik nog wel, een beetje verven. Maar daarna werd het stil rond de muur en ja, die stilte bracht toch wat onrust bij de dame.

Ze speurde Printrest af of ze liet zich beïnvloeden in een interieurwinkels.

Zo nu en dan werd mijn mening gevraagd, of we iets aan de muur zouden moeten ophangen, een poster of een schilderij? We kwamen er maar niet uit en inmiddels zijn we al een aantal jaren verder. Tot begin dit jaar, toen had ze bedacht een paar van die zogenaamde ‘akoestische wandpanelen’ op de muur te monteren. Die wilde ze bij de bouwmarkt halen maar dat zou betekenen dat ik ze dan zou moeten monteren.

Daarom bedacht ik een list.

“We kunnen toch ook naar een stofferingsbedrijf gaan? Die monteren het dan ook wel, toch?” Ze keek mij aan, dacht terug aan de projectjes die ik uitgevoerd had en zei: “Ja, dat is een goed idee!” Waarna ik weer opgelucht kon ademhalen. Op de dag van de montage was ik op werk en appte ze mij:

‘Goed dat je het niet zelf doet!’ -overdegrondrollenvanhetlachen-smiley- 

En daarna nog een appje van toegevoegde waarde en wat ik, de man met de meest linkerhanden ter wereld, allang wist: ‘Best een gemeet en gezaag, goede beslissing!’ – spierbal- smiley- Mijn dag kon niet meer stuk en toen ik thuiskwam zat daar een gelukkige vrouw op de bank, met achter haar een schitterend én rustgevend akoestisch wandpaneel. Dit geluksgevoel duurde nog dagen voort en leek niet af te nemen.

Leek.

Want op een mooie dag kwam ze niet op de gebruikelijke tijd thuis van haar werk maar anderhalf uur later. Ze kwam binnen met een grote doos en iets wat in bubbeltjesplastic verpakt zat: “Hoi! Wat ik nu gekocht heb is zó leuk! Voor achter de bank, aan de muur..”.  Ze was bij een interieurwinkel geweest en had haar slag geslagen: “Een spiegel in twee delen en een lamp!”

“De lamp kreeg ik mee voor de halve prijs, goed hè!” voegde ze er nog snel even aan toe.

Ik vroeg niet naar de bekende weg, zoals bijvoorbeeld wat de spiegel dan gekost had. Want dan zegt ze toch dat die prijs haar heel erg meeviel. En net als bij een motie indienen gaan we daarna weer over tot de orde van de dag. Die orde hield in dat ik de lamp en de spiegels voor de muur moest houden en dan maakte zij er een foto van.

Die foto’s werden vervolgens naar Tinus geappt, inclusief het verzoek de boel te bevestigen.

De volgende dag kwam Tinus al even voorverkennen en afgelopen donderdag was het zo ver. Tinus kwam, ging met zijn duimstok, potloodje en waterpas aan de slag en ik keek toe. Daarna kwam de boormachine tevoorschijn en werden er gaten geboord, pluggen geplugd en ik mocht stofzuigen.

Twee uurtjes en twee koppen koffie later was het klaar.

Die avond zat ik naast een hele gelukkige vrouw!

Daar op de Dellewal

Komende week staat Valentijn weer voor de deur. Niet de originele maar de commerciële versie. Misschien gaat het daarom wel al jaren langs mij heen, maar deze keer wil ik toch meer van hem weten, althans, van de originele versie.

Valentijn stierf in gevangenschap op 14 februari in het jaar 296 na Christus.

Een mooi tijdje terug. Maar gevangene Valentijn was verliefd op de dochter van een medegevangene en schreef haar, de dag voor zijn executie, een afscheidsbriefje waarin hij de liefde aan haar verklaarde: ‘Mijn liefde voor jou was groot, maar nu ben ik helaas al dood’

En ondertekende het met: ‘Van jouw Valentijn!’

Een stoere romanticus die Valentijn. Nu was er ook nog een andere Valentijn, namelijk priester Valentijn. Keizer Claudius de 2e wilde niet dat zijn soldaten zouden trouwden, dat was niet goed voor de motivatie om te gaan vechten en je leven te geven. Maar priester Valentijn vond dat onzin en in het geheim trouwde hij toch jonge stelletjes.

Waarop de doodstraf voor de priester volgde.

Ook een stoer verhaal, veel stoerder dan hoe we Valentijns Dag nu beleven. Want het simpele briefje met een lieve tekst heeft plaats moeten maken voor cadeaus, dure cadeaus waar weer veel geld mee verdiend zal worden. Toch is naar mijn idee echte liefde niet te koop. Liedjeszanger Jaap Fischer (later zichzelf Joop Visser noemende) zong daar al eens over, hoe een jonge knul van twintig zich liet schaken door een rijke dame van veertig:

‘Het was niet uit liefde, het was om je geld. Je was niet mooi maar welgesteld.’

Verdoemd om te mislukken en zonde van je leven is mijn mening, trouwen om het geld. Maar aan de andere kant, de liefde is niet iedereen gegeven. Kijk maar naar al die dating programma’s tegenwoordig op de televisie. Het zijn er zoveel dat je haast zou denken dat er een enorme behoefte aan is. Toch zie je maar weinig successtory’s en hoor je meestal zinnetjes in de trant van: ‘Ik voel geen romantische klik’. Of er ontstaan al gauw irritaties. Dat snap ik wel. Want wanneer je al jaren alleen bent is de vrijheid van dat alleen zijn best wel moeilijk om los te laten. Ineens moet men rekening houden mét iemand en dan kunnen de kleinste onhebbelijkheden al gaan irriteren.

Categorie snurken, smakken, kookarm, bazig of dat vreselijke irritante lachje.

Soms slaat het ook door hoor, dan zie je zo’n meisje of jongen die dan verteld nog steeds geen relatie te hebben gehad. “Ik heb mij opgegeven ‘omdat het de hoogste tijd is’.”

Leeftijd 20 jaar.

De liefde kan ook groots uitpakken, dat werd afgelopen week maar weer bevestigd toen het bericht naar buiten kwam van het overlijden van Dries van Agt. Hij en zijn grote liefde, hand in hand gestorven na een voltooid leven.

‘Als liefde zoveel jaar kan duren… dan moet het echt wel liefde zijn..’ (Herman van Veen)

Of de liefde wordt niet opgemerkt. Niet iedereen heeft daar de voelsprieten voor. Ik spreek nu uit eigen ervaring. Want toen ik 18 jaar was en nog op Terschelling woonde, liep daar zomers een meisje uit Scheemda rond, Janet genaamd. Zij kampeerde al van jongs af aan op het eiland, op Camping Cupido (!) met haar familie. Vanaf haar 16e ging ze zelfs in de vakantieperiode bij de plaatselijke drogist aan het werk, geld verdienen en vakantie vieren. Eigenlijk was ze gewoon een arbeidsmigrant. Na de zomer ging ze weer naar Scheemda, met een gevulde spaarrekening en om haar opleiding te vervolgen.

Zo ging dat. Zo gaat dat nog steeds.

Doordat ze tussen de eilanders werkte ging ze al gauw om met enkele eilanders. Zo ook met de vriendenkring van mijn oudere broer. Ze deed mee met hun volleybalteam tijdens de volleybaltoernooien van de ET-10 of ze ging met hen mee naar de discotheken, in Actania of Dellewal.

Het was de tijd van Gruppo Sportivo’s ‘Disco really made it, it’s empty and I hate it’.

Afijn, ik liep daar tussendoor ook rond en kende haar ook wel, maar ik maakte mij verder geen illusies. Zij was ‘boven mijn stand’. Dat kwam door mijn puberende onzekerheid durf ik nu wel achteraf te beweren, maar daar had ik toen nog geen flauwe notie van. Tot ik op een avond na mijn werk, ik werkte als beginnend kok, naar huis fietste. Ik had mij voorgenomen niet naar de discotheek te gaan, maar toen ik bovenlangs discotheek Dellewal fietste, sloeg ik toch af om even een blik te werpen. Of er bekenden waren.

Zij was er.

Ze liet heel duidelijk blijken het fijn te vinden mij te zien waarna we samen wat dronken en wat babbelden. Ja, meer dan babbelen was het niet want ik zag het nog steeds niet. Totdat ik aangaf weg te gaan. “Krijg ik geen kus?” vroeg ze, “Ik ga morgen weer naar huis hè.”

Zij nam het initiatief en ik werd door een bliksem getroffen!

Ik moest hieraan denken toen wij bij het jubileumconcert van de West Aleta Singers waren, het Terschellinger mannenkoor waar mijn vader ook in zingt. Toen het prachtige lied ‘Der op ‘e Dellewal’ gezongen werd, stootten we elkaar aan. Het ging over een knul van 17 jaar die ging varen en maanden van huis was. Zijn geliefde bleef op hem wachten. Daar op de Dellewal, de mooiste baai van Nederland, stond de liefde van zijn leven. Hij mocht maar één zomer van haar genieten. Daarna moest hij weer naar zee, om vervolgens nooit meer terug te keren. Toch bleef zij hem herdenken, met zijn portret in haar hand.

Daar op de Dellewal.

Onze liefde duurde twee winters en twee zomers lang, toen ging het uit. Dat trok een zware wissel op ons, alleen wisten we dat niet van elkaar. Ik werd toen ook fan van het radioprogramma Candlelight, dat werkte verlichtend. We leefden vervolgens allebei een nieuw leven, maar in ons hart bleef het knagen of we er wel goed aan gedaan hadden. Het duurde 30 jaar voor we elkaar weer vonden, zij stond daar nog steeds te wachten op mij. En ik op haar.

Daar op de Dellewal!

De sleet zit in de keet: deel 2

De eerste tekenen of scheurtjes van verval in onze relatie toonden zich al eens eerder, ergens in 2019. Mijn geliefde vond toen dat ik niet meer zo attent was. Ze had al een flinke poos geen bloemetje meer van mij gehad en ze vond in haar boterhamzakje enkel een gesmeerde boterham, in plaats van een lief briefje: “Werkse schatteke, hou van je!”

Ondertekend met de bekende kruisjes.

Maar de roest krijgt zo nu en dan vat op onze relatie. Daar kwam ik afgelopen week weer achter, of beter gezegd, het werd mij duidelijk gemaakt. Na een ontzettend leuk weekend op Terschelling was het ineens weer maandag en stond er weer een werkweek voor de boeg. Om de week dan maar weer voedzaam te beginnen had ik die avond een zogenaamd AGV’tje op het menu gezet: gekookte aardappels, broccoli en een schnitzel. Om er toch nog iets speciaals van te maken had ik de broccoli bijtgaar gekookt en daarna gewokt met rode paprika, een klein uitje en een paar druppels knoflookolie.

Net even anders.

Vol vertrouwen zette ik het ons voor. Mijn tafelgenote begon te eten, maar zei verder niet zoveel en dat wekte bij mij argwaan. “En? Is ’t lekker?” Ondanks dat het negen van de tien keer lekker is, blijf ik er toch altijd wat onzeker over. “Nee, die aangemaakte broccoli is niet lekker.”

Nou, dat kwam binnen!

De laatste keer dat ik een ‘klacht’ moest incasseren was alweer wat jaren geleden. We gingen naar Pura Vida in Blauwe Stad, mijn dame, haar vriendin en de kok zelf. Ik had pasta gemaakt met van alles en nog wat erdoorheen plus wat pittige paprikapoeder. Het zag er verrukkelijk uit al zeg ik het zelf, maar na een paar dames hapjes kreeg ik te horen dat het iets te pittig was.

De lipjes deden er zeer van.

Dat heb ik die avond en daarna nog heel vaak moeten aanhoren, dat ik te pittig gekookt had. Natuurlijk ging ik daartegen in, vond dat ze erg overdreven want de lipjes werden vanzelf weer rustig. “Gewoon nathouden”, zei ik dan, “dat kunnen jullie best wel.” Nou, dan verscheen de een na de andere voor de interruptiemicrofoon en was de eindconclusie dat zij gelijk hadden.

En ik niet.

“Ik ben beter van je gewend.” vervolgde ze haar betoog over de gewokte broccoli: “Dat is je eigen schuld, je hebt zelf het roer overgenomen in de keuken en je kookt altijd lekker. Maar nu gewoon even niet, bah!”

Dat ‘bah’ deed mij wel wat.

De tweede dag op rij niet lekker gegeten want de avond ervoor kwamen we van de boot en wilden nog iets eten op de Harlinger haven. Helaas was op de haven alles dicht. Nu hadden we best wel trek en even verderop was een Mac, die lag op de route. We twijfelden allebei want we vinden de keuken daar, zacht uitgedrukt, niet te vreten maar een kroket bij de benzinepomp was ook niet aantrekkelijk.

“Dan nemen we een vis- en een kroketburger, dat is nog wel te doen.” Zei ik, vol twijfels.

Vierentwintig euro dertig armer stonden we even later op de parkeerplaats van deze fastfoodketen en bekeek ik de visburger. “Gatverdamme, er zit een plak geel plastic onder!” zei ik, vol afgrijzen. Ik nam een hap en legde het direct weer terug in de zak. De kroketburger ging nog wel, maar ik wist niet hoe snel ik al die narigheid weg moest spoelen met de milkshake die we erbij besteld hadden.

Mijn vooroordeel over dit ‘eten’ werd maar weer bevestigd!

Gelukkig was vrouwlief het met mij eens en we gooiden eenentwintig euro in de afvalbak. Toen we weer verder reden bedacht ik dat koken een verplicht vak zou moeten zijn op alle scholen, om zo het echte voedsel weer onder de aandacht te krijgen.

Bah!

De volgende dag zette ik haar spruitjes met gekookte aardappelen en kippendij voor, zonder toevoegingen. Gelukkig vond ze het lekker, maar ze miste wel de ‘dikke jus’. Dat was de start voor een nieuwe huiselijke twist.

“Het wordt allemaal minder.” zei ze.

Ze ging die avond vroeg naar bed om nog even tv te kijken want ze voelde zich moe. “Ik kijk dan wel even programma’s terug waar jij niet naar kijken wil.” “Want ja, ik moet elke avond wel naar jouw programma’s kijken, zoals First Dates en Lang Leve de Liefde! Want dan zit meneer pontificaal op de bank en moet ik het doen met het schermpje van mijn telefoon om programma’s te kijken die ik leuk vind!”

Dat klopte.

Zij volgde die serie over die meerlingen en daar heb ik dan niet zoveel mee. “Onderhand neem je gewoon het huis over en heb ik niks meer te zeggen.” Ik besloot de spreuk ‘Zwijgen is Goud’ maar toe te passen, het zijn gewoon even van die mopperdagen en dat moet kunnen. De volgende morgen belde ze vanaf haar werk: “Waar zijn die hardbroodjes gebleven? Daar had ik mij zo op verheugd en wat had je voor mij klaargemaakt? Bruinbrood met kaas!”

Dat klopte ook, ik had die avond ervoor de laatste twee opgegeten.

De crisis was nu compleet, maar de oorzaak openbaarde zich halverwege de week. Ze werd ziek, de griep kreeg haar te pakken en goed ook. En ja, alles wat ze van de week van mij vond, vindt ze dus in werkelijkheid niet. Omdat ik avonddienst had, haalde ik voor haar zo’n maaltijdsalade, met zalmsnippers. Zodat ze zelf niet hoefde te koken. Toen ik dat, staande naast haar bed, vertelde, kreeg ik weer de deksel op mijn neus: “Oh, als ik ergens geen zin in heb, is het wel zalm!”

Daar stond ik dan met mijn goed gedrag.

“Ik heb wel zin in Pannenkoeken.” kreunde ze zachtjes en draaide weer op haar andere zijde om weer in slaap te vallen.

Na het eten van de pannenkoek zag ik het in haar ogen, een twinkeling zoals ik van haar gewend ben.

De pot met allesvuller om de scheurtjes weer te repareren en de cola tegen de roest kunnen gewoon dicht blijven!

 

Ieder zingt zijn eigen lied

Mijn vader zit al 43 jaar bij dit mannenkoor en is er nog steeds vol van. Niet alleen hij, maar alle (bijna 60) leden, zijn super fanatiek en zingen het hoogste lied. Ze noemen zich de ‘West Aleta Singers’, vernoemd naar het Amerikaanse schip West Aleta welke in 1920 nabij Terschelling verging.  

Inclusief de lading: wijn, whisky, balen rijst, kisten met haring en andere stukgoederen. 

De heldhaftige bemanning van de reddingboot ‘Brandaris’ wist 42 opvarenden te redden. Vlak daarna brak het schip in tweeën waardoor de lading overgeleverd was aan de grillen van de zee. Tot grote vreugde van de eilanders natuurlijk want een deel van die lading spoelde aan op het strand. Waarschijnlijk was dat de reden dat bergers ‘maar’ 15000 van de 35000 wijn en whiskyvaten wisten te bergen.  

Menig keel werd sindsdien op het eiland gesmeerd. 

En van dat spul kon je goed zingen en dat beviel de eilanders wel. Jaren later, in het jaar 1974 besloot Jan Jonker de West Aleta Singers op te richten, precies 50 jaar geleden. Het repertoire was in hoofdzaak shanty’s, zeemansliederen die men tijdens de werkzaamheden zong op de zeilschepen. Voor de arbeidsvitaminen, maar ook voor het ritme van die werkzaamheden. De Shantyman zong de coupletten en de bemanning het refrein.  

Vierstemmig! 

Dat het shanty genre populair is, weten we. Overal in het land kun je shantykoren vinden. Ook hier in Winschoten beschikken we over een koor, het Shanty koor Maritiem waar een oom van mijn vrouw al 27 jaar lid van is. Maritiem heeft dit jaar ook een mooi jubileum te vieren, namelijk haar 30- jarig bestaan, ook al zo’n mooie mijlpaal. Het verschil tussen deze twee koren is dat de West Aleta Singers naast shanty’s, ook geestelijke, populaire en klassieke liederen zingen. In allerlei talen en dialecten. En als ze de taal niet machtig zijn dan leren ze het wel fonetisch te zingen, maar dat doet niets af aan de geestdrift om te zingen. Maar al die mannen in al die koren hebben allemaal een ding gemeen: enthousiasme! Het is dan ook begrijpelijk dat er heel veel leden tussen zitten die al hun halve leven lid zijn van de club.  

Menig vereniging zou daar heden ten dage jaloers op zijn. 

Maar het koor waar mijn vader in zingt bestaat dus 50 jaar en dat vieren ze dit weekend met maar liefst drie concerten. Dat optreden nemen ze heel serieus want er werd de afgelopen weken niet één keer in de week gerepeteerd maar twee keer! Na de generale repetitie van afgelopen donderdag was vrijdagavond de aftrap, het concert voor de donateurs én, wat een ontzettend goede actie, voor de bewoners van het verpleeghuis De Stilen via een live- stream. Zaterdag mochten ze even rusten om vervolgens vandaag, in de ochtend te zingen voor de gezamenlijke kerken en vanmiddag voor de resterende liefhebbers van dit genre. 

Wij mogen er vanmiddag bij zijn. 

Dan zien we mannen van allerlei pluimage, ieder met zijn eigen achtergrond én levensverhaal. Van jong tot oud, van slager tot bouwvakker, van leraar tot administratief medewerker en van middenstander tot dokter, een prachtige doorsnede van de samenleving. Door die variatie is het een hele solide vereniging en dragen ze samen de lasten en de lusten. Zo hebben ze een kringloopwinkeltje gestart en als er vanwege een optreden wat opgebouwd, verbouwd of geïnstalleerd moet worden pakken ze dat gezamenlijk op. Zo zelfredzaam zijn deze heren wel en dat is waarschijnlijk ook de reden dat ze al 50 jaar bestaan. 

Aan dirigent Sjoerd de Boer de taak om er een melodieus geheel van te maken. 

En dat doet hij met succes, samen met vijf zeer muzikale dames! De dames begeleiden de mannen met hun accordeons of met de piano waarmee er nog meer kleur wordt gegeven aan de liedjes. En over dames gesproken, dat die mannen al jaren dat kunstje kunnen uitvoeren komt ook doordat hun partners er achter zijn gaan staan. Dat ze hem ‘zijn hobby’ gunnen. Zo stond mijn moeder er ook altijd in, was ze net zo enthousiast over het koor als mijn vader. Ze draaiden thuis ook vaak een ceedee van de club en zongen dan samen, tijdens hun eigen bezigheden, mee met de liedjes.  

Of ze ging mee naar de concerten. 

Daarom was het ook zo mooi dat we op haar crematie het door mijn vader solo gezongen ‘Kyrie’ konden laten horen waar mijn moeder zo gek op was. Maar ook het prachtige ‘Schylgerlân’, met op de achtergrond foto’s van het voorbije leven.  

Liederen die troost gaven.  

Want naast alle optredens werd er ook op verzoek opgetreden. Met name wanneer het koor een uitvaart mocht begeleiden staat mij de kracht van die liederen bij, voelde je de troost van prachtige, ingetogen gezongen liederen waarmee de ruimte zich vulde. Die liefde voor het koor zag je ook bij de andere partners van de koorleden. Overal waar het koor optreden moest, volgden de partners. En dat overal was ook overal, onder andere hebben ze opgetreden op het eiland Helgoland, in de havens van Rotterdam, Franeker, tijdens Sail in Delfzijl en Den Helder, Emden, België, Praag, Engeland en Noorwegen. Hoe vaak hoorde ik niet van mijn vader dat het gezelschap laat terugkwam van zo’n reis en dat ze dan met een zelf geregelde boot, onder andere met het schip de Regina Andrea, teruggingen naar Terschelling. Uiteraard met een natje en een droogje waarmee het een super gezellige overtocht werd.  

Die hebben meer gezien van de wereld dan ik, besef ik mij nu. 

Zodra ze ergens bij ons in de buurt zongen dan probeerde ik er altijd wel even heen te gaan want dan zag ik mijn ouders weer even. Het even elkaar zien en bijkletsen en ondertussen genietend van de optredens. Het laat maar zien dat de liefde voor dit koor niet alleen oversloeg op de partners. Ook bij de kinderen. En bij ons sloeg zelfs de vonk ook over op de kleinkinderen want die zingende opa vinden ze ontzettend leuk en sommigen zingen zelfs enkele liedjes al mee. 

Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. 

Mijn vader zingt al bijna 90 jaar.  

Het wordt een mooie middag! 

 

We vergeten de spelregels…

Tegenwoordig lijkt het wel of we niet meer weten hoe we met van alles en nog wat om zouden moeten gaan. Zo zagen we bijvoorbeeld afgelopen week hoe delen van ons land in totale chaos veranderde. Niet door een inval van een vijandig buurland of vanwege bombardementen en ook niet door aardbevingen of overstromingen. Nou ja, op een paar ondergelopen kelders na dan, maar dat valt niet onder totale chaos. Nee, gelukkig blijft dat soort ellende ons (nog!) bespaard, maar bij ons ontstond de totale chaos door sneeuwval.

Tot wel 25 cm in Limburg!

Gelukkig konden heel veel mensen de schoonheid en de pret van sneeuwval nog wel zien, maar de echte chaos ontstond op de wegen. Waarom nu juist daar? Omdat het glad was! Ja, een bizarre constatering, maar wel de werkelijkheid. En niet alleen in Limburg werd het glad, overal in Nederland werd het glad en was de chaos compleet. Weermannen en vrouwen werden 24/7 aangeroepen en in de media werd Piet Paulusma gememoreerd vanwege zijn elk jaar terugkerende voorspelling van horrorwinters.

We zaten er middenin!

Uiteraard kwam Erben Wennemars ook weer even voorbij want ja, ‘stel dat’ of ‘wie weet’ of ‘zal het weer door kunnen gaan’ is toch wel dé vraag zodra het een beetje begint te winteren. Ondanks dat we weten dat sneeuw niet goed is voor het ijs, maar kou is kou en winter is winter.

Maar helaas, de komende week zitten we wat temperatuur betreft alweer in de dubbele cijfers.

En gaat het weer regenen, dat hadden we nog niet gehad in de afgelopen maanden. Gelukkig hebben we de beelden nog van de chaos op onze wegen en kunnen we ons daar nog even over opwinden. Tot dat witte spul weer als sneeuw voor de zon verdwenen is, dan is er wel weer wat anders waar we ons druk over maken. Maar dat de chaos gewoon door ons zelf veroorzaakt wordt vergeten we zo snel. Neem bijvoorbeeld al dat verkeer dat denkt gewoon door te kunnen rijden met de snelheid die ze altijd gewend waren.

‘Winterbanden ja! Dus opzij graag, ik heb haast!’

En ja, dan moeten ze wel eens remmen. Niet één keer maar meerdere keren. Want dan rijdt er weer zo’n autootje voor hen die zich wel aanpast aan de weersomstandigheden. Vreselijk volk in de ogen van de verkeershufters. Maar door al dat gerem gaan de auto’s die daar vlak achter (!) rijden ook op de rem en duurt het niet lang meer voor dat je genoemd zal worden op de radio:

‘ANWB-verkeersinformatie, op de volgende wegen…’

We weten er niet meer mee om te gaan. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat we met veel meer auto’s op de weg zitten. Stond er in vroegere dagen nog maar een auto voor de deur, nu staan er gemiddeld drie per huishouden.

De welvaart raast voort.

En vroeger waren de winters nog wel winters, die wekenlang aanhielden en schaatsen was elk jaar een terugkerende bezigheid. Maar ja, dat was nog ver voordat we elke winter Erben Wennemars hijgend van opwinding op de televisie zagen bij de eerste vrieskou. En de tijd dat schaatsen op televisie een zeldzaamheid was, laten we dat ook niet vergeten. Ik kan mij die dagen nog wel herinneren, dan zaten we met de hele familie voor de buis:

Gordijnen dicht en het wedstrijdschema uit de krant op schoot.

Naast winters hadden we in die tijd nog geen influencers en iedereen liet zich nog gewoon inenten tegen het HPV-virus, DKTP of BMR. Er was zeg maar, nog een gezond evenwicht tussen vertrouwen en wantrouwen. En mocht je het ergens niet mee eens zijn dan schreef je een boze, nette brief in plaats van racistische drek of bedreigingen spuien op media forums.

Ook mediaforums hebben spelregels hoor!

Van zelfscankassa’s hadden we ook nog nooit gehoord. Maar stel dat ze er wel waren, dan gaven we de dame of heer van de steekproeven geen grote bek omdat we wisten dat dit nu eenmaal de spelregels waren. En van die steekproeven raken we voorlopig niet af want er wordt weer flink gejat, we kunnen kennelijk de verantwoordelijkheid ook al niet meer aan. Maar het was ook de tijd dat we een, hooguit twee knuffels als kind hadden om troost en geborgenheid te zoeken als we dat even kwijt waren.

Wanneer we ons ‘Remy’ voelden.

Maar dat was toen. De tijd van normen en waarden ligt ver achter ons. Er zijn mensen die naar die tijd terugverlangen en er zijn mensen aan de macht die zeggen dat we dat terug kunnen krijgen. Maar dat gaat ze niet lukken, want de wereld zit, ondanks dat we steeds meer weten van alles, verdomd ingewikkeld in elkaar. Je moet van goeden huize komen om dat allemaal nog bij te kunnen houden. Dan bedoel ik niet van rijke afkomst maar van een warme, liefdevolle stabiele afkomst.

Dan houd je misschien net het hoofd boven water.

Zo hoorde ik laatst van een oprukkend, tekenend voor deze tijd nieuw fenomeen, de zogenaamde knuffeltherapie. Dat doe je onder begeleiding van een knuffelcoach en even helder: zonder happy end! Volgens het bericht is er behoefte aan deze therapie en dat snap ik eigenlijk ook wel weer. Want we weten inmiddels dat er steeds meer alleenstaanden zijn en ja, die snakken op een gegeven moment toch ook naar een knuffel.

Huidhonger, zo leerden we in de coronajaren!

Dus ondanks dat vele generaties opgroeiden met tientallen knuffels, in alle soorten en maten, komen velen toch knuffels tekort. En daar zijn dus nu een paar slimmeriken op ingesprongen en kun je, tegen betaling, je lekker laten knuffelen. In allerlei standjes: lepeltje-lepeltje, op schoot en ruggen wrijvend, rug tegen rug of geschaard. Het kan allemaal, mits je je testosteron en oestrogeen in bedwang kan houden.

Ik vind het een goede ontwikkeling.

Want naast al die aanrakingen, strelingen en lieve woordjes kun je natuurlijk ook een beetje kletsen met die wildvreemde man of vrouw waarmee je op dat moment lekker in de kussens ligt. Want dat missen we ook.

Het praatje met de caissière!

Is dat wat?

Mensen willen nog wel eens toespelingen maken wanneer je, qua leeftijd, een rond getal benadert. Zoals bijvoorbeeld 30, 40, of 50. Zo werd ik iets langer dan een jaar geleden al geplaagd met het feit dat ik al hard richting de 60 jaar liep. Dat mag hoor, bietsie plagen, maar er werd ook gedreigd met poppen in de tuin, vlaggen aan de voorgevel en bussen vol met pretletters die van feestjes houden. Alleen al de gedachte daaraan…

Met alle respect voor de liefhebbers van feestjes hoor, maar ik hou het liever klein.

Plagen mag en dat werd door vrouw en kinderen dan ook regelmatig gedaan. Op mijn 59ste verjaardag kreeg ik naast een lekker flesje nog een mededeling: als je 60 wordt dan ga je het beleven!

Voor mij het moment om mij ernstig zorgen te gaan maken!

Vrouwlief én de jongens hadden daar erg lol van en ik werd dagelijks bestookt met suggestieve opmerkingen die ik weglachte maar die wel tussen de oren bleef hangen. Op een gegeven moment ging ik het internet op om uit te zoeken waar kersverse zestigers door ‘verrast’ konden worden. In de hoop het voor te kunnen blijven door bijvoorbeeld mijzelf ziek te veinzen of, als de nood te hoog zal worden, te vluchten naar veiliger oorden.

In blinde paniek!

Mijn vrouw merkte dat ik onrustig werd. Vervolgens kwam er toch een soort van medelijden om de hoek kijken. Tussen ons gezegd en geschreven, dat was van mij allemaal toneel. Ik wist dat ze zou zwichten wanneer ik rustiger werd in doen en laten, minder zou lachen en wat afwezig zou rondlopen in ons leven. “Lieverd, zal ik dan maar vertellen wat je cadeau is als je 60 jaar wordt?”

Ik hing aan haar lippen.

“Het cadeau is…” ze stopte en begon te lachen waardoor ik het nóg benauwder kreeg. Wat had ze of wat hadden ze bedacht om mij ‘te verrassen’. “Toe nou maar!” zei ik iets te chagrijnig, ik hou niet van dat cliffhanger gedoe wat je vaak op de televisie ziet. Ze zag de ernst en riep: “Je gaat op je 60ste verjaardag naar Terschelling en je verblijft dan twee dagen en twee nachten in het Seinhuisje op het Kaapsduin!” Mijn mond viel open en mijn hele lijf ontspande. Vol bewondering keek ik haar aan, verrast door het feit dat zij mij weer wist te verrassen en daarmee bevestigde dat zij precies weet wat ik wil.

Ik voelde mij even Koning, Keizer, Admiraal, want dat húske is het helemaal!

Het staat daar al jaren, gebouwd op een bunker en is mede gezichtsbepalend voor het eiland Terschelling. Natuurlijk heb ik daar wel eens gelopen en was ik mij volledig bewust van het magnifieke uitzicht vanaf die plek, maar er twee dagen en nachten ‘leven’ had ik nooit kunnen dromen. Dat kwam wel bij mij op toen men besloten had om dit oude seinhuisje, ooit gebouwd boven op de fundering waar in de oorlog een zoeklicht op gestaan heeft en wat na de oorlog door de marine gebruikt werd als peilstation, om te bouwen naar een soort van hotelkamer. Soort van, want er is geen roomservice. 

Toen dacht ik enkel: ‘Wauw! Wat een goed idee!’

Afgelopen maandag reden we Harlingen in, exact op de dag waar ik 60 jaar geleden in het plaatselijke St. Jozefziekenhuis ter wereld kwam. Dat besef was er, ook toen we de boot opstapten. Want ik durf wel te beweren dat het grootste deel van mijn leven gepasseerd is.

Daar durf ik wel een flesje wijn op te zetten.

Het was lekker fris winterweer en bewolkt maar dat deerde ons niet. Het feest was immers begonnen! Twee uur later stapten we aan wal en na lekker geluncht te hebben deden we nog gauw even wat boodschappen zodat we niet meer naar ‘beneden’ hoefden en optimaal konden genieten van het huisje. Dat genieten was beneden al begonnen, want ik kwam ook bekenden tegen en dat voelt altijd weer even vertrouwd. Uiteraard vertelde ik, zo trots als een aap met zeven staarten, van ons aankomende verblijf in dat Húske op het Kaapsdûn.

“Is dat wat?” vroeg er eentje.

Na een beklimming via het haarspeldbochten-voetpad betraden we het huisje. Nadat we de koffer en boodschappen uitgepakt hadden, keken we samen uit het raam aan de west kant, met zicht op het Groene Strand, de Noordsvaarder en het Hoogste Duin. We hielden elkaar even vast, overmand door gierende emoties pinkten we beiden een traantje weg, dachten terug aan wat achter ons lag en wat we samen bereikt hebben. Ik moest denken aan een gevleugelde uitspraak van mijn ouders:

‘Wat zijn we toch gelukkig maar waar hebben we het aan verdiend.’ 

De rest van de middag en dagen wisselden we steeds van plek: op de knieën vanaf de bank keek je over het hele eiland of naar de westkant naar het scheepsverkeer in de Vliestroom en het weidse van de Noordsvaarder, vanuit de keuken keek je over de haven en Waddenzee, vanuit de hal zag je, keurig ‘ingelijst’, de Brandaris en boven naast het bed een kijkluikje met zicht over de toppen van de bossen, inclusief wat doorkijkjes in de duinen naar de Noordzee. Vanuit ons bed keken we door het grote dakraam naar de sterrenhemel, helder als de helderste diamanten.

De maan had deze nachten vrij af.

We hadden boeken mee, maar hebben geen letter gelezen. Daar was geen tijd voor. Te veel afleiding. Te veel zonsondergangen boven Vlieland. Te veel zonopkomsten boven de Waddenzee, ergens ter hoogte van onze provincie Groningen. Te veel vliegbewegingen van vogels op het Wad.

Het voelde alsof wij stil stonden terwijl alles om ons heen bleef bewegen.

De oostenwind gierde om het huis, de zon scheen volop, de lucht strakblauw en het was zó helder dat we vanaf onze positie de Sint- Magnuskerk van Hollum konden waarnemen, met het blote oog en nog beter met de verrekijker. Op de achtergrond draaiden we alle dagen via een speakertje muziek van Ludovico Einaudi.

Alsof we midden in een aflevering zaten van Frozen Planet.

Maar dan zonder ‘die stem’.

“Is dat wat?”

Ja, het is wat. Het is heel wat. Alsof we in een levend schilderij zaten, wij als nietig onderdeeltjes van een gigantisch geheel.

Het was enorm wat!

 

Toch een geweldig begin!

De kop is er weer af, de eerste week van het jaar ligt achter ons. Voor mij is het vandaag Oudjaar, maar daar kom ik vermoedelijk volgende week op terug. Want wat nog niet ervaren is, kan nog niet beschreven worden.

Ondanks het begrip schrijvers ‘vrijheid’.

Want van dat begrip mag je een beetje liegen of jokken, aandikken, afvlakken, fantaseren, weglaten, overdrijven of heel erg overdrijven. Nu wil ik het nog wel eens hebben over vrouwen, meestal mijn eigen vrouw, over hoe die anders denken en doen dan mannen. Maar neem daar asjeblieft niet te veel aanstoot aan!

En vooral niet serieus!

Alhoewel er altijd wel een kern van waarheid in zit, natuurlijk. En ‘altijd’ is niet overdreven wat dit stukkie betreft.  Want ja, ik moet het er wéér over hebben. Ik heb het nog proberen uit te stellen, kon het nog nét over de feestdagen heen tillen, maar moet nu toch de openbaarheid in omdat ik er dagelijks mee geconfronteerd word. Langer voor me houden mag het ook niet van mijn huisarts, dingen opkroppen. Waarmee de toon eigenlijk daarmee alweer gezet is, hoe de rest van mijn stukkies zich zullen ontwikkelen in het nieuwe jaar.

Eigenlijk wilde ik ‘brandschoon’ nieuwjaar schrijven maar dat lukt al niet meer.

Want het nieuwe jaar begon weer met veel geweld en dan met name tegen hulpverleners. Tweehonderd agenten zijn gewond geraakt, onder andere door klootzakken met bivakmutsen op die hun illegaal verworven vuurwerk gebruikten als munitie tegen politieagenten, brandweerlieden of ambulance medewerkers. Op zoek naar sensatie, want dat hoort bij hun ‘mannelijkheid’, stelletje watjes. Stoer hoor! Ik zou zeggen: ga het leger in en maak je nuttig. Dan voeg je iets toe in plaats dat je alles afbreekt of hulpverleners, mensen zoals jij en ik, opstapelt met stress of lichamelijk lijden.

Dan ben je pas een echte kerel!

Honderdzevenennegentig agenten hebben aangifte gedaan tegen dit gespuis. Heel goed, dat zijn er nog drie te weinig. Maar ik kan nu al inschatten hoe het dan straks in de rechtbank gaat want geloof me, die gasten zullen grotendeels gepakt worden want ze filmen elkaars geweldplegingen. Dan zit daar straks zo’n dader heel erg zielig te wezen, snikkend dat het niet zo bedoeld was. John de Mol ziet hier dan wel weer misschien kansen in om er een leuk en gezellig TV-programma van te maken, met als titel:

‘Het spijt me’

De een zijn straf is de ander zijn brood zeg maar. Dat sluit mooi aan bij de hebzucht die in ons landje steeds weer opnieuw aangewakkerd wordt. Zo aan het einde van het jaar heb je dan de Staatsloterij en de Postcodeloterij, allebei heel erg goed in het bespelen van de hebzucht. Zodra de prijzen dan gevallen zijn, dan heb ik het over lullige bedragen zoals 30 miljoen in de Staatsloterij of 59 miljoen in de postcodeloterij, wordt dat breed uitgemeten in bepaalde kranten of digitale media. Vooral wanneer je net naast de winnende pot piest, zal dat breed uitgemeten worden want dat is goed voor de clicks. Er is immers geen beter vermaak dan leedvermaak, alhoewel je in dit geval er ook een tegeltje tegenaan kunt gooien:

‘Geld maakt niet gelukkig’

Kennelijk dachten heel veel mensen die 30 en die 59 miljoen euro te winnen want er werd 100 miljoen aan vuurwerk uitgegeven. Wat een armoe. Maar goed, even terugkomend over waar ik het niet over wilde hebben, er is naast alle crisissen in de wereld hier in huis ook een crisis bijgekomen. Wij hebben namelijk een nieuwe bank. Die is in de plaats gekomen van een tweezitter en een fauteuil. De dame hier in huis zat altijd in die fauteuil en ik zat min of meer naast haar, in de hoek van de bank. We zijn gek op elkaar, maar deze posities voelden toch altijd alsof we iets tekortkwamen.

Alsof er een kloof tussen ons zat.

Dat vond ik niet zo fijn maar goed, ik kon de kloof overbruggen door mijn been op te tillen en dan mijn voet naast haar in de stoel leggen. Als een soort poef zeg maar. Nu wil het geval dat ik het ook fijn vind dat zij dan die voet een beetje gaat masseren, kriebelen of aaien. Eerst met de sok nog aan maar het wordt nóg fijner wanneer ze de sok uittrekt en dan begint met de aanrakingen, huid op huid zeg maar. Of dat ze er een zalfje tegen de droogte of kloofjes opsmeert.

Misschien een vorm van voetfetisjisme?

Ik heb geen idee, ik vind het gewoon lekker. Als ze stopte met aanraken dan riep ik “Voet!”, maar dat vond zij niet fijn, ik citeer: daar word ik ‘kriebelig’ van. “Maar sketteketje”, zei ik dan, “dat wil ik juist, dat je lekker kriebelt, masseert of aait!” Dat bedoelde ze natuurlijk niet, ze vond het zo’n verplichting worden en wij zijn op een leeftijd dat we niet meer van verplichtingen houden, op de verplichting na dat je afspraken nakomt natuurlijk.

Het werd een hoekbank, met een losse hocker, voor mijn ‘eilandgevoel’ zeg maar.

“Dan ga ik hier in de hoek zitten, lekker met de beentjes voor me uit en kan jij aan de andere kant zitten. De hocker kun je dan gebruiken om je voetjes op te leggen!” had zij bedacht. Ik vond het allemaal prima, mijn vrouw is voor de inrichting en ik zorg voor het eten.

Twee weken terug werd de bank geleverd.

Best groot, zo’n hoekbank. We moesten beiden dan ook flink wennen, want de kloof tussen ons was nu gigantisch. Ik had ook het idee dat we luider moesten praten wanneer we wat te praten hadden. We moesten, net als de hond, even onze plek vinden in deze nieuwe situatie (op TV zeggen ze dan: in deze nieuwe setting..).

Maar deze bank biedt perspectief. Want ik kan nu naast haar zitten. Of liggen!

Zonder kloof!

Net als gisteren. We zaten gezellig en knus op de bank toen we via video bellen op de hoogte werden gebracht van de geboorte van ons tweede kleinkind:

Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Félou!

Wat een vreugde tussen al het geweld op deze wereld.

 

2023, een terugblik

De wekker ging vanmorgen wel heel erg vroeg! Ik had namelijk een afspraak met een oude vriend, Herman Bernardus Antonius. Een bijzonder markant, vriendelijk en vooral wijs figuur die net zoveel neuzen heeft als het jaar nog dagen. Voor mij al zolang ik leef een hele bijzondere man en sinds een aantal jaren mag ik hem lijfelijk ontmoeten, altijd een bijzonder moment!

Elk jaar op Oudejaarsdag, want dat is zijn dag!

We hadden deze keer afgesproken bij de uitkijktoren in het natuurgebied Reiderwolde. Dat lag meer op zijn route had hij gezegd. En dat was ook de reden dat we dit jaar extra vroeg hadden afgesproken, want dan kon hij deze dag meer mensen ontmoeten dan voorheen: ‘De behoefte in een goed gesprek is hoog!’ was zijn ervaring.

Ik kon het alleen maar met hem eens zijn.

Mijn rugzak vulde ik met een thermoskan koffie, een platvink gevuld met jutterbitter, twee broodjes pittige kip, twee plakken kerstcake die mijn vrouw gemaakt had en nog een bakje extra belegen kaasblokjes.

Om in beweging te komen én duurzaam bezig te zijn, pakte ik de fiets.

Terwijl ik die kant op fietste vlogen enkele zwermen ganzen in tegenovergestelde richting over mij heen, luid gakkend op reis naar warmere oorden. In de verte zag ik zijn grote gestalte al bij de uitkijktoren rondlopen. “Herman! Goedemorgen!” riep ik hem al traplopend toe, “je was er al!” Lachend riep hij terug: “Jazeker, ik heb er zin in. En wat een mooie ..eh..hoe zeggen ze dat hier.. schiere plek is dit zeg! Je kan vanaf hier de hele wereld inkijken!” Ik kon alleen maar knikken want ik was wat achter adem van de klim.

Het blijft elk jaar weer een fijn weerzien.

Hij keek mij lachend aan en zei: “Zeg, het was hier toch steeds een zooitje, er werd hier overal rommel achtergelaten door hangjongeren? Dan zijn ze zeker op hun vingers getikt want er ligt helemaal niks!” Hij had gelijk. “Ik denk dat het te nat en te koud is voor de jeugd, die liggen nu allemaal thuis op de bank, lekker onder een kleedje.” zei ik lachend. Vervolgens liepen we via de metalen trap naar boven, naar het hoogste punt en gingen we zitten op het bankje met uitzicht: recht voor ons Blauwe Stad, iets links daarvan de schoorsteenpijp van De Toekomst, nog iets meer naar links de ruis van de A7 en de spits van de Olle Witte en rechts de rust van de grazende Lakenvelders.

Ik schonk hem een koffie in met een scheutje jutterbitter.

“Ah, lekker, daar was ik aan toe! Ik ben al sinds middennacht onderweg.” Hij nam een slok van zijn koffie en zwaaide met zijn rechterarm voor zich uit: “Wat een mooie plek zeg, je voelt aan alles hier de historie.” Ik knikte en nam ook een slok koffie, zonder de kruidenbitter want de dag moest voor mij nog beginnen. “Ja, je doelt natuurlijk op het Verdronken Dorp Reiderwolde. We zitten hier best wel actueel te zijn want momenteel zijn alle waterschappen aan het knokken tegen het stijgende water. Gelukkig zijn we daar goed in, waar een klein land groot in kan zijn. Een verderop is de plek waar ‘de mensen van voorbij’ hun rust gevonden hebben, op de natuurbegraafplaats.”

Even lieten we de stilte stil.

Hij gaf mij een dreun op mijn arm en riep, onder begeleiding van een brede grijns: “Vriend! Hoe is het met je? Ben je het jaar een beetje goed doorgekomen?” Door deze manoeuvre morste ik wat koffie en terwijl ik mijn hand afveegde aan mijn broek gaf ik antwoord: “Tja, waar zal ik beginnen. Het was voor mij én mijn vrouw een heel bijzonder jaar kan ik wel zeggen. We raakten allebei een ouder kwijt. Zo heb ik afscheid moeten nemen van mijn moeder, maar eigenlijk had ik dat al een paar jaar eerder gedaan. Want Alzheimer kreeg haar in de greep en daardoor werd het leven voor haar een stuk minder leuk, ondanks de liefdevolle zorg die mijn vader, zus en op het eind het personeel van woon-zorgcomplex De Stilen haar zoveel als mogelijk gegeven hadden. En eind augustus stierf mijn schoonvader, de man die eigenlijk nog zoveel aan het leven hing maar uiteindelijk de strijd verloor. Het blijft pijnlijk, mensen die bij je dagelijks leven horen, te moeten verliezen, wonden die slecht helen.”

Herman begon zachtjes te zingen: ’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west

Of ’t wer altied wel weer licht

“Maar we hebben het goed afgesloten hoor.” vervolgde ik. “De herinneringen aan die weken van rouw, het samenzijn met het gezin waar we ooit mee gestart zijn, het weerzien met veel oude bekenden die hun condoleances over kwamen brengen, de beide uitvaarten. We hebben dat als heel bijzonder mogen ervaren en dat heeft ons heel goed gedaan.”

Herman sloeg een arm om mij heen: “Goed zo jongen, goed zo!”

“Maar niet alles is weg, hoor. Mijn vader knokt zichzelf een manier om verder van het leven te genieten zonder zijn geliefde vrouw en het hondje van mijn schoonvader woont nu bij ons en dat vinden we beiden erg gezellig. Dat geeft vooral mijn vrouw wat troost, want ze mist haar ouders heel erg, ondanks dat ze er vrede mee heeft.” Mijn vriend knikte: “Rouwen kent ook geen grenzen. De ene heeft langer nodig dan de andere, dat is een heel menselijk proces en niemand hoeft daar wat van te vinden. Maar grote vriend van me, volgens mijn berekeningen waren jullie afgelopen jaar 5 jaar getrouwd! Of heb ik het mis?”

Ik schoot in de lach.

“Klopt, alleen we waren het allebei weer vergeten! Althans, ik dacht het nog te weten, maar dat bleek achteraf de verkeerde dag weer te zijn. Nou ja, het geeft ook niks, we hebben er weer veel lol om gehad en dat is het belangrijkste, lol hebben in een relatie. En niet alleen in een relatie, overal in de wereld zou men weer eens wat meer lol moeten maken. Het lijkt wel alsof we steeds verder uit elkaar groeien, opgehitst door die irritante ‘influencers’ of politici. Die zijn allemaal met één belang bezig.”

“Laat me raden: het eigenbelang!” vulde mijn gesprekspartner in.

“Juistum!” Het is fijn praten met een verstandig mens. “En dan zijn er nog die ellendige oorlogen, in gang gezet door extremistische lieden die nog steeds niet snappen dat er niks mee te bereiken valt. Ja, ellende, heel veel ellende, verdriet, leed en afschuwelijke en gruwelijke toestanden die de gewone mens, vrouw, man en kinderen doorstaan moeten. Wat is dat toch?” Ik liep nu helemaal leeg, in de wetenschap dat heel veel mensen er ook zo over denken.

‘De zwijgende meerderheid’ zeg maar.’

“En waarom overal om ons heen die agressie? Waarom gunnen we elkaar het licht in de ogen niet meer? Waarom moet je alles maar kunnen zeggen wat je denkt? Waar is de nuance gebleven? Waarom worden mensen afgerekend op hun uiterlijk en niet meer op de inhoud? Waarom worden we met het groeien van de Sociale media, ooit opgezet om te verbinden lijkt mij, alleen maar asocialer? Waarom gedragen we ons in het verkeer als hufters? Om nóg meer dodelijke ongelukken te veroorzaken? Waarom nemen we de kantinepraat op de tv of de mening van de zogenaamde Bekende Nederlanders serieuzer dan de nieuwszenders die met professionele journalisten het nieuws proberen te duiden? Waarom gedragen we ons als beesten tegenover hulpverleners, BOA’s, politie, ambulancepersoneel of brandweerlieden? Waarom worden steeds meer mensen onverdraagzamer en waarom begint men met wantrouwen in plaats van vertrouwen? Waarom klagen we zoveel en waarom wijzen we altijd naar de andere?”

“Maar nooit naar onszelf?”

Ongemerkt was ik erbij gaan staan, om mijn punt te maken, mijn ongerustheid over de maatschappij waar we nu in leven. “Rustaagh!” riep mijn vriend mij lachend toe, “Ga eens even zitten en laat eens even zien wat er allemaal in je rugzak zit want ik begin een beetje trek te krijgen.” Nu moest ik ook lachen en ik pakte de broodjes met hete kip uit de tas. “Kijk eens, een lekker broodje hete kip! Zelf gemaakt en goedgekeurd door de vrouw des huizes.”

Zwijgend aten we de broodjes op en ik schonk nog eens bij.

“Maar de Madelief is gekozen tot onze nationale bloem, dus we kunnen de #doeslief aanpassen in #doesmadelief.” zei ik lachend, beseffende dat humor dé manier is om alle negatieve muren te slechten. “En wist je dat de dieren ook in opstand komen tegen onze welvaart? Zo bouwde een dassenfamilie een burcht onder het spoor in Friesland waardoor het treinverkeer daar een week plat lag. De dassen zullen waarschijnlijk beïnvloed zijn geweest door de Friezen zelf, die blokkeren ook graag.”

“Tja, Groningers versus Friezen, die willen elkaar nog wel eens verliezen.” zei Herman lachend.

“Maar effe wat anders, heb je die kerstcake bij je, die je vrouw elk jaar bakt?” vroeg hij, waarop ik direct de rugzak weer pakte en hem een plak cake presenteerde: “Kiek eens, vers van het mes!” Gretig nam hij er hap van. Ik vroeg hem hoeveel stappen hij al achter zich had liggen, zo door de jaren heen, want ik hou dat voor mezelf nu ook een beetje bij. “Nou, dat hou ik niet bij, maar ik vermoed dat het wel eens in de miljarden kan lopen. Jullie hebben hier toch de Wandel Avondvierdaagse? Dat zijn ook allemaal van die stappenvreters en ik hoorde dat het afgelopen jaar de 75ste editie was.”

“Knap hoor!”

“Ja man, dat is toch wel een van de hoogtepunten van het jaar. Het brengt zo ontzettend veel mensen op de been, geweldig! Over hoogtepunten gesproken, mijn vrouw vierde afgelopen jaar haar 40-jarig jubileum bij het ziekenhuis. Ze had vorig jaar bedacht om dat dit jaar te vieren met een weekendje Terschelling, met alle kinderen, aanhang en kleindochter. Ik probeerde haar nog te waarschuwen, zeg maar als financiële waakhond, maar ze zette haar zin door.”

“Gelukkig maar, want het werd een superleuk weekend en alle neuzen deden gezellig mee!”

“Nou, dat vindt ‘De man met net zoveel neuzen als het jaar nog dagen heeft’, hartstikke mooi!” en opnieuw kreeg ik een harde klap op mijn schouder van hem, ondersteund met een bulderende lach die een aantal rustende ganzen deed opvliegen. “Maar grote vriend, naast hoogtepunten was er ook een dieptepunt toch, stond jouw voetbalcluppie ineens onderaan de ranglijst? En heb ik dat nu goed gehoord vanmorgen, hebben ze verloren van Hercules, een amateurclub uit Utrecht?”

Ik moest nu wel meelachen, dat heb ik ondertussen wel geleerd.

“Ach ja, wrijf het er maar even in. Ik zei nog zo aan het begin van het seizoen, neem Peter Bosz aan als trainer. Maar ja, gedoetjes onderling en haantjesgedrag werden de doodsteek. Wij mannen zijn vaak de oorzaak van gelazer in het voetbal. Is het niet op het veld dan is het wel op de tribunes. En al die stakingen van wedstrijden beginnen mij de keel uit te hangen dus ik kijk al haast niet meer.”

“Zonde van mijn tijd.” zei ik en maakte ondertussen het bakje met blokjes kaas open.

“Stukkie kaas?” Hij keek verrast: “Lekker, je hebt het weer goed voor elkaar dit jaar, dankjewel!” “Ja man, maar we moeten er ook van genieten. Het leven bij de kladden pakken, want het kan zomaar over zijn.” antwoordde ik. Er zijn ons weer veel te veel mensen ontvallen, te jong en te plotseling. En wat te denken van die overleden mensen die ons verrijkt hebben met hun kunsten, zoals Wim de Bie, Tina Turner, Willem Nijholt, Paul van Vliet, Sinéad O’Connor, Jan Jongbloed, Clairy Polak en Burny Bos.”

Hij knikte zwijgend, ik zag hem denken.

“Hoe is het met je kleindochter eigenlijk? Herkent ze jullie wel, ondanks de afstand?” vroeg hij vervolgens. “Ha, onze kleindochter! Oh ja, die herkent ons zeker! We zijn met de kerstdagen daar nog geweest en het was weer dikke pret. Tweede kerstdag wilde ze ons al om 5 uur wakker maken, maar dat hebben de ouders kunnen rekken tot 7 uur. Toen kwam ze tussen ons inliggen en praatte ze honderduit, onder andere over haar zusje welke over een paar weken verwacht wordt.”

“Mooi zo!” zei de man, “Ik had ook niks anders verwacht!”

“Maar over verwachting gesproken, ik word elders in het land verwacht, bij iedereen die mij kent.” Hij was er bij gaan staan en ik merkte op dat de dag met een beetje zonlicht begonnen was. We omhelsden elkaar: “Het was weer fijn je gesproken te hebben, voor mij blijft dit toch een hoogtepunt van het jaar.” zei ik terwijl we elkaars handen stevig schudden.

“Ha ha ha, ja, nou, dat is het voor mij helemaal mien jong!” zei de man.

“Tot volgend jaar, ik hoor nog wel waar.”

Hij draaide zich om, liep de trap af en even later zag ik hem het ‘theater’ oversteken, op zoek naar een goed gesprek waar wij mensen zo naar verlangen.

Hij keek nog een keer om en brulde: “En vernuver die zulf!”

Ik stak mijn duim omhoog en bleef even zitten om nog even te genieten van de omgeving en om het gesprek even in te laten dalen. Niet te lang.

Want morgen begint het Nieuwe Jaar en er staat weer van alles op stapel.

Fijne jaarwisseling en alle goeds voor 2024!

 

De day before

En ineens is ‘t kerst! Nou ja, morgen dan. De tijd vliegt niet maar raast voorbij! Ik ben net bekomen van de kerst van vorig jaar, toen hadden we al ons nageslacht in huis.

En ze moesten allemaal mee-eten!

En er moesten spelletjes gespeeld worden. Ook iets van deze tijd, spelletjes spelen. Het liefst van die bordspellen waar je bij moet nadenken. Althans, daar moet ik dan bij nadenken, ik ben niet zo van de spelregels. Eigenlijk ben ik ook niet van de spelletjes. Eigenlijk nooit geweest, iets van vroeger denk ik. Zo kan ik mij nog herinneren dat mijn broer en ik besloten hadden om te gaan monopoliën. Dat was nog ver voor het euro-tijdperk en het ging nog om briefjes van 1 tot max 500 gulden.

Het laat een mooi tijdsbeeld zien hoe we er toen financieel voorstonden.

Het geld werd geteld, gedeeld en alles werd klaargezet voor een urenlang tijdverdrijf. Dat spel was door de jaren heen ook niet meer compleet. Dat was onze eigen schuld, biljetten raakten zoek omdat ze gebruikt werden voor andere spelletjes. Toen alles klaarstond, keken we elkaar aan en vroegen haast tegelijkertijd:

“Heb jij nog zin?”

We hadden beiden geen zin meer, gooiden alles terug in de doos en gingen naar buiten om te voetballen. Naast monopolie werd er ook wel eens een poging gedaan om een ander spel te spelen, bijvoorbeeld Pesten, Mens Erger Je Niet, Pim Pam Pet of Memory. Maar om nou te zeggen dat we er om zaten te springen? Nee, dan waren wij thuis toch meer van het lezen en werd er goed gebruik gemaakt van het bibliotheek-abonnement. Zo kan ik mij nog heel goed de mensen herinneren die daar werkten: Trini, Harma, Nel en Klaas.

Zij hebben mij heel wat mooie leesuurtjes bezorgd!

Maar we staan vandaag aan de vooravond van een geboorte. Of dat gaat lukken weten we nog niet helemaal zeker, dat is elk jaar weer even afwachten. Want vandaag is een hoogzwangere dame met haar man op zoek naar een veilig en warm onderkomen vanwege een volkstelling. Dat is elk jaar weer een crime want geschikte huisvesting vinden is erg lastig. Eigenlijk waren er al vanaf het begin van ons bestaan woningtekorten. Wat deze hierboven beschreven starters betreft, heb ik een donkerbruin vermoeden dat ze wel weer in een stal zullen belanden.

Inclusief een ezel en een os.

Sommige dingen veranderen nooit. Alhoewel, we hebben ook dit jaar weer geen witte kerst terwijl dat in vorige edities wel gelukt was. Waar hebben we dat aan verdiend? Of is dat onze straf omdat we leven als rupsjes Nooit Genoeg? En we hadden toch met elkaar afgesproken niet te warm te stoken, 19 graden is meer dan genoeg en er zijn dekentjes genoeg om onder te kruipen. Sinds wij een hondje in huis hebben weet ik dat er zelfs dekentjes voor honden te koop zijn! Wat zeg ik, honden kunnen tegenwoordig gebruik maken van een complete garderobe! Zo zijn er bijvoorbeeld jasjes voor honden en mijn vrouw, waar ik doorgaans prima mee overweg kan, heeft daarover wel eens wat gezegd. Zo van dat een jasje met het huidige, onstuimige en depressieve weer best fijn is voor een hond. Ze zegt het dan op een oppervlakkige manier, maar ik bemerkte een serieuze ondertoon en dan gaan bij mij alle alarmbellen bellen.

Waar rook is, is vuur.

“Jij doet toch ook een jas aan?” zeggen de voorstanders. Klopt als een zwerende vinger maar honden hebben een vacht en die vacht is berekend op alle weersomstandigheden. Als het te koud is houdt het ze warm en als het te warm is dan hijgen ze de warmte wel van zich af. Ik, van oorsprong mens, heb geen vacht. Ja, op sommige plekken, maar daar raak ik steeds minder van onder de indruk.

Daar schaam ik mij niet voor.

Wanneer ik na het uitlaten met een natte hond thuiskom, droog ik haar wel af. Dat heeft met praktische redenen te maken: we willen geen natte hond pootjes en geur op de bank. Nu wil ik hier niet mee zeggen dat onze hond niks mag, dat ik hier in huis de boeman ben richting de viervoeter. Dat is onzin, ik speel zelfs met haar door tegen een piepende, plastic champagnefles te schoppen waarna het beestje deze weer naar mij terugbrengt. Vroeger voetbalde ik ook met mijn jongens, wat niet zeggen wil dat ik dit hondje nu als kind zie! Maar ik ben wel voorstander van sokken voor honden.

Of slofjes.

Want dat getik van nageltjes op het laminaat irriteert als de boor van de tandarts of als nagels op een krijtbord. Bijvoorbeeld als ik in de keuken bezig ben het ontbijt klaar te maken. Want zodra ik een gekookt eitje tik (een ieniemienie tikje is al genoeg!) hoor ik eigenlijk direct daarop trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip-trip. Dan heeft ze de afstand van mand naar keuken overbrugd en begint ze mij tijdens mijn werkzaamheden in de keuken, flink in de weg te staan.

Ze is gek op gekookt ei.

Ze mag er van mij drie per week een want een ei is goed voor haar vacht. En dat scheelt dan weer een jas kunnen we dan wel zeggen. Maar ze komt dus vier keer per week voor niks haar mand uit. Mijn vrouw vindt dat zielig, maar weet inmiddels dat dit van mij een ijzeren wet is. Waar de man woon, draagt hij de kroon!

En dat in een tijd dat er mannen zijn die bang zijn hun mannelijkheid te moeten verliezen.

Bang om hun mannelijkheid te verliezen, ik herhaal het nog maar even. Ik begrijp dat niet. Ja, als je in een oorlogsgebied je land verdedigen moet, dan snap ik dat de man bang is en daar hoef je je echt niet voor te schamen!

Maar bang om je mannelijkheid te verliezen klinkt net zoals een jasje voor de hond. Kom op zeg, wees een kerel!

Fijne Kerstdagen! ‘De wereld is van iedereen’

Eid milad majid! Shchaslyvoho Rizdva! Wesołych Świąt! Mutlu Noeller!  ¡Feliz navidad! Kirismaska ​​​​wanaagsan! Selamat Hari Natal! Crăciun fericit! Merry Christmas! Весела Коледа! Среќен Божиќ! Καλά Χριστούγεννα! Veselé Vánoce! God jul! Joyeux noël! Glædelig jul! Kirîstmas piroz be! Selamat natal! Shèngdàn jié kuàilè! Frohe Weihnachten! Krismasi Njema! Buon Natale! krisamas kee badhaee! Geseënde Kersfees! Wilujeng Natal!

Dan maar onder een dekentje…

Dekentjes, dat is tegenwoordig een begrip. Het valt onder ons dagelijks taalgebruik en is een van de manieren om te ontspannen. Hoe vaak hoor je niet iemand zeggen: “En dan kom ik thuis en dan ga ik lekker onder een dekentje liggen op de bank.” En daar blijft het niet bij, want dit ‘chillen’ gaat vaak samen gepaard met het streamen van een serie. En dan het liefst een heleboel afleveringen achter elkaar. Daar is ook weer een naam voor bedacht, bingewatchen, marathonkijken of, heel ernstig, comakijken!

Ja, we doen onszelf wat aan in de moderne samenleving.

Ik kan mij niet heugen ooit in mijn vroegste jeugdjaren onder een dekentje gelegen te hebben. Ja, onder de dekens van mijn bed, gewoon in bed en niet op de bank. Dat was nog ver voordat het dekbed uitgevonden was, zelfs het sprei was nog niet uitgevonden. Dat sprei kwam ergens begin jaren 70, toen men het haken had uitgevonden zeg maar. Maar daarvoor nog had je bij vrieskou ijsbloemen op je slaapkamerraam, zo koud was het toen. Dat lag ook aan het enkele glas wat er in onze ramen zat hoor, daar moet ik wel eerlijk in zijn. Maar donzen dekbedden en dubbel glas kenden wij nog niet en er was maar één kachel in huis.

Die stond in de woonkamer.

Daarom droegen we pyjama’s! En als ik dan ‘s morgens uit bed kwam, rende ik naar beneden om vervolgens op m’n knieën voor de kachel te gaan zitten, te wachten op de warmte nadat ik de kachel van standje waakvlam op vol gezet had. En in afwachting van de nog vele koude momenten die de dag zouden gaan vullen. Bijvoorbeeld als ik op mijn fiets de Sparfolders rondbrengen moest. Op Terschelling, dus veel wind, met naast dorpen veel buurtschappen en daartussen kale vlakten. Dan moest ik afstanden afleggen die voor een jochie van mijn leeftijd als horror ervaren werden.

Ik kan nog steeds het gevoel van bevroren vingers in natte, wollen handschoenen terughalen.

Pyjama’s draag ik nu niet meer. Want we hebben dubbel glas, een donzen dekbed en een radiator onder het slaapkamerraam (die overigens nooit aanstaat). En we hebben ook geen bloemen meer op de ramen, maar dat heeft ook te maken met het feit dat we geen winters meer hebben.

In de loop der jaren zijn we er dus best wel warmpjes bij komen zitten.

Daarom snap ik de jeugd wel dat ze niet zo gauw het ouderlijk nest willen verlaten. Die zijn zonder ijsbloemen op de ramen warmpjes opgegroeid, werden door de ouders overal naartoe gebracht met de auto en krantenwijkjes hoefden niet gelopen te worden want dat was zielig.

Op een paar stoere uitzonderingen na.

En dan is er nog het woningtekort natuurlijk, ook een begrijpelijke reden dat de jeugd wat minder snel uit kan vliegen. Toen ik uitvloog, begon ik met het huren van een kamer met stromend water. Koud water. De douche moest ik delen met de andere bewoners van het pand en dat was altijd fijn als ik ‘s avonds laat thuiskwam van een lange en vermoeiende dag werken. Dan moest ik wijdbeens op de randen staan in de douche omdat het putje verstopt zat.

Meer informatie is niet nodig, toch?

Het was mijn eerste kennismaking met de Asociale mens en, na ik later begreep, het leven met studenten in een huis. Maar goed, die waren natuurlijk heel erg geleerd en daardoor te verstrooid om het doucheputje even te ontdoen van alle gorigheid. Logisch dat zoiets als je schaamhaar verwijderen uit het putje niet in je vocabulaire bestond. Normaal deed mama dat altijd.

Of de kaboutertjes.

Om het woontekort op korte termijn aan te pakken wil demissionair minister De Jonge de hospita terug. Toen ik dat las werd ik weer even teruggegooid naar 1980, toen ik besloten had een opleiding te gaan volgen in Leeuwarden. Ik moest toen ‘in de kost’ zoals we dat noemden. Nadat er een kosthuis gevonden was, ging ik samen met mijn moeder kennismaken en met het begin van mijn nieuwe schooljaar woonde ik van zondagavond tot en met vrijdagavond bij deze mensen, een ouder echtpaar.

Mensen die heel zuinig op mij waren.

Want ik mocht ‘s avonds de straat niet op. Althans, niet om te chillen met andere eilander scholieren die toen in dezelfde wijk in de kost zaten. Dat was veel te gevaarlijk. Die angst c.q. verantwoordelijkheid werd voornamelijk gevoed omdat ze elke dag de Leeuwarder Courant uitplozen, met name dan de berichten over geweldsdelicten op straat werden dan aan mij voorgelezen. Buiten gingen dood en verderf hand in hand en dat was voor hun reden genoeg mij binnen te houden. Dit was ‘vroeger’ hè, waar zoveel mensen naar terugverlangen gezien het stemgedrag van de afgelopen verkiezingen.

Mijn smoesjes dat ik naar de Bieb moest werden wel goedgekeurd.

Je zou dit kunnen zien als een nadeel van wonen op een eiland. Maar aan de andere kant maakt het je ook een stukje zelfstandiger. En empathischer. Want naast het reizen leerde je ook met andere culturen omgaan, zoals in mijn geval de Friese cultuur, de stadscultuur en de cultuur van mijn hospita’s: de ene was Drents en de andere Fries. Daarbij kreeg je als eilander ook nog te maken met allerlei culturen die van de Wal kwamen, uit alle windstreken. Allemaal ‘fremden’ met andere gewoontes, maar bij nader inzien eigenlijk allemaal prima volk wat net als ieder ander van een mooi leven wilde leven. Daardoor werden we kennelijk ongemerkt getraind om met al die ‘culturen’ om te gaan.

Om daar later heel veel profijt van te hebben.

Misschien schamen we ons wel en kruipen daarom onder een dekentje. In deze absurde, egoïstische tijden, waar mensen tegen elkaar opgezet worden, waar gemeentes het niet meer aandurven asielzoekers op te vangen zodat Ter Apel ontlast kan worden, waar de problemen zich opstapelen omdat er te veel belangen zijn, waar het individualisme en het simplisme welig tiert en waar de afgunst van de muren druipt.

En elk jaar weer dat verlangen, vanonder een dekentje: Vrede op Aarde.

 

Ouderdom komt met gebreken

 

‘Shit! Ladder!’ Appte ik naar mijn vrouw en dropte er een paar hele boze icoontjes bij. Ze belde direct op: “Wat is er met de ladder? Hebben ze die gejat?”

Ja, dat had natuurlijk ook gekund, dacht ik.

Vorige week maandagmiddag kwam ik thuis van werk en sprong ik direct onder de douche. Tijdens het afdrogen kwam de dame in huis de badkamer binnen om gewassen handdoeken op te ruimen. Ineens gaf ze een gil en wees naar mijn benen:

“Ar! Je benen, kijk!” riep ze en keek er heel bezorgd bij.

Ik schrok van haar reactie en keek snel naar beneden, maar zag gelukkig nog steeds mijn benen. Eigenlijk dezelfde benen die mij al heel wat jaartjes dragen, benen die mij eigenlijk overal naartoe gebracht hebben waar ik wezen wilde, benen die toen ik nog voetbalde flink wat schoppen hebben moeten incasseren, benen die heel wat uurtjes rondgelopen hebben op keukenvloeren, benen die heel wat kilometertjes de pedalen van mijn fiets hebben aangedreven en benen die de laatste jaren steeds vermoeider thuiskwamen, vast ook omdat het gewicht wat ze dragen moesten steeds zwaarder werd.

Ik kreeg spontaan medelijden met mijn benen!

“Wat is?” vroeg ik geërgerd, “je maakt me aan het schrikken!” Ze keek mij nu verontwaardigd aan: “Zie je het dan niet? Je ene been is veel dikker dan de andere! Je ziet de randen van waar je sokken gezeten hebben zelfs!”

Ik keek nog een keer, hield nu de pokkel wat in zodat mijn zicht beter werd. Ze had gelijk, mijn rechterbeen was dikker maar dat was voor mij nu ook niets nieuws onder de pokkel..euh..zon. Ik had dat wel vaker gezien, het was de ene dag wat erger dan de andere dag. En ik wist dat mijn benen al jaren dik waren. Bij mijn vorige werkgever was dat al een probleem. Ik moest daar nog wel eens van uniform wisselen vanwege de wisselende werkzaamheden. Met vooral de broeken had ik dan altijd gedonder en de chef van de garderobe klaagde dan altijd over de dikte van mijn benen.

Dus ja, ik val in herhaling, maar er was voor mij niks nieuws onder de zon.

Daar dacht mijn vrouw anders over, dat was wel duidelijk. Vooral toen ze zei dat ik ermee naar de dokter moest. Ik beloofde haar een keer de dokter te bellen voor een afspraak, maar dat was niet het goede antwoord:

“Nu Ar, nu bellen!”

Nadat ik mij had aangekleed belde ik mijn huisarts, in de wetenschap dat ze toch geen plek hadden want ze hebben het altijd druk. De Doktersassistente was vriendelijk doch net zo resoluut als de Doktersassistente die bij mij in huis woont. Want na het beantwoorden van enkele vragen, vanuit de keuken bijgestaan door een roepende echtgenote met medische aanvullingen, werd ik toch gesommeerd om die middag nog te komen.

De Paniek-Piet was er niks bij.

In mijn onschuld werd ik nu ineens verdacht van het hebben van een trombosebeen. Een uurtje later lag ik op een behandeltafel, zonder broek, maar nog wel in boxer en hemd. De huisarts voelde en voelde en constateerde spataderen, niet dramatisch, maar ze wees het wel aan als een van de schuldigen in deze zaak.

Het was geen trombose.

Maar ik moest nog wel even bloed laten prikken, waar achteraf niets bijzonders in te zien was. “En ik adviseer u om kousen te gaan dragen, ter ondersteuning.” “Kousen? U bedoelt steunkousen?” Nu kreeg ik het ineens heel benauwd. Want daar had ik al wel eens van gehoord, dat dit ondingen zijn om aan te doen en dat vooral oudere mensen dit moeten dragen.

Val je als bijna 60-jarige nu ook in de categorie ‘oudere mensen’?

Nu weet ik ook wel dat ouder worden met gebreken gaat. Ooit was ik heel actief op sportgebied. Ik voetbalde, volleybalde, liep hard maar ben daarmee min of meer gestopt na een herniaoperatie. Niet omdat het na de operatie niet meer kon maar min of meer om niet de kat op het spek te binden zeg maar, vooral omdat ik toentertijd nog wel eens flinke rugklachten kreeg. Ik heb ook nog een jaartje gesoftbald, maar ben uiteindelijk helemaal overgegaan op de wandelsport.

Plus veel fietsen.

Maar altijd bewust van wat nog wel of niet meer kan. Vergelijkbaar met dat ik, op mijn leeftijd, geen spijkerbroeken draag met van die modieuze (?) scheuren erin. Of dat ik op mijn leeftijd nog vader zou worden van een (liefdes…) baby.

Maar ik ben nog geen ouwel lul!

Ik herhaalde wat de dokter mij adviseerde: “Steunkousen? Nee toch…” en keek er erg sip bij. “Nou nee, niet echte steunkousen maar een ander soort.” zei de dokter. “De Hema heeft ze en die zijn prima! Die zijn niet zo dik maar geven wel goede stevigheid. En je kan ze dragen met je werksokken eroverheen.”

Eenmaal weer buiten belde ik direct vrouwlief.

“Oh maar ik ben bij de Hema, ik neem er direct wel een paar van mee!” zei ze, hoorbaar opgelucht dat het trombose-verhaal nog even niet actueel was. Toen ze later thuiskwam met de sokken deed ik ze direct aan. Dat was wel even een dingetje, want ik vond ze verdacht veel lijken op panty’s en kon ze tot over mijn knieën heen trekken. Ik liep er mee naar beneden en wist eigenlijk al wat er komen zou:

Een vrouw die volledig in een stuip schoot van het lachen!

Want ja, het was ook geen gezicht! Het waren gewoon zwarte kousjes, zelfs met een bewerkt randje. Heel sexy eigenlijk wel, maar de verkeerde benen zaten erin. En de riempjes ontbraken. Maar goed, het doel heiligt de middelen en er gaat toch een (werk) broek overheen, niemand die het ziet en niemand die het weet.

Nou ja, niemand…

Mijn telefoon ging, het was mijn vrouw: “Ja met mij, is de ladder gejat? Had ik de garage niet op slot gedaan vanmorgen?”

“Nee joh, veel erger! Ik trok net mijn kousen aan en wat denk je?”

“Een ladder!”

‘Even’ een weekendje weg..

Enige weken geleden kreeg mijn vader een uitnodiging om een kerkdienst bij te wonen, de laatste van het Kerkelijk Jaar om precies te zijn. De reden van uitnodiging was dat men in deze dienst de mensen die in het afgelopen jaar overleden zijn, wilde herdenken. Of nog mooier betitelt in een gedicht van Hanna Lam welke op de uitnodiging stond:

‘De mensen van voorbij’

Zoals mijn moeder, zijn geliefde vrouw waarmee hij 65 jaar lief en leed mee gedeeld heeft. Ik vond dit een mooi initiatief van de gezamenlijke kerken op Terschelling en wij wilden daar graag bij zijn. Zaterdagavond heen en zondagavond weer terug.

Pa zou ons van de boot halen.

Vervolgens vroegen we hem of er nog dingen meegenomen moesten. De laatste jaren namen we nog wel eens een rettich of een Edammer jong belegen kaas voor hem mee omdat hij dat niet meer op het eiland kon krijgen. En een fles Viermaster jenever, dat vindt hij een lekkere zachte borrel.

De Edammer kaas voldeed.

Vorige week maandag belde hij. Hij was nogal grieperig en wist niet hoe de week verlopen zou. Tijdens het gesprek, onder andere werden de komende verkiezingen en het Nederlands Elftal even doorgenomen, viel mij niks grieperig op. Wel genoot ik van het feit hoe fijn het toch is dat ik nog een goed gesprek kan hebben met mijn vader.

Koesteren.

De volgende dag kregen we bericht van zijn manteldochter, mijn zus. ‘Pa is vanmorgen bij de dokter geweest. Na een erg benauwde nacht heeft hij 112 gebeld, maar die konden er de vinger niet opleggen, de huisarts uiteindelijk wel: een longontsteking.’

Nu was er alle reden voor ongerustheid!

Zuslief trok bij Pa in voor de nachten en ik begon na te denken of we misschien een dagje eerder naar het eiland konden gaan. Dat kon gelukkig ook, dankzij de planners van mijn werkgever. We besloten de boot om te zetten naar de laatste afvaart van vrijdagavond, 19:50 uur en ja, misschien wel handig:

‘Laten we de fietsen maar meenemen.’

Vrijdagmiddag pikte ik om half vijf mijn vrouw op bij haar werk om zoveel mogelijk tijd te winnen. Want naast het steeds slechter wordende weer wist ik ook niet precies wat we aan vertraging konden verwachten bij Stad. Door alle wegwerkzaamheden van de zuidelijke ringweg wil de gangbare route nog wel eens afwijken.

’t Mout eerst mal wezen voor dat ’t schier wordt!’

We waren Stad zo door, maar verderop zag ik door het beregende raam heel veel rode achterlichten. Ik kreeg een déjà vu: waar had ik dat nu meer gezien? Och ja, bijna dagelijks op de wegen in de Randstad toen ik daar nog woonde. Het déjà vu werd krachtiger nadat ik voelde dat mijn blaas aangaf dat hij eigenlijk wel geleegd zou willen worden. Dat heb ik zo vaak meegemaakt, in een file staan terwijl je eigenlijk ontzettend moet zeiken!

En de vluchtstrook is geen optie.

Afijn, tegen zeven uur stonden we geparkeerd op de Harlinger parking maar het leek alsof we al aan boord zaten. De auto schommelde heen en weer door de inmiddels stormachtige wind. “Het is gelukkig droog.” zei ik tegen mijn vrouw. “Blijf jij maar lekker zitten, dan haal ik de fietsen van de auto en maak ze klaar voor de reis.”

Nadat ik uitgestapt was begon het te regenen.

En te hagelen! Ik zette de fietsen met de kont in de wind en terwijl ik bezig was om het hondenmandje op mijn vrouw ’s pakjesdrager te plaatsen, vroeg ik mij af waarom we eigenlijk de fietsen meegenomen hadden. Die gedachte werd versterkt nadat beide fietsen door een windvlaag omvielen. Maar ik bleef rustig, ondanks dat het systeem waar het hondenmandje op vast zat, door het omvallen losgeschoten was van de pakjesdrager. Dan moet het mandje maar op de mijne.

Het is toch donker…

Vrouwlief zette het inmiddels trillende hondje in de fietsmand, pakte daarna haar eigen fiets en vloog vervolgens met windkracht 9 in de rug naar de terminal op de haven. Ik wilde ook op mijn fiets springen, maar het lukte niet mijn been over het nu piepende hondje (het hagelde weer stevig) heen te gooien. Door de fiets heel schuin te zetten lukte het mij alsnog het been over de stang te krijgen, zonder dat de koffer voorop of het hondje achterop van de fiets zal vallen.

Enkele minuten later waaide ik de terminal in.

Daar trof ik een haast verzopen vrouw met een kapsel à la orkaankracht. Ik parkeerde tegen het hekje welke de fietsers voor Vlieland en Terschelling scheidde. “Waarom blijf je zitten?” vroeg ze na een tijdje. “Nou, dat zit namelijk zo…je moet mij even helpen, je moet mijn been even over de stang duwen..”

Ze kreeg de slappe lach, ze gierde erover en kwam zelfs boven de storm uit.

Het lukte haar niet. Ze moest nu zó hard lachen dat ze in haar broek pieste, haar enige zwakke puntje. Ik stuurde haar de terminal in om de boel te ordenen en vervolgens lukte het mij, zonder kleerscheuren, af te stappen. Daarna maakte ik haar pakjesdrager weer in orde zodat de mand weer bij haar achterop gezet kon worden.

Dat was voor iedereen veiliger. Door de storm vertrokken we pas om 20:45 uur, maar eenmaal op het eiland was het droog en de fietsrit naar huis werd belicht door een bijna volle maan.

Het werd een mooi weekend.

Zaterdag maakte ik een dikke pan met nasi en de avond brachten we voetballend door: zo’n beetje alle Eredivisiewedstrijden werden bekeken want Pa knapte al op en vrouwlief zat lekker te lezen in de erker.

De kerkdienst was bijzonder.

Naast het horen van alle namen van de overledenen kwamen ook allerlei herinneringen weer boven van de mensen die ik gekend heb. We staken kaarsjes aan voor mijn moeder maar ook voor mijn schoonvader, een klein ritueel maar vol emoties. De storm werd er zelfs stil van en was erbij gaan liggen.

Tegen de avond dan toch weer dat altijd terugkerende afscheid. Gelukkig bieden woorden dan troost: ‘Ieder afscheid is de geboorte van een nieuwe herinnering.’

100 dagen

Zodra er een kabinet gevormd is en we eindelijk weten wie zich de nieuwe Mark Rutte.. Euh…minister-president mag noemen, zal hij of zij ook te maken krijgen met de 100 dagen brief naar de Tweede Kamer. Met die brief informeert de nieuwe MP hoe die dagen verlopen zijn. Of de beloftes die er gemaakt waren voor deze periode ook uitgevoerd zijn. En op democratische gronden getoetst zijn.  

Deze keer een extra uitdaging weten we inmiddels. 

Wij hadden aan mijn schoonvader beloofd zijn hondje in huis te nemen wanneer hij kwam te overlijden. Dat ligt inmiddels 100 dagen achter ons en daarom schrijf ook een brief, niet aan de Tweede Kamer maar aan mijn schoonouders, waarin ik hun informeer over hoe het hun hondje vergaan is sinds zij zijn gaan hemelen. 

Of waar dat dan ook maar mogen zijn. 

Beste Pa en Ma, 

Hier even een update over jullie hondje Lobke. Hoe het met haar gaat. De eerste week moest ze, net als wij, heel erg wennen aan de nieuwe situatie. Dat heeft ons een vloerkleed gekost én de bekleding van een stoel kreeg de inhoud van haar maag over zich heen, maar dat kwam natuurlijk door alle veranderingen die ze moest ondergaan. En ze was de laatste jaren gewend om bij Pa te slapen, op of naast zijn bed, maar dat hebben we direct afgeschaft. Naast geen hond in de pot wil ik ook geen hond in mijn bed vinden. We dachten eerst dat ze daarom zo onrustig was in de nachten, maar niets bleek minder waar. Daar kwamen we achter nadat een bevriende dierenarts ons adviseerde om een (ongewassen) kledingstuk van Pa in de mand te leggen. Nadat we dat gedaan hadden was direct de onrust weer weg! 

Pa, ze miste je gewoon! 

Dat gaf ons, kersverse hondenbezitters, weer moed over het verdere vervolg. Want ja, we werken allebei dus het vereist wel wat organisatie. Gelukkig heeft dit hondje een goede vooropleiding bij jullie genoten waardoor het eigenlijk allemaal vanzelf ging. De voeding werd wel aangepast, aangezien Pa nog wel eens een stukkie vlees of plakje worst liet vallen. De dierenarts had daar al eens wat over gezegd en ja Pa, je beloofde beterschap, maar telkens zwichtte je weer voor de smeekbedes van Lobke.  

Met die hondenogen van haar.. 

Over de dierenarts gesproken, ze heeft inmiddels ook een reiniging van het gebit ondergaan. Ze moest daarvoor onder narcose en ja, dat was toch even spannend. Spannend, omdat er altijd wat mis kan gaan natuurlijk. En stel dat het mis zou gaan dan waren we het laatst tastbare aan jullie, ook kwijtgeraakt. Gelukkig is alles goed verlopen en kreeg Lobke zelfs een compliment over haar gebit. 

En geen gaatjes! 

Ja, sorry Pa, maar haar oude hondenmand is inmiddels ook vervangen. Die heeft zeven jaar sigarenrook geabsorbeerd en was bruin van de nicotine geworden. Daarentegen heeft ze twee manden teruggekregen: eentje voor beneden en eentje voor in mijn schrijfkamertje, dan kunnen we elkaar in het oog houden. 

Gezellig! 

Het uitlaten heeft inmiddels een dagelijkse structuur gekregen en we hebben er een hoop nieuwe (honden) mensen door leren kennen. Daardoor duurt een blokje om soms wat langer dan gepland maar ach, zo hoor je ook nog eens wat. Ik heb wel jullie dochter zo ver gekregen dat er een andere riem kwam. Het roze (!) tuigje waar zij best wel onder gebukt ging, is nu een licht en eenvoudige riem geworden en omdat ze eigenlijk best wel goed luistert, hoefde de Cesar Millan slip-riem niet aangeschaft te worden. 

Jullie verdienste en het karakter van het hondje natuurlijk! 

Wat ik zelf nooit voor mogelijk gehouden had, is inmiddels waarheid geworden. Als we gaan fietsen mag ze mee. Want jullie dochter heeft een fiets-hondenmand op haar pakjesdrager laten monteren en sindsdien zit ‘het kind’ lekker in dat bakkie, tot grote vreugde van de bazin. Voor mij, of beter gezegd voor mijn stoere image, was dat wel even wennen en daarom fietste ik óf een paar meter voor haar uit óf bleef ik wat meters achter haar hangen. Tot ik haar een keer in het kratje voor op mijn fiets gezet had. 

Toen ik haar naar de trimster moest brengen in Heiligerlee.  

Want daardoor hoefde ik voor dat kleine stukkie niet de auto te nemen. Ze liet het allemaal toe en soms durfde ze zelfs om met haar voorpoten over de rand te gaan hangen, met de neus in de wind en alles in de gaten houdend. En ze bleef ons verrassen. Want in eerste instantie had ik nog gezegd dat als wij op vakantie gaan of een weekendje naar de kinderen in Den Haag, de hond niet met ons mee kon.  

“Dan moest ze maar uit logeren!” zei ik dan stellig. 

Jullie dochter dacht daar duidelijk anders over. Maar ze zei niets, want ze wist dat ik die mening wel weer bij zou stellen als ik eenmaal gewend was aan het leven met een huisdier. En wat zij al voorzien had, gebeurde dus ook. Inmiddels is ze al mee geweest naar Den Haag en naar Terschelling en ik moet hier eerlijk bekennen dat Lobke zich uitermate goed gedragen heeft. 

Je had er geen hond aan! 

En ja, lieve ouders, ik begin steeds meer tegen haar te praten, terwijl ik toch altijd heel duidelijk was over dieren, dat dieren als dieren benaderd én behandeld moeten worden. Maar telkens als ik tegen haar praat, is het net of ik Pa weer hoor praten tegen haar: “Hè Lob, dat gekookte eitje was lekker hè!” of als we weggaan: “Toe maar Lobke, even op huisje passen!” 

Op de een of andere manier ben je daardoor niet bij ons weg, Pa… 

Zij is het laatst tastbare aan jullie beiden. Daarom was ik ook helemaal de weg kwijt toen ze ‘m een keer gesmeerd was tijdens mijn oppasdienst. Ik durfde pas na een half uur tevergeefs zoeken jullie dochter te bellen, nadat ik al contact had gehad met de dierenambulance én huisdier-registratie. Gelukkig kwam het allemaal weer goed, was ze een straat verderop opgevangen door een aardige mevrouw en kwam alles weer op vier pootjes terecht. 

We zijn dus 100 dagen verder (en ongeveer 530 euro armer…) maar het gaat prima met Lobke dus jullie hoeven je geen zorgen te maken. 

Tot zover! 

Hartelijke groet,  

Arjen  

Korte lijntjes graag!

Woensdag mogen we weer. Woensdag is het letterlijk ‘gehaktdag’ als we het chagrijn in ons land moeten geloven.

Het zal mij worst wezen.

Maar ik ga wel stemmen want dat is mijn democratisch recht. Ik heb heel veel geluisterd naar politieke discussies op de radio. Opvallend was de sfeer onderling. Men lijkt toch wat beschaafder met elkaar om te gaan waarmee wij, het volk, dat toch maar weer bereikt hebben. Want een vaak gehoorde reden om je van de politiek af te keren was de manier hoe men probeerde elkaar verbaal de les te lezen.

De maat te nemen.

Of, terwijl iemand aan het woord was, ongeïnteresseerd met de telefoon bezig te zijn in plaats van aandachtig naar de spreker te kijken en te luisteren. En gezien de recente ontwikkelingen, het advies van de politiek om op scholen de telefoons uit de lokalen te verbieden, ga ik ervan uit dat de politici dit voorbeeld ook gaan volgen.

Naïef als ik ben.

Ik denk dat het nu wel een stuk leuker gaat worden op al die scholen. Ten eerste voor de leerlingen, want ze worden niet meer afgeleid en ten tweede voor de leraar want die krijgt nu alle aandacht van het kroost. Mits de leraar wel zijn enthousiasme over kan brengen op de leerlingen. Zulke leraren heb ik ook gehad in het verleden en zij hebben mij een grote indruk op mij achtergelaten. Dat begon met Juffrouw Manna en Juffrouw Tanis op de kleuterschool. Vervolgens kwam ik in de 1e klas bij Juffrouw Bartie die ons de wondere wereld van AAP-NOOT- MIES leerde. Daarna werd het nog leuker door de Meesters Bultje (uit Stad!), De Jong, Tans en Bakker, afgewisseld met lieve Juffen zoals Juffrouw Nel en Juffrouw Irma.

Allemaal Lagere School.

Ik moest daar weer aan denken nadat iemand zijn oude rapport op Facebook gezet had. Hij noemde daarbij een meester en bedankte hem voor de wijze lessen. Naast de cijfers stonden kleine berichtjes geschreven van de leerkrachten: ‘Als je problemen hebt, en ik kan je helpen, wees niet bang en kom gerust.’ Of ‘Ik wens je veel plezier in de toekomst en ik hoop dat je met plezier aan ons terugdenkt.’ Of, zoals het bij ons op het eiland ging, dat je na de Lagere School of na de mavo naar het vaste land moest om verder te kunnen leren: ‘Doe aan de overkant ook goed je best!’

Een goede stimulans voor een goede start!

Door dat berichtje kwamen bij mij ook weer de mooie herinneringen naar boven. En het bewijst maar weer eens hoe belangrijk scholing voor kinderen is, hoe het kinderen kan vormen. Op de mavo kwam ik weer in aanraking met fijne leraren maar helaas ook met mindere Goden. Die leraren konden op de een of andere manier mij niet bereiken waardoor ik zelfs op een gegeven moment met enorme tegenzin naar school ging. Dat zal wellicht ook met mijn leeftijd te maken hebben gehad, dik puberend. Maar toch werd het pas beter nadat ik naar de wal ging voor verdere opleidingen.

Ik ben mij bewust van deze mooie start.

Mooie jaren van toen de wereld voor ons nog te klein was voor grote zorgen. Maar wat geweest is, is geweest. De herinneringen aan die onbezorgde jaren, vooral tijdens de Lagere School jaren, blijf ik graag delen. Zoals bijvoorbeeld de speelkwartieren.

Of aan al die uren dat we buiten speelden:

Voetballen, meiden de jongens, ‘Een, twee, drie.. Wie mag ik een kusje geven’, hardloopwedstrijdjes die Rients op zijn klompen altijd won of aan de Sinterklaastijd, dat er pepernoten uit een gat in het plafond vielen waardoor ik daarna altijd dat gat in de gaten bleef houden. Maar ook de wekelijkse baardgroei meten van Meester de Jong, of zijn verzonnen verhalen die hij ons vertelde op zomerse dagen op de dijk, over de snoek met de zes pootjes. Of aan Meester Bultje die, zodra hij aan de piano ging zitten, helemaal losging in de muziek of alle delen van het bord met een krijtje vol kalkte met aardrijkskundige of geschiedkundige informatie die wij dan weer over moesten schrijven.

Inclusief de achterkanten van het bord.

Of Meester Bakker, de Juffen Irma en Nel die ons meenamen in andere werelden door voor te lezen uit leuke en spannende boeken. Daarom is het zo belangrijk om kinderen zo lang mogelijk kind te laten zijn, want volwassen zijn kunnen ze nog lang genoeg!

Volwassen zijn begint bij je 18e.

En vanaf dat moment ben je ook stemgerechtigd. Dat was eerder nog 21 jaar, kon je nóg langer lekker je jeugd beleven zonder dat je na hoefde te denken over op welke partij je moet gaan stemmen. Maar dat heeft men al bijgesteld. Woensdag mogen we weer stemmen en deze keer valt er echt wat te stemmen, gezien de nieuwe wind die er aan het waaien is. Nieuwe partijen en nieuwe gezichten nemen zoals gebruikelijk ook nieuwe bezems mee. Want nieuwe bezems vegen schoon. Dat zien we ook wel eens terug op de werkvloeren en ja, het resultaat is niet altijd bevredigend.

Persoonlijk vind ik dat er te veel partijen zijn.

En ik erger mij er steeds meer aan die gasten die van de ene naar de andere politieke partij stappen. Of gewoon dan een nieuwe partij beginnen! Zo las ik van de week weer dat Ellen Verkoelen haar lidmaatschap van 50Plus opgezegd heeft en zelf een nieuwe partij begonnen is, Jongere Ouderen Unie (JOU). Nou, daar kunnen we weer wat mee, maar niet heus.

Kieskring Groningen bestaat alleen al uit 24 partijen!

Beste politici: praat met elkaar, luister naar elkaar en kom tot elkaar! Dus niet  zoals van de week bij het SBS6-debat, waar men juist uit was op chaos. Er zijn té grote problemen, los die op en kijk naar overeenkomsten in plaats van de verschillen. Verban de telefoon uit de Kamer(s), wees realistisch wat mogelijk is (!) en creëer, bij wijze van spreken, een kabinet met alle partijen. Dan heb je 150 zetels en kan er eindelijk eens doorgepakt worden.

Liever korte lijntjes dan korte lontjes!

Elke dag geroosterd brood

Mijn lief is weer thuis. Na een lange dag van reizen met bus, vliegtuig, bus en ten slotte de auto, mocht ik haar afgelopen dinsdagavond weer in de armen sluiten. De hond was ook blij, die rende een rondje of vijfendertig door de huiskamer in een nog niet eerder gelopen record.

“Ik ben blij dat ik weer thuis ben!” zei ze.

Spontaan begon ik een liedje van Hans de Booij te zingen, iets aangepast: “Dan weet ik dat ze thuis is, dan weet ik dat ze thuis, thuis is!”

Haar stem had ze echter achtergelaten in het hotel op het Canarische eiland.

Omdat ze daar naast warme dagen ook warme nachten hebben, had ze elke nacht de airco in de slaapkamer aan. Dat bracht verkoeling, maar was een aanslag op haar stem, oren en alle holtes in haar hoofd. Ze sprak nu met overslaande stem, snotterend, hees en piepend in alle toonaarden.

Grappig voor mij, voor haar wat vervelender.

Maar dat is de tol die ze betalen moest voor een weekje naar de zon. “We hebben het heerlijk gehad, de hele week alleen maar niks gedaan. Eten, zonnen, wandelen, eten, lezen, zonnen, in slaap vallen op het strandbedje, zwemmen en allemaal onder het genot van verkoelende drankjes. ´´En elke dag geroosterd brood, heerlijk!” We hebben allebei drie boeken uitgelezen en qua eten leek het wel op de hoorn des overvloed.”

“Oké, voor nu een kopje thee dan maar, met honing?” Vroeg ik, om haar even te laten landen.

De honing smeerde haar keel goed genoeg om weer redelijk bij stem te zijn, ze praatte honderduit over hun belevenissen. Dat was weer even wennen voor mij want ik had net een hele stille week achter de rug gehad, ik zat in een soort retraite. 

In eigen huis.

Het zou voor mij nu makkelijk scoren worden om te zeggen dat wanneer mijn lief thuis is, zei de hele tijd praat en ik alleen maar luister. Dat zijn van die vooroordelen tussen mannen en vrouwen waarmee we elkaar zo graag mee plagen. Maar dan zou ik liegen. Want zij praat heus niet altijd. En als ik eens een opmerking maak als ze flink aan de klets zit, bijvoorbeeld wanneer er een vriendin over de vloer is, krijg ik meestal het volgende antwoord:

“De pot verwijt de ketel!”

En kruip ik weer in mijn schulp (maar niet heus). Ze vertelde verder, over bijvoorbeeld de Engelsen die daar aanwezig waren. Dat ze zo zuipen. En al ver voordat de buffetten geopend werden stonden de meeste hotelgasten al in de rij voor het restaurant. Zodra het geopend werd vlogen ze er als wolven op af (en dat is een belediging voor de wolf dacht ik op dat moment..). Allemaal bang om iets tekort te komen wat gezien de constante aanvoer een illusie was natuurlijk.

Graaien en gulzigheid is een lelijk nadeel van de welvaart waarin we leven.

Het zwembad bij het hotel werd voornamelijk bezocht want dat was het makkelijkst, daar waren ze van alle gemakken voorzien. En vanaf je strandbedje bij het zwembad keek je zo uit over de Atlantische oceaan. De avonden werden beneden in het hotel doorgebracht en kregen ze het nodige entertainment voorgeschoteld.

Entertainment waar deze twee dames niet van onder de indruk raakten.

“Nee, jij had dit allemaal niks aan gevonden.” zei ze. Dat streelt haar, achteraf haar mening bijstellen. Want ze wilde in eerste instantie met mij een weekje weg. Dat werd een stevig doch beschaafd debat, net zoals men momenteel in Den Haag debatteert. Het lijkt erop dat onze politici nu eindelijk in de gaten hebben dat het allemaal wel wat beschaafder kan, dat de meerderheid van het Nederlandse volk klaar is met dat op de man spelen, dat geschreeuw naar elkaar. Want een deel van de bevolking lijkt dit gedrag wel te kopiëren, op de Socials dan wel gewoon in de openbare ruimte.

Schreeuwend hun gelijk op te eisen.

Waardoor je uiteindelijk helemaal alleen komt te staan want tachtig procent van de bevolking vindt dit gedrag zwaar irritant hoorde ik van de week op de radio. Het is respectloos gedrag en daarom is het helemaal niet gek dat men enkele jaren geleden de Week van het Respect hebben bedacht.

Zodat we het respect voor anderen niet verliezen.

“Hebben jullie onderweg nog kunnen eten?” vroeg ik, toen ze even uitgepraat was. Nou, niet echt, ze hadden nog wel kunnen ontbijten maar daarna was het leven op koekjes en water. “En we zaten in dat vliegtuig allemaal dicht op elkaar, vijf uur lang waardoor even wat eten niet echt een optie was.”

Het leuke als je elkaar goed kent, is dat je dan op zo’n moment net de juiste snaar kan raken:

“Zal ik je een pannenkoek bakken?” vroeg ik.

“Ja!” piepte ze, “maar Ar, nee joh, ben je gek. Je gaat nu toch geen pannenkoeken meer bakken?” Even later zat ze lekker te genieten van een versgebakken pannenkoek. Met stroop. Ondertussen vertelde ik van mijn belevenissen die ik meegemaakt had in de week zonder haar.

Eigenlijk had ik niks meegemaakt.

Maar inmiddels heb ik wel de wetenschap dat mijn dame alles wil horen, dus ook als het niks bijzonders was. “Gewerkt, geslapen, hond uitgelaten en boodschappen gedaan op de fiets om jouw vliegreis iets te compenseren. Ik hoefde maar twee keer voor mijzelf te koken en de andere keren kon ik eten op het werk. En afgelopen maandagmiddag heb ik het huis schoongemaakt, van boven naar beneden heb ik gestofzuigd, de was gedaan, de Wc’s schoongemaakt, de was gestreken en opgeruimd, prullenbakken geleegd, gedweild en de badkamer schoongemaakt.”

“En ik heb een cadeautje voor je gekocht!”

“Eigenlijk was dat pas voor je verjaardag, maar gezien je belevenissen van afgelopen week maak ik dit jaar een uitzondering.” Ik liep naar de verstopplaats en overhandigde even later haar het cadeau. “Zie het als een Welkom Thuis cadeau.”

Het was een broodrooster voor 4 sneetjes!

Toen we al enige tijd in bed lagen begon ze ineens weer te praten:

“Oh verheug mij nu al op morgenochtend, op een geroosterd broodje jam!”

Nog even doorbijten

Het viel de eerste dagen nog wel mee maar we zijn nu zes dagen verder en nu kan ik wel zeggen dat het toch raar was. Want mijn lief en ik zijn voor het eerst in vijf jaar ruim een week van elkaar gescheiden.

Van tafel en bed.

Ze is namelijk een weekje naar de zon, met een vriendin. Ze wilde met mij, maar ik ben niet zo van de ‘even een weekje naar de zon’ of ‘even een weekje vitamine D aanvullen’. Naast dat het daar heel warm is, breekt het zweet mij al uit dat ik daar dan een week aan de rand van een zwembad moet liggen of op een strandje met kiezelstenen. Plus de daarbij de vaak aanwezige Engelsen, Duitsers of, voorheen, Russen.

Dat is een vooroordeel, maar heb wel vaak verhalen gehoord die dat vooroordeel bevestigen.

Ze moesten wel vliegen, eigenlijk het enige smetje op dit weekje zonnepret. Maar om dat te compenseren doe ik deze week alles met de fiets, zelfs tijdens de storm Ciarán, en gebruik ik de auto alleen om naar mijn werk te gaan. Maar ze is dus weg. En daardoor is het best stil in huis. Waarschijnlijk zit ik daarom al de hele week met dat liedje van Blöf in mijn hoofd, Liefs uit Londen: ‘Gisteren uit Lissabon, ik mis je en een zoen, vandaag uit Praag een kattebel want er is zoveel te doen.’

En krijg foto’s van blote benen en voeten met roodgelakte nageltjes aan de rand van het zwembad.

Of een filmpje van de hotelkamer, een foto waarop in de verte een paar verdorde bergen (schijnen) te staan en mijn lief die over de rand van het zwembad mij lachend aankijkt. Wel allemaal met veel hartjes en kusmondjes in de App hoor, want ondanks de afstand blijft ze van mij houden.

En ik van haar natuurlijk!

Nu maakt zij ook niet een wereldreis zoals de dame waar de band Blöf over zong, ze zit alleen maar tussen de kanaries op het eiland Fuerteventura. Ik had daar natuurlijk weer eens nooit van gehoord, zo wereldvreemd ben ik en daar ben ik mij ook terdege bewust van. En ik ben ook zeer waarschijnlijk een van de weinigen. Want zodra mensen vragen waar de dames naartoe zijn en ik geef ze antwoord, is er direct herkenning: “Oh ja, Fuerteventura, Canarische Eilanden!” Maar ik lijd er niet onder hoor, ben een gelukkig mens. En ik zie het ook niet als een gebrek aan mijn opvoeding, de vakanties naar Coevorden en de fietstochten naar Schoonebeek om de Jaknikkers te bezichtigen staan mij nog helder voor de geest.

Ik kwam niks tekort.

Maar deze vakantie is haar gegund. Want onze ‘grote vakantie’ afgelopen jaar moesten wij noodgedwongen doorbrengen in eigen huis in plaats van in de caravan op Terschelling. Want haar vader ging met de dag achteruit en omdat zij hem al jaren bijstond in verzorging en andere zaken, kon zij het niet over haar hart verkrijgen drie weken weg te gaan. En ondanks dat Terschelling gewoon bij Nederland hoort, net even te ver weg is als er wat loos zou zijn.

Het leven bestaat uit keuzes maken en dit was er duidelijk één van!

Mij maakte het niet zoveel uit, ik kon nu mooi klusjes doen die eigenlijk al te vaak uitgesteld waren. En ik was eind mei nog op het eiland geweest in verband met het overlijden van mijn moeder, ik had dus mijn vitamine T alweer volop binnengekregen want al met al hebben wij bijna twee weken in het ouderlijk huis mogen verblijven!

Elk nadeel hep zijn voordeel!

We losten het op met fietstochtjes in de buurt of soms iets verder als het met haar vader wat beter ging, of in ieder geval stabiel was. Maar al die omstandigheden trokken een flinke wissel op haar, vooral omdat ze wist dat het einde naderde, het boek bijna uit is en dat er dan geen ouders meer zijn. Dan rest haar enkel nog om terug te bladeren en de hoofdstukken te lezen toen haar ouders nog leefden. Dat wanneer ze ergens mee zat even bij hen terecht kon. Of dat ze belangrijke gebeurtenissen in haar persoonlijke leven kon delen met hun, of bespreken, want het is altijd fijn om bij moeilijke keuzes advies te vragen aan je ouders. En dat ze dingen gaat missen, ook de dingen waar ze zich dood aan kon ergeren, want ouders hebben nu eenmaal ook hun tekortkomingen.

Dat even terug naar de basis gaan, dat heeft elk mens nodig.

Ook voor mij hoor, maar ik bevind mij in de uitermate luxe positie dat ik mijn vader nog heb, een man die nog midden in het leven staat en ook oog heeft voor het gemis van zijn schoondochter. En de hond van mijn schoonvader die nu bij ons woont, zo blijft er voor mijn lief toch nog iets tastbaars van haar ouders. Daarom is het fijn dat ze nu toch even kan genieten van een welverdiende vakantie, toevallig net in de week dat haar ouders 60 jaar getrouwd zouden zijn en haar moeder 80 jaar geworden zou zijn.

Helaas kunnen we dit alleen maar herdenken.

Een week van tafel en bed gescheiden na vijf jaar, ach, het kan minder. Want er zijn genoeg communicatie mogelijkheden zoals face-timen of Appen. Ik hoor of lees de hele week al woorden zoals ‘Heerlijk!’ – ‘Ik kom echt tot rust.’ – ‘Genieten!’ – ‘Zalig!’ – ‘Dit was inderdaad niks voor jou geweest.’

Of ‘Red jij je wel?’ 

Nou, daar kan ik kort over zijn want ik ben een grote jongen. Ik red mij wel. Maandag heb ik vrij en vlieg ik even door het huis zodat alles weer spic en span is als zij thuiskomt. Of beter gezegd, zoals zij het achtergelaten heeft. En dan ga ik braaf op de bank zitten, zet voor ons beiden een Crompouce klaar en het koffieapparaat op stand-by.

De hond mag op schoot.

Nog even doorbijten.

Want even tussen ons gezegd en geschreven, ik begon al te praten met de hond!

 

Wolken van genot

Nu de actie om te stoppen met roken, Stoptober bijna achter ons ligt, vraag ik mij af of de rokers onder ons daadwerkelijk de peuken aan de wilgen hebben gehangen. Niet om met een vinger te wijzen hoor, maar meer omdat ik weet hoe moeilijk het is om te stoppen. Van een roker weet ik dat ze gestopt is, een collega waarvoor ik dan ook via deze weg een diepe buiging maak! Want waar sommige mensen zich druk maken om een corona- of HPV-prikje, je sigaretje is dodelijker!

Ik ben veertig jaar verslaafd geweest.

En naast een shagje rollen hield ik ook van de Rolling Stones. Rokend genoot ik extra van de Stones, dan voelde ik mij extra stoer. Ik was ooit met twee vrienden in een Duitse discotheek beland waar ze van alles draaide en waar iedereen van op de dansvloer ging, maar waar ik kromme tenen van kreeg. Ik ben toen een paar keer naar die DJ gelopen met het verzoek om iets van de Stones te draaien. Tot mijn eigen verbazing bleef die plaat uit. Verbazing omdat die Duutsers destijds (ik vermoed nog steeds) qua muziek altijd flink achter de feiten aanliepen. Met andere woorden, dat zou dan mijn kans vergroten want de Stones waren al een tijdje aan de weg aan het timmeren.

We spreken over begin jaren 80.

Toen eindelijk de eerste klanken van de Stones uit de boxen klonken, liep de vloer leeg en stond ik daar met mijzelf te dansen. Of iets wat op dansen leek want ritme heb ik niet geërfd van mijn ouders, het gelach van mijn matties bevestigde dat maar weer. Liever aan de bar dan op de dansvloer was mijn motto. Behalve bij nummers van de Stones dus. Bewegende heupjes onder het genot van enkele peukies.

Dat kon toen nog.

Destijds had je ook geen rookkanon nodig, want dat rookgordijn creëerden we zelf wel. Er werd toen net zoveel gerookt als er gedronken werd. Mooie tijden, maar wel tijden die achter ons liggen en de rook is inmiddels al om vele hoofden verdwenen. De Rolling Stones zijn ook op tijd gestopt met roken, want ondanks de gemiddelde leeftijd van 73 jaar, hebben ze van de week opnieuw een album gelanceerd, ‘Hackney Diamonds.’

En wederom tijdloos sterk!

Nu ben ik niet in de rij gaan staan voor dit meesterwerk op vinyl zoals veel leeftijdgenoten en liefhebbers wel gedaan hebben. Ik ben namelijk een van de weinigen van mijn leeftijd die géén platenspeler in huis heeft. Terwijl ik al die mannen snap hoor, muziek op vinyl is het mooist maar ja, ben er nog niet aan toegekomen en moet eerlijk zijn, ik ben niet zo’n doorpakker. Telkens als ik er weer eens aan dacht om een platenspeler aan te schaffen kwam er wel iets urgenter voor in de plaats, zoals bijvoorbeeld een grote beurt voor de auto of dat de whiskyvoorraad weer aangevuld moest worden. Dat noemen ze ook wel prioriteiten stellen. En mocht iemand denken dat mijn vrouw het niet wil, want zoiets moet natuurlijk wel passen in het interieur gezien de vormgeving en de kleur, zij gaf mij groen licht mits het vinyl telkens keurig opgeborgen gaat worden.

Eigenlijk allemaal groene vinkjes.

Maar het is er nog steeds niet van gekomen, ook omdat ik sinds een paar jaar muziek ben gaan streamen. Zat ik in een jong verleden nog vol in muziek via de radio, met name geënthousiasmeerd door legendarische DJś zoals Rob Stenders, Leo Blokhuis of door de wat jongere generatie Wouter van der Goes, Frank van ‘t Hof of Bart Arens, tegenwoordig luister ik via een bekende streamingdienst want dat scheelt een enorme berg gelul én reclameblokken. Maar zo nu en dan zet ik de radio weer even aan, want dit zijn allemaal mannen die ook nieuwe muziek weten te vinden en dat vaak laten horen, op het juiste moment.

En daarmee raken ze bij mij heel vaak de juiste snaar.

Maar de hapklare brokken of fastfood via die handige streamings- App geven mij ook veel luisterplezier. Zoals van de week toen het nieuwe album van de Stones er ook al op te beluisteren was. Inmiddels heb ik het album al een keer of vier afgespeeld en wederom ben ik enthousiast over de kwaliteit van wat deze opa’s gemaakt hebben. Deze keer dus geluisterd zonder te roken, dat had ik destijds als roker nooit gedacht. Net zoals schrijven zonder shaggie, dat leek mij onmogelijk. Maar het ritueel van het roken, het kopen van een pakje shag, het draaien van een shaggie en de geur kan ik nog steeds op sommige momenten missen.

Zo verslavend is die rommel geweest.

En dan fiets ik langs een school en zie ik jongens en meisjes staan te paffen en heb ik de neiging om te stoppen en aan te spreken: “Mag ik even mee-ruiken? Oh, wat mis ik dit!” Dan verwacht ik dat ze antwoorden met een vraag: “Bent u gestopt dan?”

“Ja al vijf jaar!” antwoord ik dan trots. “En hoe oud was u toen u ging roken?” zou dan wel eens de volgende vraag kunnen worden. “Rond mijn 14e, heb ongeveer 40 jaar gerookt. Dat zegt jullie waarschijnlijk niks, maar als ik het om zou zetten naar geld dan schat ik dat op ongeveer vijfenveertig duizend euro!”

Ik ben toch maar doorgereden.

Want het lijkt mij meer een taak voor de ouders om hun kroost te waarschuwen, mits ze zelf niet roken natuurlijk. Want het blijft verslavende troep, links of rechtsom. Zelfs na al vijf jaar gestopt te zijn heb ik nog wel eens zo’n opwelling: ‘Ja, nu effe een lekker shaggie!’ Het is zelfs zó erg dat ik samen met mijn vriend Tinus, 41 jaar geleden al gestopt, zit te mijmeren over roken, hoe lekker dat toch was. Dan beginnen de ogen van Tinus te glinsteren, verschijnt er een brede glimlach op zijn gezicht, doet hij net of hij rookt en wordt dan zelfs poëtisch:

‘Wolken van genot, gieren door mijn strot’

Gelukkig bewijzen de Stones dat je ook zonder drank en drugs je nog prima Rock-’n -Roll kan voelen!

Druk maken om kleine dingen, wat een weelde!

Paniek, ik voelde echt paniek. En dat werd alleen maar erger toen ik dacht aan de gevolgen, maar ook aan de ontberingen die ik, wij, zouden moeten doorstaan. Het zou echt afhangen hoe de hulptroepen ons hierin zouden kunnen helpen, hoe sneller ze in zouden grijpen hoe beter.  

Onze koelkast had het namelijk vorige week donderdag begeven. 

En ja, dan raak ik in paniek. Ook nog eens vlak voor het weekend, de dagen dat er wel eens wat extra’s in ligt. Waarom ik zo in paniek raakte, weet ik niet want de wereld staat in brand, het ene probleem lijkt nog groter dan het andere probleem, de crises stapelen zich op en opnieuw is er een oorlog uitgebroken omdat men denkt met geweld conflicten op te lossen. Waarmee maar weer bewezen is dat er heel veel domme mensen op deze wereld rondlopen én dat we meer aandacht én geld moeten besteden aan de geestelijke gezondheid van de mens. Om zo erger te voorkomen in de toekomst en ja, ik weet het, dat is een naïeve gedachte. Maar voor mij nog steeds een handvat om met beide handen vast te pakken.  

Want zo hou ik de beide benen op de grond. 

De geestelijke gezondheid wordt aan alle kanten getart. Ten eerste door de verschrikkelijke beelden die ons op allerlei manieren voorgeschoteld worden. Ten tweede door alleen al het idee dat mannen, vrouwen en kinderen midden in al die geweldsgebieden moeten leven en op moeten groeien en daar weer getraumatiseerd van worden. En ten derde doordat sneue, extreme types duivelse en gruwelijke praktijken erop nahouden. 

Op die plekken zou men moeten demonstreren met een omgekeerde vlag! 

Dat ik in paniek raak van een kapotte koelkast is, als je kijkt naar al dat leed in de wereld, een reden voor mij om me dood te schamen. Ik weet het. Maar misschien gebruik ik mijn eigen ‘leed’ wel als schild tegen de grote boze buitenwereld. Ook sluit ik mij af van die grote boze buitenwereld door bijvoorbeeld meer naar ‘leuke’ programma’s op de televisie te kijken dan naar het Journaal of actualiteitenrubrieken. Want ik hoef dat geweld niet te zien, alleen al door het lezen wat erover geschreven wordt kan ik mij, helaas, daar al een voorstelling van maken. Een voorstelling waarin dood en verderf over de beide landen raast, verwoestend en niets ontziend krijgen mensen ellende over zich heen waar ze echt niet om gevraagd hebben. Daar heb ik geen bewegende beelden voor nodig. Want eigenlijk weet niemand een oplossing voor dit enorme, al jaren en jaren voortslepende conflict. En al helemaal niet waar dat extreme geweld toch vandaan komt, dat is van ieders gezicht te lezen wanneer het ter sprake komt.  

Zelfs God, van welke stroming dan ook, zwijgt in alle talen… 

Die had, willen we de geschriften geloven, toch echt andere plannen met ons. Hoe zeggen ze dat ook alweer? Oh ja, van een koude kermis thuiskomen.  

Kou. Dat had ik juist nodig maar de koelkast had het begeven. Mijn vrouw bleef er opmerkelijk rustig onder: “Joh, maak je niet druk, dan zetten we het gewoon allemaal onder de overkapping, koel zat. Het is oktober he!” Zuchtend nam ik deze woorden tot mij, zuchtend omdat ze gewoon niet gelijk had. Want het is dan misschien wel oktober, maar de koelte was dat weekend nog ver te zoeken, de mussen vallen nog net niet van het dak. En daarbij opgeteld de zorgen van wat gaat het kosten.  

Ik ben toch zeker Sinterklaas niet! 

Maar zij bleef er opvallend rustig onder, ze was allang blij dat haar föhn het weer deed want de aardlekschakelaar had donderdagmorgen om 7 uur zijn werk erbij neergelegd. Gelukkig kon ik hem toen weer inschakelen en hadden we weer stroom. Helaas vloog de schakelaar er die middag opnieuw uit en bleef dat halsstarrig doen, net zolang wij erachter gekomen waren wie de veroorzaker was van al dit leed. 

De koelkast dus. 

Nu de dader bekend was moest er een list verzonnen worden. Ik ging de volgende morgen direct naar de plaatselijke koelkast winkel. Daar kwam deze koelkast niet vandaan hoor, nee, die kwam van zo’n mega keukenboer die mega goedkoop is en achteraf mega slechte kwaliteit afleverde. Het paneel op de deur van de koelkast gaf al eerder problemen want die was te zwaar, vooral omdat deze (grote) koelkast maar twee scharnieren heeft en waardoor de deur niet meer goed kon sluiten. Voorheen hadden koelkasten van deze maat minimaal drie scharnieren, maar de aandeelhouders wilden meer geld en toen werd besloten om er maar twee in te verwerken. 

Dat scheelde weer in de kosten. 

Tijdens de garantieperiode van vijf jaar hebben ze drie keer een monteur moeten sturen om de deur weer wat rechter te hangen. Maar nu was de garantietermijn voorbij en moest het anders. Ik vertelde het ongemak aan de medewerker van de plaatselijke koelkastwinkel en die beloofde mij dat die middag een monteur mij zou bellen. Dat gebeurde ook en maandag kon hij langskomen. Ondertussen hadden we het geluk een tafelmodelletje te regelen, zodat we in het weekend er toch lekker koel bij konden zitten. 

Daarmee nam mijn paniek wat af. 

Maandagmiddag kwam de monteur en even later lag hij op de grond om zo onder de koelkast te kijken. Al gauw zag hij de (zeer waarschijnlijke) oorzaak: er lag water naast het stopcontact. “Dat wordt een omleiding!” zei hij, waarna we het koelkastsnoer koppelden met die van het gasfornuis. 

De aardlekschakelaar bleef omhoog staan! 

En dat voor maar 65 euro in plaats van een nieuwe koelkast voor minimaal 1200 euro! Ik voelde nu alle paniek van mij afglijden en genoot er zelfs een beetje van. Wel met een kanttekening. Want toen mijn vrouw die vrijdagavond van haar werk kwam, vertelde ze dat ze er zoveel lol om hadden gehad op het werk. Lol om mijn paniek welke ze deelde met haar collega’s. Ze had alles verteld, over mijn paniekerige telefoontjes die ik over dit onderwerp met haar gevoerd had.  

Inclusief mijn paniekerige stem imiterend: “Of ze wel begreep hoe erg dit was!”  

Oh, oh, wat een lol… 

Maar wat leven wij toch in weelde! 

 

Trouwtjes en rouwtjes, goed voor de verbinding

Trouwtjes en rouwtjes zijn meestal de reden dat familie- of vrienden banden weer aangetrokken worden. Of juist niet, maar daar ga ik het nu even niet over hebben. Want de ervaringen die wij het afgelopen jaar hebben mogen ondervinden hebben namelijk het tegenovergestelde laten zien.  

Ervaringen die bij ons veel (positieve) emoties hebben losgemaakt. 

Zo heb ik de anderhalve week rondom het overlijden van mijn moeder als zeer bijzonder ervaren. Hoe we als kinderen en met mijn vader onze moeder een mooi en respectvol afscheid hebben kunnen geven. Maar ook hoe de gemeenschap op het eiland hiermee omging, dat voelde aan als een hele warme, zachte deken. Want voor mij kwamen alle emoties toen dubbel binnen omdat ik heel veel mensen zag uit het verleden, mensen die in de loop der jaren uit mijn gezichtsveld verdwenen waren, of waar ik nog wel herkenning in zag, maar waarvan de naam vervaagd was. Mensen die jaar in jaar uit hebben samengeleefd met mijn moedertje, méér met haar samengeleefd hebben omdat ikzelf ooit besloten had om aan het vaste land te gaan wonen en werken.   

Uit het oog maar gelukkig niet uit het hart. 

En de telefoon was geduldig en herinner mij vele gesprekken met haar waar wij beiden altijd erg blij van werden. Maar de verhalen die er gemaakt zijn met mijn moeder kwamen allemaal in die anderhalve week bijeen, verteld door lieve mensen die met haar geleefd hebben. Hoe goedlachs ze was. Hoe fanatiek ze was met sporten. Hoe ze hield van grappen en grollen. Hoe ze mensen kon motiveren. Hoe ze een steun kon zijn voor veel mensen.  

Maar bovenal hoe zij en mijn vader elkaar liefhadden! 

Hoe vaak heb ik ze niet horen zeggen: “Liefde is geven en nemen maar dan wel meer geven dan nemen!” Of de bescheidenheid over hun geluk, dat hun veel ongeluk bespaard gebleven is: “Wat zijn we toch gelukkig maar waar hebben we het aan verdiend!”  

Ik kan nog steeds met veel genoegen terugdenken aan hoe die twee met elkaar omgingen. 

Hoe ze in het leven stonden. En ik prijs mij gelukkig dit nog te kunnen delen met mijn vader, vooral nu hij zo moet wennen aan het nieuwe hoofdstuk in zijn leven, het hoofdstuk zonder zijn geliefde vrouw aan zijn zijde. Net als wij, hun kinderen moeten wennen. En moet mijn vrouw weer wennen aan het gemis van haar onlangs overleden vader. Met het overlijden van haar vader kwam er een einde aan jaren van zorg geven, zorg die ze had overgenomen van haar moeder die zeven jaar geleden plotseling kwam te overlijden.  

Er hoeft ineens zoveel niet meer. 

Na jarenlang wel zoveel gedaan te hebben. Zoals toen haar vader nog zelfstandig woonde, even langsgaan na haar werk. Even controleren of hij zijn medicatie wel genomen had, even met hem doornemen wat hij wilde eten van ‘Tafeltje Dekje’ voor de komende week, even zijn bed verschonen of nog even de boodschappen voor hem doen. 

“Mijn sigaartjes zijn op..”, en daar ging ze alweer. 

Hij vond het altijd fijn als ze er was. Op vrijdag schonk hij dan zelfs een borreltje voor haar in en praatten ze over de dagelijkse dingen of wat er op de televisie te zien was, zijn wereld werd namelijk steeds kleiner. Op een gegeven moment kwam hij bij ons in de kost. Dan kookte ik voor drie en zette zij zijn bord de volgende ochtend op de tuintafel, vooral de dingen die hij lekker vond. Na een paar dagen nam ze dan de borden weer mee en hoorde je haar al van verre aankomen doordat het porselein in haar fietsmand tekeerging. Tussen al dit ‘even’ door begeleidde ze hem ook nog tijdens alle afspraken in de ziekenhuizen waar hij óf onder het mes moest óf voor controle terug moest komen.  

Bewonderingswaardig was hoe hij zijn kruis droeg. 

Toch moest hij op een gegeven moment zijn zelfstandigheid inleveren voor een plek in het verpleeghuis. Dat gaf mijn vrouw wat lucht want hij werd daar als een koning verzorgd door vele lieve medewerkers. Maar de zorg om haar vaders zorgen bleef natuurlijk en maakte de band met haar vader nog intenser. Want hij wist dat het einde in zicht was en gaf daarom al zijn zorgen in haar handen: “Zeg dat maar tegen mijn dochter, zij regelt alles.”  

Het gevecht met de angst voor het doodgaan moest hij zelf leveren. 

Daar kon hij slecht mee omgaan. Dat kwam ook omdat hij een man was die moeilijk zijn gevoelens delen kon, dat hadden ze hem nooit geleerd. Ze hadden hem wel geleerd dat een man stoer moest zijn. En hard moest werken, want dan heb je ook geen tijd om je gevoelens te tonen.  

Gelukkig laten we tegenwoordig die gedachtegang steeds meer los. 

Toch stierf hij in alle rust en wij konden hem een eervol afscheid geven, fantastisch geholpen door de (nog jonge, maar zeer professionele) uitvaartondernemer, tijdens de voorbereidingen maar ook tijdens de afwikkelingen daarna.  

Dat maakte het rouwen een stuk draaglijker. 

Op de rouwdienst waren veel vrienden én familieleden afgekomen en zoals ik dit stukje al begon, werden vele banden weer aangetrokken. Ook hier zagen we weer veel mensen uit het verleden die niet om de hoek wonen, maar die wel veel gemeenschappelijke herinneringen meedroegen. Vooral voor mijn vrouw dan natuurlijk want ik heb 30 jaar van haar leven moeten missen.  

Die tijd zijn we nu weer aan het inhalen. 

Een week later kregen wij een uitnodiging vanuit de wat ‘vergeten familie’ om elders in het land bij elkaar te komen, om de banden weer aan te trekken. Wij zijn daarop ingegaan en het werd een gezellige middag. Het familielid dat dit organiseerde verraste ons met een video van een familiefeest uit 2002. We werden daardoor terug in de tijd geworpen en dat was best wel confronterend, vooral voor mijn vrouw. Want we zagen haar ouders, springlevend, lachend, pratend, dansend, vrolijk en vooral genietend. 

En nog ver weg van het idee dat elk leven eindig is… 

Gelukkig maar. 

 

Herfstperikelen

We zitten weer in de herfst van dit jaar en dat is voor mij de 59ste versie. Ik wil hier wel bekennen dat ik het een sleur begin te vinden. Elk jaar is het weer hetzelfde liedje, kan ik eigenlijk wel dromen wat er komen gaat. Regen, wind, regen en wind en in oktober veel zonneschijn, paddenstoelen en verkleurende bladeren die uiteindelijk weer losgelaten worden door hun dragers.

Hét teken voor de bladblazers onder ons dat het seizoen weer is begonnen.

De echt fanatieke blazers zijn al eerder begonnen, als een soort warming-up blazen ze de fietspaden schoon van ..eh.. nou ja, van zand, stof en oh ja, een blaadje dat te vroeg van de boom gevallen was of een ‘per ongeluk’ op de grond gevallen wietzakje. Dat vroege geblaas heeft mij na een nachtdienst gedraaid te hebben al een paar keer mijn dagrust gekost, dat ontzettend irritante geluid gaat dwars door mijn oordoppen heen.

Zodra de eerste blaadjes vallen is het helemaal gedaan met de uitslapers.

Want een beetje bladblazer doet het zo vroeg mogelijk. Waarom? Omdat elk blaadje, groot of klein, de bladblazer triggert. Dat blad moet zo snel mogelijk geëlimineerd worden. Waarom? Omdat er anders de volgende dag nóg meer liggen! En dat geeft onrust onder de bladblazers, die woelen de hele nacht en stappen, zodra het eerste daglicht zich gemeld heeft, uit bed.

En beginnen zonder te ontbijten direct met blazen!

Elk jaar een wederkerend tafereel welke mij steeds intenser doet verlangen naar de tijd van vóór de bladblazer, toen men nog met bezem of bladhark werkte. En als je dan even moe was of er kwam iemand langs die een praatje wilde maken, dan leunde het zo lekker op de stok van de bezem of bladhark.

Maar ja, tijden veranderen en de mens creëerde een monster.

Wat voor mij ook bijdraagt aan de sleur van dit jaargetijde is dat de dagen korter worden en de nachten langer. Elk jaar weer. Nooit zal een nieuwe dag eens denken: ‘Doe eens gek, vandaag blijf ik langer licht!’ Nee, hij kijkt wel uit want dan krijgt hij op zijn falie van de andere dagen! Of misschien wel van het seizoen zelf! Maar de dagen worden korter en ik weet dat de liefhebbers van dit deel van het jaar het liefkozend ‘de Donkere Dagen voor Kerst’ noemen. Ik ben geen liefhebber van de aanloop naar dat donkere, althans, ik kijk er niet naar uit.

Mijn vrouw wel.

Zij is in staat om op haar verjaardag in december of tijdens de kerstdagen, het zonnescherm naar beneden te doen als het buiten te zonnig is! Want anders is het ongezellig en licht maakt ze dan zelf door kaarsjes te branden. Nu lijkt het alsof ze dat alleen doet wanneer de dagen korter worden, maar niets is minder waar, bij ons branden de kaarsjes elke dag. Voorheen werden daar waxinelichtjes voor gebruikt (zakken vol gingen er doorheen) maar tegenwoordig gebruikt ze van die nepkaarsen, die branden op batterijen.

Met afstandsbediening of met behulp van een tijdklok!

Veel minder duurzaam en de bak met lege batterijen stapelen zich op, maar ja, net als bij de bladblazers dient het gemak de mens en dat gaat ver. Heel ver. Ze heeft nu ook een soort van bol in de kamer staan, zo’n bol met een lange tuit die er net zo uitziet als die figuurtjes in de animatieserie, de Snorkels. Dat ding spuugt elke avond tussen zeven en acht uur een goedje uit welke de kookluchtjes verdrijven moet. En daar vind ik dan weer wat van, net zoals ik elk jaar weer begin te zeuren over de bladblazers.

Want wat is er mis met mijn kookluchtjes?

Wat is er mis met, bijvoorbeeld, een pannetje verse rodekool die al de hele middag op een pruttelpitje staat te pruttelen, waarna het hele huis ruikt naar laurierblaadjes, jeneverbesjes, vastgepinde kruidnageltjes aan een uitje, appel, rodewijnazijn, aardbeienjam, kaneel en een klontje roomboter? Moet dat weer verdreven worden door een gemanipuleerd en gefabriceerd luchtje?

Zo zonde van zo’n heerlijk herfstgerechtje dat ons huis altijd zo lekker doet geuren.

Het blijft raar dat we elk jaar weer zo ijverig worden als de bladeren van de bomen vallen. Want je haalt iets weg wat Moeder Natuur bedacht heeft, namelijk bemesting van Moeder Aarde. Maar het is ook leuk om als kind over de door bladeren geplaveide straten of weggetjes te struinen, lekker sloffend en schoppend zodat het blad je om de oren vliegt. Daarnaast is er nog een belanghebbende, namelijk de egel. Die zoeken juist al die hopen met bladeren op om zich erin te nestelen als het kouder gaat worden, om te overwinteren.

Om vervolgens weer lekker uitgerust te gaan Lentenen.

Ik ben ‘s avonds tijdens het uitlaten van de hond al een paar egeltjes tegengekomen die paniekerig zoekende waren naar die paar blaadjes die eerder op de dag écht gevallen waren, maar inmiddels alweer weggeblazen waren door hun onnatuurlijke vijand: de bladblazer! Toen ik aan ze vroeg wat ze daar nu van vonden, kreeg ik een nogal overprikkeld en stekelig antwoord: “Nou, wat denk je nou zelf? Het lijstje met de actuele verkiezingsprogramma’s?”

Ja, ook egeltjes hebben tegenwoordig korte lontjes.

Ik riep nog iets van dat stemmen op de Partij voor de Dieren misschien wel een optie was, maar eigenlijk wist ik wel beter: die gaat vast stemmen op een populistische partij. Zo gaat dat tegenwoordig. Gelukkig zijn er nog wel hoeken en gaten waar de bladeren zich nog een beetje ongemoeid hun functie kunnen uitoefenen, namelijk huisvesting geven aan de egels, maar ook aan die paar insecten die we nog hebben.

De regenwormen maken het dan weer af.

En dan begint alles weer van voor af aan. Ook voor mij. Zodra het voorjaar zich weer openbaart, de dagen weer lengen en de bomen weer vergroenen met vers blad, werp ik mijn gezeur over al het voorgaande weer af. En ik weet heus wel dat die bladblazers handig zijn en tijd besparen in onze drukke levens.

Maar tijd heb je niet, tijd maak je. Want voordat je het weet is het alweer herfst!

Alleen is maar alleen? Ja, soms wel!

Dat de groep alleenstaanden groeiende is, valt niet te vatten in een paar krantenartikelen of duizend woorden, de ruimte die ik altijd mag gebruiken voor mijn stukkies. Daarom schrijf ik nóg een keer over dit onderwerp, want het gaat absoluut niet om een minderheid. Sterker nog, men schat dat rond 2050 de helft van de bevolking alleenstaande is, de andere helft heeft dan wel een relatie. Ik gok dat we tegen die tijd twintig miljoen inwoners tellen in dit land waarvan dus tien miljoen mensen single is. 

Bewust of onbewust alleenstaand, ervoor gekozen of door omstandigheden overkomen. 

En ja, de media spelen er gevat op in, dan wel met een eigen bedacht programma of gewoon lekker ordinair gejat. Het begon al ergens eind vorige eeuw met ‘Op goed geluk!’ Als ik aan dat programma denk, hoor ik nog steeds die krijsende stem van Mien Dobbelsteen (Carrie Tefsen) uit de televisie schallen wanneer de gematchte kandidaten elkaar te zien kregen: “Op goed geluk!” Inmiddels zijn er al tientallen programma’s over de liefde gemaakt plus daarbij nog opgeteld de talrijke dating Apps. 

En nog steeds is het aantal alleenstaanden groeiende. 

Vorige week kreeg ik een reactie van een ex-collega van mij, een jongedame van 27 jaar en ‘niet bewust’ single. Zij voelt zich wel eens ‘vergeten’ door haar vrienden en kennissen die wel allemaal een relatie hebben.  

Ze schreef mij een heel epistel, ook een teken dat het haar hoog zat:  

-Doordat al die stelletjes elkaar hebben delen ze minder met hun alleenstaande vriend(in). Ik vind dat ook logisch hoor, maar het geeft mij ook wel een pijnlijk gevoel, alsof je er niet bij hoort. Als je als single thuiskomt van je werk heb je niemand om even je verhaal te vertellen, heb je niemand waar je even je ei aan kwijt kan. En dan denk je misschien, bel dan even naar je broer of zus, of je ouders, maar dat is lang niet hetzelfde want met je vrienden praat je net even anders. Maar die vrienden zitten in een relatie en weten niet altijd hoe het is om alleenstaande te zijn. Dat je thuiskomt in een donker huis, met tegenzin gaat koken of door het chagrijn daardoor maar een kant-en-klare maaltijd in de magnetron gooit. 

Die ik dan in mijn eentje moet opeten. 

Of in je eentje piekeren over die slechte dag op het werk, ik blijf dat lastig vinden. En ik denk ook dat veel alleenstaanden tegen dezelfde problemen oplopen, dat er veel eenzaamheid heerst.- 

Voorgaande zette mij aan het denken. 

Want wij hadden ook een single in de vriendenkring, de vriendin van mijn vrouw. Wij gingen veel met haar om, vooral de weekenden als ze niet de zorg had van de kinderen. We aten samen, maakten fiets- of wandeltochten met elkaar of streamden series. Ook met de feestdagen werd ze niet vergeten, het was eigenlijk vanzelfsprekend dat ze dan ook van de partij was. Ik moet er wel bij zeggen dat het ons heel makkelijk afging, want ze was een leuke, gezellige en vrolijke meid.  

En nog steeds! 

Ik vond het wel prettig want als deze twee dames bij elkaar waren dan kletsten ze zó de avond vol waardoor ik mooi mijn handen vrij had om mijn eigen ding te doen. Alleen Studio Sport kijken met haar in de buurt was voor mij altijd een slijtageslag! Dan ging ze irritante vragen stellen, het liefst als Ajax moest spelen. Gelukkig won Ajax (toen nog) veel. Oh ja, wat ook handig was aan zo’n derde wiel aan de wagen was het verzinnen over wat we gingen eten die avond. Dan wisten wij het even niet en dan appte mijn vrouw even naar haar vriendin en kwam die met een verlossend antwoord.  

We noemden haar soms wel eens ‘onze dochter’, zo zat ze in ons leven.  

Inmiddels heeft ze weer de liefde gevonden en loopt ze glunderend rond, de liefde straalt ervan af en wij genieten daar enorm van. De gunfactor is wel degelijk aanwezig en wij kunnen ons prima vermaken met ons tweetjes.  

Zelfs wanneer ik naar Studio Sport kijk. 

Een goede reden om alleenstaand te blijven is dat de ogenschijnlijke schijn van vrolijke stelletjes flink kan bedriegen. Dat er genoeg relaties zijn die naar buiten toe mooi weer spelen, maar misschien wel doodongelukkig zijn en daardoor een tikkeltje jaloers naar al die singles kijken.  

Over alles is wel wat te zeggen. 

Ik kreeg ook een reactie van een dame die, toen ze nog single was, vaak te horen kreeg: -“Maar jij bent toch een leuke meid? Waarom heb je dan geen relatie?” Alsof je dan gewoon met de eerste de beste vrijgezel maar direct een relatie moet beginnen, met andere woorden omdat je leuk bent hoef je niet alleen te leven. Dikke onzin natuurlijk. Uiteindelijk stond hij ineens voor mijn neus en zijn we alweer vele jaren gelukkig samen!”-  

Maar het feit blijft dat de groep alleenstaanden toch blijft groeien. 

En daarbij ontstaan weer allerlei nieuwe, maatschappelijk problemen. Zoals bijvoorbeeld de woningnood. Dat ligt niet alleen aan het tekort aan huizen maar ook door alle maatschappelijke veranderingen. Zoals de groeiende groep mensen die al dan niet bewust- of onbewuste singles zijn of worden. Of al die scheidingen onder ouderen, al jaren getrouwd (en tóch alleen) en dan op een gegeven moment zeggen dat ze er klaar mee zijn en alleen verder willen in hun leven. 

‘Hier is je ring…wat moet ik met dat klere ding! (R. Long, Kalverliefde) 

Al die mensen moeten ook weer ergens wonen waardoor de vraag naar huisvesting alleen maar blijft stijgen. Gelukkig zijn er altijd weer die creatievelingen die daarop handig inspelen, zoals bijvoorbeeld het produceren van tiny houses. Daardoor wordt de keuze weer reuze. 

Mits je op die paar vierkante meters wil wonen natuurlijk.  

Mensen hebben liefde nodig. Ook de bewust- of onbewuste alleenstaande, die gescheiden oudere of, laten we die vooral niet vergeten, al die alleenstaande ouderen in de bejaardenhuizen.  

De definitie van liefde is de bindende kracht, dus we mogen best wat meer rekening houden met elkaar! 

 

Alleen is ook maar alleen?

Het is eigenlijk wel bijzonder dat nu we in een tijd leven dat steeds meer mensen kiezen voor een single bestaan, je over de datingsprogramma’s struikelt op de televisie. Het aantal singles blijft, maar stijgen en momenteel spreken we over 3 miljoen alleenstaanden en rond 2050 schat men dat de helft van onze bevolking single is.  

Dat maakt de kans groter dat we nog lang niet van die datingprogramma’s af zijn! 

Grappig is om te lezen dat het in de jaren 70 al werd ingezet en dus nog steeds actueel en groeiende is. Dan zou je verwachten dat alle niet-singles er inmiddels ook aan gewend zijn, waardoor loslopende singles lekker zichzelf kunnen blijven, zonder de bekende vragen of vooroordelen te hoeven beantwoorden of aan te horen: 

“Ben je nog steeds alleen?” “Ben je dan niet eenzaam?” “Oh, wat ongezellig zeg, dat lijkt mij nou helemaal niks!” “Mis je niet die arm om je heen?” “Alleen eten? Oh dan kook je zeker nooit?” 

Ik heb ze ook gesteld hoor, ben geen haar beter. Maar ik heb ik mijn mening daarin al enige tijd geleden bijgesteld, want de maatschappij is continu in beweging en aan veranderingen onderhevig. Want wie ben ik om anderen hun single-zijn te veroordelen? Het zal vast ook wel te maken hebben met dat we steeds individualistischer worden, ieder voor zich en God voor ons allen.  

Daar zit dan wel weer een negatief randje aan, vooral aan de ikjes met de grote bek. Best sneu hoor want die types zetten zichzelf daarmee buitenspel.  

#diedoenietmeermee 

Maar gelukkig doet het overgrote deel van de singles nog wel mee, zijn ze misschien juist meer actiever dan ‘stelletjes’ omdat ze alles al zelf moeten doen. En ze hebben naast hun ‘eenzame’ leven meestal een prima sociaal leven en staan daardoor met beide benen op de grond. Ik kijk er niet jaloers naar, integendeel. Want ik heb genoeg eenzame momenten in mijn leven gehad en kan het gevoel daarbij nog steeds helder terughalen, ik vond het nooit fijn. Ja, één dag of wellicht twee dagen, maar meer ook niet. Daar kwam ik achter na mijn scheiding, toen ik alleen in een flatje kwam te zitten. Ik heb toen toch een paar keer flink mijn hoofd gestoten aan de muren van eenzaamheid die op mij afkwamen. Terwijl er wel een relatie was alleen zat zij 270 km verderop, in Groningen. Gelukkig was er de techniek, Skype, die ons nog enigszins wat gezelligheid bracht en wat leven in de brouwerij kon geven.  

En werken was een mooie afleiding. 

Zo nu en dan kwamen de kinderen wel langs hoor, meestal met eten. Maar daarna waren die ook zo weer weg, voor belangrijker zaken zoals voetbaltraining of gewoon chillen met vrienden. Dat hoort ook zo, dat is het lot van een (gescheiden) ouder met kinderen in de puberteit. Ik kon daar wel mee dealen, maar leuk was het niet.  

En het zette mij aan het denken. 

Want scheidingen zijn natuurlijk ook de oorzaak dat er steeds meer mensen alleen wonen. En soms zo lang alleen blijven dat ze eraan gaan wennen en dan minder snel een nieuwe partner toelaten. Want iedereen heeft zijn eigen gewoontes waardoor er geen plaats meer is voor eventuele nieuwe ‘gewoontes’, zoals de bril niet omlaag doen, te weinig óf te veel praten, snurken of kwijlen of dagenlang in dezelfde onderbroek lopen. 

Voorgaande is puur fantasie van mij hoor, ik praat niet uit ervaring! 

Maar ik ben wel iemand die helemaal zen is in de relatie, die dus liever niet te lang alleen is. Dat zijn wij wel eens, maar dat komt doordat ik onregelmatige werktijden heb, dan leven we een beetje langs elkaar heen. Maar zo hou je het ook weer spannend én heb je elkaar ook wat te vertellen bij het avondeten. Na het avondeten raak ik haar altijd wel weer even kwijt want ik ga dan voor de TV zitten om langs mijn favoriete datingprogramma’s te zappen.  

Lang Leve de Liefde en First Dates. 

Daar heeft zij helemaal niks mee en dat vindt ze best lastig want ‘iedereen heeft het erover.’  Dat is ook bijzonder, want we leven niet meer in het tijdperk dat je maar drie Tv-zenders had, toen haast iedereen naar dezelfde programma’s keek. Deze datingprogramma’s lijken dat wel te lukken, want inderdaad, ‘iedereen heeft het erover. Zo bespreek ik regelmatig met mijn vader de stand van zaken in ‘Lang Leve de Liefde’ of we halen een bijzonder persoon aan in First Dates. Hij keek ook naar die B&B serie van afgelopen zomer, maar dat vond ik helemaal niks: 

Te veel ge-zweef, te veel gênant gedrag en geen leuke mensen. 

Wat de aantrekkingskracht is? Ik vind het leuk als er een echte klik is. En ik denk dat het echt is, dat het niet gescript is. Maar soms twijfel ik. Dan zie ik bijvoorbeeld een jongen die in LLDL gaat koken. Hij pakt een schaar en knipt de kipfilet in stukken. Of die oudere vrouw die vraagt aan haar date of de plastic verpakking van de afbakbroodjes af moet of dat het zo de over in gaat. Of die gozer die de afbakbroodjes op het elektrisch fornuis wil afbakken… 

Dat lijkt mij genoeg redenen om de echtheid in twijfel te trekken, toch?  

Of is dit het gevolg dat we onze kinderen zó opvoeden dat ze helemaal afhankelijk zijn geworden van Fastfood en bezorgdiensten en geen idee hebben hoe ze zelf iets moeten bereiden? Je eigen potje koken scheelt echt een hoop geld hoor.  

Vooral in deze dure tijden.  

Soms vraag ik mij ook af waarom sommige mannen of vrouwen zich opgeven voor die dating programma’s. Want die komen dan binnen en bouwen direct een paar muren om zich heen: want ja, ik doe wel mee maar heb absoluut geen trek in jou! Maar dat zou wel eens gecast kunnen zijn door de programmamakers, met list & bedrog het volk bij de neus nemen hebben ze bij de televisie al genoeg ervaring.  

Een bevestiging voor veel alleenstaanden om lekker alleen te blijven!

 

Iemand die nog nooit van mening is veranderd, heeft nog nooit iets bijgeleerd

Binnenkort gaan we weer even naar onze kleindochter in Den Haag en dat is altijd een feestje. Als getrainde opa en oma zijn we nu al aan het nadenken of we nog iets leuks gaan doen met de kleine meid. Attracties genoeg daar én er komen steeds nieuwe bij heb ik begrepen.  

Zoals bijvoorbeeld demonstreren op de A12 (Utrechtsebaan) met je kind. 

Want deze weg is tegenwoordig dé plek om te demonstreren in plaats van het er naast gelegen Malieveld, een enorm veld met een rijke geschiedenis aan demonstraties. Zodra je plannen hebt om te gaan demonstreren vraag je daar een vergunning voor aan en legt de betreffende ambtenaar (ook gewoon een mens die net zoveel zorgen heeft als jij en ik) nog even de spelregels uit.  

Waarom dan toch dwarsliggen op de A12 en daarmee al het in- en uitgaand verkeer ontwrichten? 

Voelen deze mensen, inclusief de BN’ers, zich verheven boven alle andere demonstranten?  Oké, men wil een punt maken en wat mij betreft, gaat het ook om een hele belangrijke zaak, de klimaatcrisis. Want dat is een groot zorgenkind. 

Zelfs de net opgestapte Weerman Gerrit Hiemstra maakt zich ernstige zorgen! 

En als Gerrit zich zorgen maakt dan ga ik daar toch wel een beetje in mee. Want ja, Gerrit was voor mij eigenlijk altijd de brave oom van brave Peter Kuipers Munneke, die ons, als Annechien klaar was met haar elegante parade door al het wereldnieuws, ging vertellen of we wel of geen mooi weer krijgen in het weekend.  

Maar Gerrit maakt zich ernstig zorgen! 

En ik geloof hem. Want de wereld lijkt momenteel wel in de fik te staan of te overstromen. We vestigen het ene hitterecord naar het andere en steeds vaker passeren we de 50° C, dat is bijna de kerntemperatuur die je nodig hebt voor een medium-rare gebakken biefstuk! Of er valt ineens zoveel water dat we ineens een zwembad in de kelder hebben. Of nog erger, in de woonkamer! Laatst sprak ik een gast van in de 50 die twee surfplanken had aangeschaft. Nou, iedereen om hen heen lag in een deuk want we zagen hem echt niet zo gauw op zo’n plank staan, laat staan surfend. 

Ik schat nu in dat hij uiteindelijk het laatst lacht als we niks blijven doen.. 

En we hebben niet alleen in ons land last van al die veranderingen hè, overal ter wereld is het chaos wat het klimaat betreft. Neem recentelijk de hagelstenen zo groot als tennisballen in Italië, de bosbranden in Griekenland en van de week weer de overstromingen in Libië.    

En Zuid-Limburg! 

Dus ik geloof Gerrit. Ik ben om, heb mijn mening hierover bij moeten stellen en probeer steeds duurzamer door het leven te gaan. Want ik leer bij, ben niet zoals Gerrit onlangs in een gegeven interview met het AD nog benoemde: ‘Iemand die nog nooit van mening is veranderd, heeft nog nooit iets bijgeleerd.’ En wij mensen zijn de oorzaak, naar iets anders wijzen is je kop in het zand steken. Nu is dat ‘duurzaam doen’ niet altijd even makkelijk en dat werd bevestigd door een zogenaamde voetafdruktest die ik maakte op de website van het Wereld Natuurfonds.  

Mijn score was een 3.0. 

Het gemiddelde in Nederland is 3.3, een wereldburger scoort 1.6 en een Keniaan 0.6. De ‘winnaar’ van deze test was te raden, de Amerikaan met een voetafdruk van 4.8.  

Tot zover de cijfers. 

Toen we het onze kleindochter telefonisch voorstelden om mee te demonstreren was ze direct enthousiast. Vooral omdat ze achter de demonstranten staat: “Want het is ook mijn toekomst!” En terecht maakt dit vroegrijpe mensje zich zorgen. Daarna vroeg ze of we ook onze hond mee gingen nemen. 

Want dan kon ze daar lekker een paar dagen mee gaan praten. 

Voorgaande kan natuurlijk niet, praten met een hond of als 3-jarig meisje een mening hebben over grote mensen zorgen. Kinderen onder de 12 moeten gewoon lekker kind blijven want kind zijn doe je in principe maar één keer in je leven. Of je moet ziek worden en dan eindig je kinds, in de luiers en totaal afhankelijk van de mensen om je heen.  

Nee, dat wens ik dus niemand toe.  

Wij laten haar lekker kind zijn want dat is zo ontzettend belangrijk. Zorgen maken kan ze haar hele leven nog. En als ze later volwassen is mag ze van mij elke dag gaan demonstreren, zolang het maar niet drammen wordt. Want drammen is opdringen, zelfs Rob Jetten is zich daarvan doordrongen. Natuurlijk valt dat weer onder het kopje verkiezingsretoriek, maar daar is het ook de tijd voor.  

Dat blijft toch elke keer weer een wonderlijk verschijnsel. 

Maar we zijn behoorlijk aan het doorslaan om ons gelijk te krijgen, ieder praat voor eigen parochie, maar niemand luistert meer naar elkaar. “Ik demonstreer omdat ik mijn kinderen ook een mooie toekomst gun.” Je kan ook zeggen: “Ik demonstreer, omdat ik alle mensen op deze aardbol een mooie toekomst gun.”  

Dat klinkt een stuk minder egoïstisch. 

Ik hoop oprecht dat alle kleindochters en kleinzonen op deze wereld een mooie toekomst krijgen. Maar laat ze spelen, met poppen of autootjes. En geloof me, deze auto’s zijn ontzettend duurzaam want ze worden nog met de hand aangedreven en het geluid wordt gemaakt door hard te blazen met de tong tussen de lippen. 

Er komt geen druppel fossiele gesubsidieerde brandstof aan te pas. 

En tegen de tijd dat ze volwassen is zijn de meeste auto’s allang schoon want de techniek raast voort, wereldwijd zijn allerlei Willy Wortels daarmee bezig. Maar we kunnen zelf al wat doen, door bijvoorbeeld onze welvaart niet vanzelfsprekend te vinden, maar om daar wat meer bescheiden in te zijn. Wat meer nadenken als we echt om onze kinderen en kleinkinderen geven.  

Consuminderen noemen ze dat. En demonstreer zonder je kind want die wil je immers beschermen: 

‘Niemand laat zijn kind alleen, je bouwt het liefst een muurtje om haar heen. 

Je wilt zo graag haar jeugd bewaren en haar veel verdriet besparen!’  

En zo is het! 

Generatie X overdenkingen

Als ‘bijna zestiger’, begin volgend jaar ben ik aan de beurt, denk ik steeds vaker na over de zin én onzin van het leven. Vooral omdat je als bijna zestiger al aardig wat meegemaakt hebt. Die wetenschap geeft je rust en dat geeft weer zuurstof om na te denken over het een en ander.

Met een frisse kijk.

Als ‘bijna zestiger’ weet je ook dat je in de leeftijdsgroep zit die een generatie zal gaan verliezen. Daar zijn mijn vrouw en ik dit jaar achter gekomen na het verlies van mijn moeder in mei en mijn schoonvader in augustus. Een normaal verschijnsel, want nadat je op deze wereld bent gezet heb je een zekerheid: dat je die wereld ook weer zult verlaten. Maar dat is de gewone ‘procedure’, helaas wordt daar nog wel eens van afgeweken en gaan mensen veel te vroeg.

Tot groot verdriet van de achterblijvers.

Als ‘bijna zestiger’ moet je wel oppassen dat je niet gaat verzuren. Want je gaat richting de pensioenleeftijd en dan wil nog wel eens moeizaam gaan, dat zijn de bekende loodjes. En dan heb je nog de collega ‘bijna zestigers’, die al begonnen zijn met het verzuring-proces. Uitzonderingen op de regel hoor, ik ken ook een aantal die nog steeds met plezier in het leven rondlopen en dat ook uitstralen naar de omgeving. Mijn leeftijd zal ook de reden zijn dat ik steeds vaker post krijg van de pensioenfondsen waarin ze mij enkele updates willen geven. Deze post gaat meestal ongelezen de papiercontainer in en daarbij weten we inmiddels dat de spelregels steeds gewijzigd worden. En het leidt mij af, af van minimaal nog acht arbeidsjaren die nog voor mij liggen, er moeten nog heel wat wekkers gezet worden.

Daar ga ik vooralsnog van uit.

Als ‘bijna zestiger’ denk je wel eens de jongere generaties te ontgroeien. Dat klopt deels. Als ik bijvoorbeeld zie hoe de jeugd tussen de 20 en 30 jaar hun levens invullen schiet ik al gauw in de modus ‘dat deden wij anders op die leeftijd.’ Bijvoorbeeld de werkdagen die ze maken. Toen ik zo jong was werkte ik gewoon de dagen die mijn bazen voor mij ingevuld hadden, discussies werden daar eigenlijk nooit over gevoerd. Dat was eigenlijk net zo non-discussie als wat ik ging verdienen. Dat laatste zag ik wel aan het einde van de maand op mijn loonstrookje. Maar tegenwoordig beginnen ze met te onderhandelen (voor zover dat kan) over het salaris en daarna beginnen ze over het invullen van de werkweek. Dat is nog een hele toer want er zijn in dit land nogal wat mogelijkheden waar je als jonge werknemer recht op hebt. Bijvoorbeeld ouderschapsverlof. Of ‘Papadag’. Dan mag de papa een dag in de week bezig zijn met het kind en heeft de andere partner een dagje vrij of gaat aan het werk. Dan is papa een dagje verantwoordelijk voor het kroost. Bij mij rijst dan weer de vraag:

Ben je dan de rest van de week géén papa?

Als ‘bijna zestiger’ begeef ik mij nu op glad ijs want dit grapje heeft toch wel een hoge zuurwaarde. Daarom mijn oprechte excuses want ik wil niet die tere zieltjes op hun nummer zetten, puur omdat ik dit soort zaken nooit durfde te bespreken met mijn bazen. En ik vergeet het tegenwoordig standaard is dat beide partners in een relatie (met of zonder kinderen) werken. Als vrouw heb je ook meer rechten dan dat ene recht waar sommige ‘mannen’ nog steeds op kicken.

Lastig voor al die moederskindjes, maar leer er maar mee omgaan.

Als ‘bijna zestiger’ word je gelukkig wel wijzer en weet je dat werken voor beide partners goed is voor de balans. Dan heb je tenminste allebei wat te vertellen bij het avondeten. Want tijden veranderen nu eenmaal, kijk maar naar de tijden die achter ons liggen. En neem de huidige generatie kinderen, hoe bijdehand die tegenwoordig kunnen zijn. Ik werd daar van de week weer mee geconfronteerd toen ik de hond aan het uitlaten was. Er kwam een jochie van rond de 10 jaar (schatting, zal er wel flink naast zitten) naar mij toe gefietst, op een BMX en met een brede smile op zijn gezicht.

“Hoi. Wat is dat voor hondje?”

Als ‘bijna zestiger’ heb ik de ervaring tegen kinderen dan iets geks zeggen. Om het ijs te breken: “Dit is een hond op vier poten, met neus, twee ogen, een bek en een staart. Een heel bijzonder merk!” Het ijs hoefde niet gebroken te worden want dit jonkje was de verlegenheid al lang voorbij, zo bleek in het verdere gesprek. Hij lachte en bleef mij vragend aankijken. “Euh..oké..eehh…iets met kruising tussen Jujitsi en een Maltezer?” zei ik, het mijzelf ondertussen kwalijk nemend dat ik dat eigenlijk gewoon weten moest. “Oh, u bedoelt een kruising tussen een Shih Tzu en een Maltezer, een Boomertje is dat.”

Dankjewel jonge geest, dat je deze oudere geest nog wat leren kan.

Als ‘bijna zestiger’ besloot ik maar even de tijd te nemen voor deze gezellige wijsneus. “Dat is een mooie BMX. Er is hier in Winschoten een BMX-baan, wist je dat?” Nee, dat wist hij niet en bedankte mij voor de tip. “Ik kan al sturen met mijn voeten en ben nu aan het oefenen om op het zadel te gaan staan. “Oké, gaaf man, maar woon je hier dan niet?” vroeg ik. “Jawel, sinds vandaag, in dat huis. Met mijn vader en zus. Hij wees naar een huis verderop. “Maar ik woon meer bij mijn moeder want mijn ouders zijn gescheiden en mijn vader is business man.” Hij trok er een quasi serieus gezicht bij.

Het gesprek duurde ruim 20 minuten en zelfs buurman Gerrit die met zijn hond voorbijliep, genoot van de openheid van deze jongeman. “Nou Robbie, welkom in de wijk, jij zal het hier vast leuk gaan vinden en je kent Gerrit en mij nu. Kom maar eens langs!”

“Ja, is goed, voor een bakkie koffie of zo.” Kregen we als antwoord…

Als ‘bijna zestiger’ kwam ik even later weer thuis, fris van geest en vol energie!

 

Bewegen, zo slecht nog niet

Onze nieuwe huisgenote, het 9 jaar oude hondje Lobke, weet niet wat haar overkomt. Ze wordt nu 3 à 4 keer per dag uitgelaten sinds ze bij ons woont, terwijl dat de laatste jaren 2 keer per dag was. Dat kwam omdat haar baas, mijn schoonvader, het zelf niet meer kon vanwege zijn steeds minder wordende gezondheid.

Sinds zijn sterven woont ze bij ons en passen we het uitlaten weer aan.

Want ook al is het een klein hondje, overal even haar geur achterlaten is nu eenmaal een hondendingetje. Voor ons is het wel even wennen, ondanks dat we in het verleden allebei een hondje gehad hebben. Dat was toen de kinderen nog klein waren want dan ben je toch al aan huis én structuur gebonden waardoor er ook nog wel een hond bij kan. En een boom, anders klopt het spreekwoord niet:

Huisje, Boompje, Beestje.

Naar mijn idee kan dit spreekwoord aangepast worden, namelijk: Huisje, Boompje, Beestje, Gesprekje. Want zodra je de hond (en jezelf) uitlaat is er altijd wel iemand die een gesprekje begint. Meestal is dat dan een lotgenoot en zo nu en dan een wandelende, hondloze passant. Dat is best even wennen. Vooral omdat het in mijn geval mensen zijn die hier al jaren in de wijk wonen, maar waarmee ik voorheen eigenlijk geen contact had. Ja, gewoon groeten in het voorbijgaan, maar meer was het ook niet.

Of er een wereld voor je opengaat!

Een hond kan dus een verbindende factor zijn voor ons mensen. Dat had ik al de laatste jaren ervaren, want doordat wij, de kinderen van mijn schoonvader, zijn hondje dagelijks uit moesten laten vanwege eerdergenoemde redenen, kreeg hij ook dagelijks de kinderen op bezoek. Met andere woorden, zie het als de Gouden Tip, neem een hond als je als je op leeftijd bent of als je in het verpleeghuis of bejaardenhuis terechtkomt. En vraag dan de kinderen deze uit te laten! Slim hé!

Dat zou een hoop eenzaamheid schelen!

Haal dan wel een hond uit het asiel want daar zitten nog heel veel slachtoffers van de corona jaren, honden die aangeschaft werden omdat er even niks meer mocht. Nadat we weer terug konden naar het normaal (wat eigenlijk helemaal niet zo normaal was) waren veel honden ineens weer overbodig en belandden zij in het asiel.

Om te janken zo wreed!

Ik noem dat weglopen voor je verantwoordelijkheid en vind het ronduit asociaal. Daar zouden ze de Dierenpolitie op af moeten sturen. Daarom ben ik ook voorstander van een Bewijs van Bekwaamheid om een hond te nemen, inclusief de belofte het dier goed te verzorgen.

Tot de dood hen scheidt.

En waarom zou je je hond niet goed verzorgen? Want je krijgt er zoveel voor terug. Zoals trouw, want elke keer als het dier je ziet, zul je enthousiast begroet worden. En wat te denken van de verbindende factor zoals ik hierboven al noemde.

Je krijgt er een hoop vrienden bij!

Maar het is ook goed voor je lijf en je leden. Want een hond is geen doe-het-zelver als het op uitlaten aankomt. Tuurlijk, je kan gewoon de achterdeur openzetten en dan doen ze hun ding wel, maar ze kunnen natuurlijk niet het poepzakje openen, hun poot erin wringen om vervolgens hun eigen uitwerpselen daarmee op te pakken.

Laat staan om er een goede knoop in te leggen!

Dus wij mensen moeten dat zelf doen. En geloof me, ook dat kun je omzetten in je eigen voordeel. Want je komt namelijk in beweging, je zult je eigen krachten moeten gebruiken om met de hond te gaan lopen. En bewegen is goed in een wereld waar zitten al het nieuwe roken genoemd wordt. Ik weet hier alles van, heb de laatste jaren té veel op mijn kont gezeten en te weinig bewogen.

Tot de stappenteller op de markt kwam!

Dat ding motiveerde mij om uit de stoel te stappen en te gaan bewegen. Tienduizend stappen per dag gaf min of meer de garantie op een gezond lichaam volgens de bijsluiter, uiteraard in combinatie met goed eten. Dat moest te doen zijn want wandelen en eten koken deden we al graag en er was ook altijd al veel aanbod van mooie, georganiseerde wandeltochten. Zoals de Fjoertoer op Terschelling, de Schutrups tocht in de omgeving van Exloo, de Brandaris wandeltochten op Terschelling, de wandeltochten van de Dwingelderveld heide, de Tocht om de Noord of de WandelRun hier in Winschoten.

Deze laatste moeten wij dit jaar helaas overslaan vanwege een bruiloft.

Maar volgend jaar doen we zeker weer mee want dit evenement brengt al 47 jaar veel gezelligheid met zich mee. We dachten dus altijd goed bezig te zijn en zelf probeerde ik ook anderen ervan te overtuigen dat wandelen dé manier is om je lichamelijk in goede conditie te houden. Tienduizend stappen per dag, een kleine anderhalf uur lopen en om en nabij 450 calorieën lichter!

Dan mag je gerust nog wel een frikandelletje erbij eten.

Het hoeft niet in één keer gelopen te worden hoor, je mag er de hele dag over doen. Ik zat er dus lekker in, tot ik van de week een krantenbericht las waardoor ik er even flink klaar mee was. In dat artikel stond dat niet 10000 maar 7126 (hóe komen ze op aantal??) stappen per dag al genoeg zijn!

Ontluisterend!

En waarom die verlaging van stappen? In deze tijd waarin de helft van de volwassenen obesitas heeft, ga je dus vertellen dat het bewegen wel wat minder kan. En dan heb ik het nog niet eens over de jongeren die ermee kampen.

Ontluisterend!

Want ik ben al zes jaar gestopt met roken, pak zoveel als mogelijk de fiets, heb serieuze wandelschoenen aangeschaft, heb regelmatig een pedicure aan mijn voeten hangen, heb een slim horloge aangeschaft om al die prestaties bij te kunnen houden én mij te motiveren als ik te lang zit om weer even in beweging te komen én ik probeer iedereen om mij heen te motiveren om die tienduizend stappen te halen!

Nou, die lachen mij nu uit.

Als een boer met kiespijn!

De Reis

Hij ging even een stukje wandelen in zijn pauze om zo de voor hem vreemde omgeving wat beter te leren kennen. Ergens ter hoogte van het Oosthoflaantje kwam hij twee meiden tegen die zijn aandacht trok. Dat was wederzijds. Want we hebben het hier over begin jaren 60 en zo vaak liepen hier niet van die knappe, stoere kerels van 20 jaar uit Drenthe.

Ze raakten in gesprek.

De jongen vroeg of ze die avond met hem meewilden naar de film, dat leek hem wel gezellig. Hij werkte verderop bij de Strokartonfabriek, als dragline machinist, en zat in de kost bij Bakker Stel aan het Winschoterdiep. Het ene meisje zei dat ze die avond al afgesproken had in de Connie Bar in Winschoten. Maar daar ging de jongen niet op in want hij had juist meer aandacht voor dat andere meisje.

Maar die hield haar mond!

Die avond vroeg de nog onervaren jongen advies aan Bakker Stel. Een goede zet, want de bakker wist te vertellen dat dit meisje elke vrijdag de bus naar Assen nam. “Als jij nou een halte eerder instapt, dan ziet ze je vanzelf zitten en misschien komt ze dan wel bij je zitten!” De jongen voegde de daad bij het woord en de eerstvolgende vrijdag stapte hij een halte eerder in, samen met al die vlinders in zijn buik die hem behoorlijk nerveus maakten. De bus stopte weer en hij ging er eens goed voor zitten. Ze zag hem zitten!

Letterlijk!

Want op de een of andere manier was zij ook aan die jongen blijven denken waardoor ze direct naast hem ging zitten. Het werd een super gezellige rit en eenmaal op het station in Assen gaven ze ook elkaar een eerste kus. Dat was voor de jongen een bevestiging om nu door te pakken en hij herwon zijn zelfvertrouwen en maakte een afspraak voor de volgende dag. Het werd een cafetaria want het meisje was niet zo van een bar zoals haar vriendin dat wel graag deed.

Na twee jaar verkering besloten ze te trouwen, hij 22 en zij 19 jaar.

De kans dat je als dragline machinist op vele plekken op deze wereld ingezet kon worden was groot. Het was over het algemeen een zwervend bestaan. Omdat zij graag dicht bij hem wilde blijven, besloten ze om samen een salonwagen te kopen die bij elke andere werkplek neergezet kon worden als thuisbasis voor dit jonge stel.

Een jaar later kregen ze een prachtige dochter.

Met zijn drietjes reisden ze van de ene werkplek naar de andere, maar toen er opnieuw gezinsuitbreiding aan zat te komen, vestigde het jonge gezin zich in Hoogezand en werd de ‘pipowagen’ een mooie herinnering om over te vertellen tijdens verjaardagen. Het gezin werd uitgebreid met nog een dochter en een zoon en nu verhuisden ze naar Scheemda waar mooie eengezinswoningen werden gebouwd.

Vader bleef voor zijn werk rondzwerven.

Overal in het land en soms ver daarbuiten. In de weekenden kwam hij dan naar huis, waar zijn mooie gezin met smart op hem zat te wachten. Naast het huis in Scheemda werd Terschelling hun tweede huis, dat begon al in de Voorjaarsvakantie en dat eindigde in de Herfstvakantie. De eerste jaren nog in een tent en later in een stacaravan op Camping Cupido, de camping die haar naam eer aan deed.

Toen hij met pensioen kon gingen ze er samen op uit, eerst met caravan en later met de camper.

Ze genoten en waren allebei gek op zon, zee en strand waardoor ze op een gegeven moment 9 maanden per jaar in Spanje zaten. De zomermaanden verbleven ze dan in Nederland om weer te kunnen genieten van kinderen, kleinkinderen, familieleden en vrienden.

Zeven jaar geleden kwam zij, veel te vroeg, te overlijden.

Hij bleef achter met het hondje, het hondje welke zijn geliefde twee jaar daarvoor nog als pup in huis had gehaald en de naam Lobke kreeg. Dit werd nu zijn maatje. Hij nam haar overal mee heen, zelfs nog twee keer mee naar Spanje waar hij misschien wel op zoek ging naar iets wat nooit meer terug zou komen.

Zijn gezondheid begon hem parten te spelen.

Van een onafhankelijke, sterke en stoere man werd hij nu afhankelijk van zijn oudste dochter. Samen met haar ging hij van het ene naar het andere ziekenhuis en kreeg hij de ene na de andere operatie te verwerken. Toch bleef hij positief, droeg zijn kruis op een bewonderingswaardige manier en riep ondanks de pijn en ongemakken telkens  weer:

“Morgen spring ik weer over een hekkie!”

Maar uiteindelijk moest hij toch gaan toegeven en belandde hij in Het Vondelhuys in Winschoten. Op de vraag tijdens het intakegesprek of hij wel voor zijn hondje  zorgen kon, kwam zijn bravoure weer om de hoek kijken en riep hij volmondig “Jazeker, dat kan ik!”

Zijn kinderen wisten wel beter.

Het verzorgen kon hij wel maar het uitlaten ging al niet meer. Dit was het moment dat zij beslisten om dan die taak van dat uitlaten over te nemen. Er werd een groepApp geopend en ruim anderhalf jaar werd Lobke s’ morgens en s’ avonds door de kinderen of kleinkinderen uitgelaten, haalde zijn oudste dochter de wekelijkse boodschappen en deed ze zijn was, inclusief het strijkwerk want hij hield ervan er netjes bij te lopen.

Ondertussen werd al snel duidelijk dat deze laatste verhuizing een goede keus was geweest.

Want dankzij de uitermate goede en liefdevolle verzorging van het zeer betrokken personeel, kreeg hij weer wat structuur en knapte zelfs wat op. Helaas niet genoeg, want door het voortwoekerende virus werd de kwaliteit van leven steeds minder werd en tartte dat de grenzen van waardigheid.

Maar zijn duim bleef maar omhoog gaan, begeleid door een brede glimlach.

Voorgaande woorden vertellen in een notendop het leven van de ouders van mijn lieve vrouw. Vorige week is haar vader in het bijzijn van enkele geliefden in alle rust gestorven en hebben we middels een eervolle dienst, afscheid van hem kunnen nemen.

We sloten zijn In Memoriam af met woorden van hoop:

“Nu mag je rusten, de bus pakken voor een hele lange reis. Misschien zit mama ook wel weer in die bus en zijn jullie nu weer samen, net als toen in de bus naar Assen.”

(Lobke woont nu bij ons)

 

 

Romeo’s & Julia’s

“Al zet ik de tas met lege flessen voor de deur, hij stapt er zo overheen en loopt naar buiten!” zei een van de dames tijdens het ontbijten. De andere vier dames, waaronder mijn vrouw, sloegen hier direct op aan: “Ooooh, zo herkenbaar!”  

Als enige man aan tafel realiseerde ik mij mijn (zwakke) positie.  

Want ik had hier niet te maken met zogenaamde ‘tradwives’, vrouwen die weer terug willen in hun rol als traditionele vrouw: het gezin perfect verzorgen, er zelf perfect uitzien en de man op zijn wenken bedienen. Nee, integendeel, dit waren moderne vrouwen die zich niet de kaas van het brood laten eten. Daarom was het ook geen verrassing. Want wanneer je als enige man 24 uur met vijf dames moet optrekken, is de kans groot dat dit soort praat besproken zal worden. En met dit soort ‘praat’ bedoel ik de materie hoe mannen anders over bepaalde zaken denken dan vrouwen en vice versa. De man waar het deze keer over ging, kon zich niet verdedigen want hij was er niet bij. Ik moest hier wel op reageren. 

Als wapenbroeder zeg maar. 

Dit speelde zich vorig weekend af toen ik op stap was met mijn vrouw en vier ex-collega’s uit Den Haag. Ik heb met die Haagse dames enkele jaren geleden in de personeelsvereniging gezeten van mijn toenmalige werkgever en nu hadden we als een soort van reünie afgesproken in het Gelderse Winterswijk, vanwege een evenement in de steengroeve. 

De theatervoorstelling Romeo & Julia. 

De link tussen die personeelsvereniging en Winterswijk is dat een van de regisseurs van dit evenement, Jasper, woonachtig is in Winterswijk. Maar hij stond ons ook bij in Den Haag, met verhaallijnen die onze Sinterklaasvieringen opleukten. Een prima reden om hier gezamenlijk naar toe te gaan en om te genieten van Shakespeare op 40 meter diepte.  

Dat laatste gaf een extra dimensie aan het geheel.  

Het werd een fijn weerzien en we hebben genoten van de voorstelling, geheel in stijl zoals we dat van Jasper gewend zijn: veel humor, spektakel, dans, zang, drama en zelfs een Whatsappende Romeo en Julia. Het betekende wel dat ik met vijf vrouwen opgescheept zat want de mannen hadden verstek laten gaan. Op zich geen probleem zolang je niet in de gebruikelijke discussie vervalt, zoals hierboven beschreven. Want Julia’s denken altijd net even anders dan de Romeo’s. Niet dat dit een groot probleem is, hoor, integendeel, het houdt de boel in evenwicht. 

En de liefde natuurlijk, welke onlosmakelijk deze twee historische figuren altijd verbonden heeft. 

“Nou, als je het bij de deur zet kan je het net zo goed direct weggooien toch?” was mijn verdedigingstactiek. Maar terwijl ik dat zei, wist ik al dat ze het er niet mee eens zouden zijn. Ik moest nu putten uit eigen ervaringen, anders werd het wel een heel zwaar ontbijt. “En dan effe wat anders. Wij hebben een koffiemachine die uit zichzelf gaat spoelen na gebruik. We hebben daarom twee kannetjes er standaard onderstaan, zodat de lekbak niet steeds vol loopt.” 

Ik keek nu indringend mijn vrouw aan en vervolgens weer naar haar bondgenoten. 

“Elke keer als zij koffie gepakt heeft, moet ik het kannetje weer terugzetten! Dus ja, waar hebben we het over? De een doet dit, de ander doet dat, tussen Romeo en Julia is altijd wel wat!” Ik zag nu in de vijf paar ogen die op mij gericht waren dat zij zich aan het hergroeperen waren om dan alsnog de genadeklap uit te delen. Als dit Tradwives waren geweest dan had deze hele conversatie natuurlijk nooit plaatsgevonden, dan hadden ze gedwee de tafel afgeruimd, de afwas gedaan en mij nog een kopje koffie gebracht.  

Om jeuk van te krijgen! 

Nee, dit is veel leuker, vrouwen die van zich af bijten en toch hele leuke vrouwen blijven. Het levert altijd mooie mannenpraat op als ik weer even onder de mannen ben. Datzelfde geldt natuurlijk omgekeerd ook, dat de dames lekker onder elkaar aan het klagen zijn over hun partners. Ze dachten dat natuurlijk ook deze dag aan de ontbijttafel te kunnen doen, maar hadden mij kennelijk over het hoofd gezien. Of dachten ze misschien een gelijkwaardige partner in mij te zien, omdat ik misschien binnen hun tolerantiegrenzen opereerde?  

We hebben het niet voor niets zo lang volgehouden in de personeelsvereniging. 

Vrouwlief begon met haar weerwoord op mijn beschuldigingen. Dat ze het niet altijd vergeet maar soms.  En dat ze s ’morgens, als ze naar werk gaat, wel eens oud papier op het aanrecht bij de achterdeur legt en wanneer ze dan aan het einde van de dag thuiskomt, de zooi er nog ligt! 

“Dat is dus niet waar!” riep ik. 

“Ze vergeet het niet soms maar altijd en dat ik het oud papier vergeet, is op een hand te tellen. Want dan ben ik bezig met eten koken en weet ik dat er nog genoeg plastic, papier en gft-afval bij zal komen en dan breng ik dat in één keer weg!” 

“Praktisch! Mannen zijn praktisch!” 

Vrouwlief begon moest lachen. “Praktisch is om crème voor je voeten in een klein potje te doen, zodat het tijdens reisjes niet te veel plaats in de toilettas neemt!” Ze keek nu de dames aan: “Op zijn eigen verzoek had ik een van mijn lege potjes voor hem gevuld met zijn voetencrème. Maar op een gegeven moment kwam ik erachter dat mijn potje met gezichtscrème wel erg snel ging. En wat bleek? Hij smeerde mijn gezichtscrème ter waarde van 60 euro op zijn voeten omdat hij zijn bril niet op had toen hij het potje uit de toilettas viste.”    

“De sukkel.” 

In tegenstelling tot het dramatische einde van het Romeo & Julia verhaal in de Steengroeve, liep dit weekend voor alle betrokkenen wel goed af hoor. Er werd na het ontbijt hartelijk afscheid genomen en ik moest beloven dat de volgende bijeenkomst in Den Haag zal zijn, een etentje met zijn allen. Natuurlijk had ik daar geen moeite mee, maar ik had wel een eis, puur voor het natuurlijke evenwicht: 

“Dan moeten de nu thuisgebleven Romeo’s er wel bij zijn!” 

Het gaat zoals het gaat

Liefdevol. Dankbaar. Weemoedig. Zo denk ik terug aan mijn moeder waar wij tweeënhalve maand geleden afscheid van hebben moeten nemen. Een gemis, vooral voor mijn vader omdat hij altijd het dichtst in de buurt was van mijn moeder. Ruim 65 jaar hebben ze lief en leed gedeeld, hebben ze een leven opgebouwd op een eiland waardoor ze voornamelijk op henzelf aangewezen waren.  

Ga er maar aanstaan: wonen op een eiland en van alle ongemakken voorzien. 

Want eind jaren 50 waren de voorzieningen op het eiland nog lang niet optimaal en ze moesten daarbij ook nog eens integreren in de eilander samenleving, een samenleving die daar overigens wel open voor stond. Dat had natuurlijk ook te maken met het feit dat je elkaar nodig hebt in een kleine gemeenschap, maar wellicht had het gastvrije karakter van de eilander hier ook mee te maken, gezien de opkomst van het toerisme in die jaren.  

Het was wennen voor mijn ouders, maar ze waren klaar om alle hordes te nemen.  

Een van die hordes was dat ‘even’ naar je ouders gaan om advies te vragen of gewoon voor de gezelligheid er niet meer bij was. Want hun ouders woonden in Zaandam en Jutphaas (Nieuwegein) dus als er dan plannen waren om erheen te gaan, vergde dat een goede organisatie omdat ze afhankelijk waren van boot, bus en trein. Die hadden nog niet zo’n uitgebreid netwerk zoals we dat tegenwoordig kennen want men was nog steeds bezig met de wederopbouw na de verschrikkingen van de oorlog. Telefoneren behoorde ook nog niet tot het normaal, maar brieven schrijven daarentegen wel. 

Er werd dan ook heel veel geschreven zodat familie van overzee op de hoogte bleef. 

Nu ik zelf ouder en misschien zelfs wel wat wijzer geworden ben, begrijp ik steeds beter hoe moeilijk het proces ‘van kind naar volwassen worden’ eigenlijk is. Ik zie dat steeds helderder voor ogen als ik kijk naar onze jongens, hoe ze hun jeugd doorlopen hebben en nu werken aan het volwassen leven. 

Het leven waar ze zo naar verlangden toen ze nog klein waren. 

Want toen mochten ze niks. En werden ze daar boos om, begrepen ze niet waarom het ene wel en het andere niet mocht. Voor mij was dat ook een strijd als jonge vader. En mijn ouders woonden niet om de hoek omdat ik ervoor gekozen had het eiland te verlaten en aan de wal een leven op te bouwen. Ik kon wel putten uit eigen ervaringen die ik van huis meegekregen had, maar dan had je ook nog de invloeden die van buitenaf op je afkwamen. Je moet als opvoeders ook proberen om op een lijn te staan en dat kan best lastig worden als je allebei een andere achtergrond hebt. Dan heb je nog de vriendjes van je kinderen die wel van alles mochten, of juist minder. Of moderniteiten waar de een wel en de andere niet in mee kon gaan plus de invloeden vanuit de samenleving die via allerlei kanalen op je afgevuurd werden. 

En dan waren er nog de geldzorgen, wie is er niet mee groot geworden. 

Het is van alle jaren en de meesten onder ons zullen dit herkennen ben ik bang. Logisch, want een gezin stichten brengt enorm veel verantwoordelijkheid met zich mee en zie daar maar eens de juiste weg in te bewandelen. ‘Door schade en schande wordt men wijs’ of ‘Van het concert des levens krijgt niemand het program’, twee spreekwoorden die bij iedereen op een tegeltje aan de muur zou moeten hangen.   

Haast elke opleiding schiet hier tekort.  

Ik dacht aan voorgaande toen mijn vader onlangs vroeg hoe wij ermee omgingen. Of we nog zwaar in rouw waren of dat het nog niet echt ingedaald was, de wetenschap dat moeder niet meer onder ons is. Dat ze niet meer tastbaar is, dat we niet meer de onbeantwoorde vragen kunnen stellen of dat we herinneringen ophalen met haar. Die vraag hield mij bezig, vooral omdat het niet een vraag was die ik van mijn vader verwacht had. Hij is altijd zo nuchter, realistisch en staat met beide benen op de grond. Maar ik ben er inmiddels achter dat de mens milder wordt met het ouder worden. Dat ‘Als later nu is’ (liedje van Rob de Nijs) mensen zachter maakt en gevoeligheden makkelijker gezegd doen worden.  

Maar het heeft ook te maken met de huidige maatschappij waarin we leven. 

Een maatschappij waarin alles besproken moet kunnen worden. Maak van je hart geen moordkuil. De hardheid van vroegere jaren: mannen mogen niet huilen en al helemaal niet over hun emoties praten is aan slijtage onderhevig. Godzijdank!  

Want zo ontstaan er dan vragen zoals mijn vader die stelde.  

Nou Pa, ik heb er vrede mee. Ik ben blij dat ze nu haar rust gevonden heeft en eerlijk gezegd wil ik die laatste jaren dat ze nog bij ons was, vergeten. Omdat zij mij ook vergeten was, een feit waar ze dankzij Alzheimer niets aan kon doen. Maar al die jaren ervoor, al die jaren dat ze mijn moeder nog wél was, zij mij verzorgde als kind, zij mij deed lachen omdat zij zo’n vrolijke en levenslustig mens was, zij mij aanmoedigde langs het voetbalveld ‘Kom op, Muis!’, zij mij boos liet worden omdat ze mij weer eens op mijn (terechte) donder gaf, zij mij bijstond om een goed kosthuis te vinden tijdens mijn studie in Leeuwarden, zij mij wekelijks belde om te luisteren naar al mijn belevenissen in het verre Den Haag, zij mijn kinderen een lieve oma gaf, zij mij steunde wanneer het even niet zo goed ging.  

Dat, pa, dat mis ik. 

Maar ik weet ook dat het leven eindig is, daar komt niemand onderuit en 94 jaar, dat is een voltooid leven. En jij bent er nog. Aan jouw kunnen we vragen blijven stellen, ook de nog niet beantwoorde vragen of de vergeten herinneringen.  

In de geest van moeder denk ik aan dat liedje van Bram Vermeulen, Testament: 

‘En als ik doodga, huil maar niet. Ik ben niet echt dood moet je weten, 

Het is maar een lichaam dat ik achterliet. Dood ben ik pas als jij dat bent vergeten.’ 

 

 

 

 

Uitgeteld

Hoe zal ik nu eens beginnen. Want ik weet zodra ik het hoofdonderwerp hier benoem, de dames stoppen met lezen. Die slaan dubbel van het lachen, scrollen maar weer door naar het volgende onderwerp of zuchten diep, heel diep en trekken daarbij een smoel van ‘Daar heb je er weer een’ en gaan weer over tot de orde van de dag.

Griep.

Dus niet dé Mannengriep, nee, dit was griep in het kwadraat, code rood, hel, verdoemenis, catastrofaal, onheilspellend, mensonterend en vooral zéér dramatisch! Mijn eigen vrouw was erbij en zij is het helemaal met mij eens, geen woord gelogen of weer eens overdreven uitgeschoten op het toetsenbord.

Ik was echt ziek!

Tijdens het Koninklijke bezoek van afgelopen weekend begon de ellende al. Spierpijn, hoofdpijn, gewrichtspijn en moe, moe en ook nog ontzettend moe. Toen ik zaterdagmiddag van werk afkwam, had ik enigszins mazzel. In plaats van een hele drukke prinses in de armen te sluiten, lag daar een lief klein meisje heel zielig tegen haar vader aan op de bank. Zij was ook niet lekker en achteraf is zij misschien wel de aanjager geweest in het geheel.

Ze had mij koninklijk besmet met haar virus en nu was ik ook Hofleverancier!

Haar moeder lag boven in bed. Die was niet ziek maar misselijk van de zwangerschap. Dat vond ik natuurlijk heel vervelend voor haar, maar het kwam mij nu wel erg goed uit. Want nu kon ik ook naar bed, die twee op de bank redden zich wel met Kikker & Vriendjes, Baby Cocomelon en Nijntje. Terwijl ik naar boven liep, hoorde ik zoonlief nog wat jammeren, maar ik hield voet bij stuk en riep hem de gevleugelde uitspraak van mijn vriend Tinus toe:

“Alles dut me zeer, behalve mien geweer!”

Anderhalf uur later was ik weer beneden, uitgerust en gedoucht. En kon ik mij weer in het zweet gaan werken voor het avondeten: Indische gekruide kip met pindasaus, sla en zelfgemaakte friet. Voor zeven personen want bonuszoon en zijn vriendin kwamen ook gezellig. Omdat het inmiddels flink benauwd was buiten en de vliegende mieren onze tuin gevonden hadden, werd toch besloten om buiten te gaan eten. Ik voelde die hitte al niet meer, de koorts was kennelijk al bezig beslag op mijn lichaam te leggen. Tegen tienen die avond lag ik op bed, wekker op 04:15 uur, want er stonden twee vroege diensten te wachten.

Het werk ging mij goed af.

Ik moest wel snel naar huis want de Koninklijke Familie had besloten die middag weer naar de Hofstad te vertrekken in verband alle lichamelijke ongemakken. Toen ze weg waren en wij beloofd hadden snel die kant op te komen, keken we elkaar aan en zeiden tegen elkaar:

“We zijn weer onder ons.”

Waarna ik snel mijn bed weer indook en de dame de restanten van een jong, modern gezin begon op te ruimen, waaronder koninklijke drolletjes op de bank en restjes van allerlei eterij in de naden en op het kleed. De sperziebonen, gehaktbal en aardappelen die vrouwlief mij later voorzette, smaakten me niet. Ik voelde dat ik de strijd tegen de griep ging verliezen en gaapte mij snel weer het bed in, voor een nacht vol met ijlende en vooral herhalende, dramdromen. Dat zijn van die dromen waarin je steeds dezelfde beelden ziet, zelfs als je even bent wezen piesen krijg je weer dezelfde droom voorgeschoteld.

Weinig creatief die Klaas Vaak van tegenwoordig!

Gelukkig ging opnieuw de wekker om 04:15 uur en was ik mooi op tijd om af te lossen. “Nee, geen koffie. Doe maar thee.” Zei ik tegen mijn collega, die daardoor haast van haar stoel viel. De uren daarna werden een soort van marteling en nadat mijn aflos zijn gezicht om de hoek stak, lag ik niet veel later weer in bed en sliep ik door alles en iedereen heen. Halverwege de avond sjouwde ik mijn lijf naar beneden, kreunend en hijgend zeeg ik neer op de bank. Mijn arme lijf, pijn in gewrichten en botten, huid- rug- en nekpijn en helse pijnen in het hoofd zodra ik die ook maar iets bewoog.

Het bakje vla ging er half in.

De volgende dag, maandag, werd het nóg erger. Ik ben twee keer naar beneden gegaan voor wat afleiding, televisiekijken. Dat bleef beperkt tot het staren naar de afstandsbediening en ben ik toch weer van ellende mijn bed ingekropen. Die avond probeerde vrouwlief er nog bouillon in te krijgen, maar alles wat iets met eten te maken had, deed mij gruwelen. Slapen was het fijnst, zelfs in je eigen zweet. Dat ondervond mijn vrouw ook en dinsdagavond moest ik onder de douche en dat werd een blik in de toekomst?

Zij moest mij ondersteunen, wassen en afdrogen!

“Dit had ik pas over 25 jaar verwacht.” mopperde ze lief, en zette mij even op een stoel zodat ze snel het beddengoed vervangen kon. Ik prevelde nog iets over Buurtzorg maar dat hoorde ze niet. Vijf minuten later lag ik weer in droomland, althans in een hele wilde versie daarvan. Want dromen waren het niet meer, het waren meer hallucinaties die tot het einde van woensdagmorgen duurden.

Gewekt door mijn bellende vrouw die wilde weten hoe het ging.

“Je moet komen, ik voel me zo beroerd!” perste ik eruit met mijn laatste krachten. Ik hoorde nog iets over ‘Moet even wat regelen hier op werk’ en daarna werd het stil. Ik zakte weer weg en werd onderdeel van een soort bioscoop van ‘de stomme film’ want er speelden allerlei filmpjes in zwart-wit, maar ook kleur. Niet onaardig of eng, eerder bijzonder. Zelfs gezichten of details werden uitgelicht. Alsof in mijn hoofd er een deurtje openging van 59 jaar opgenomen beelden. Of was dit het einde, dat mijn leven mij nu aan het voorbijflitsen was?

“Drinken. Dit moet je nu op gaan drinken!”

Zei Zuster Klivia en ging naast mij op bed zitten. Het was een zoutoplossing en vanaf dat moment begon ik weer op te knappen. Gisteren hoorde ik haar bellen: “Nee, dit was geen mannengriep. Ik heb hem nog nooit zo ziek meegemaakt.

Dus dames, ik herhaal: géén mannengriep!

 

 

Koninklijk bezoek

Wij hebben sinds vrijdag een bijzondere gast in huis, namelijk Hare Koninklijke Hoogheid & tevens Kleindochter Prinses Roméline. Haar originele naam is veel langer, maar ze neemt genoegen met de kortere versie. Gelukkig maar, want anders moest je wel een hele lange adem hebben om haar aan te spreken: Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Roméline Maria Alexia Veldhuizen-VanMa’s kant-Zuydgeest.

Zeg maar Lientje en ik ben drie jaar.

Maar zo’n bezoek vergt wel een aantal voorbereidingen, vooral omdat we hier te maken hebben met een meisje in de categorie roze. Dit zijn meisjes die van roze houden en graag ook roze dingen doen. Zoals bijvoorbeeld rondzeulen met een pop onder de arm, hamburgers en pizza punten bakken in hun roze keukentje, stofzuigen met de roze stofzuiger of roze strikjes draaien in hun gevlochten staartjes met roze glittertjes.

Of ze gaan pas van de glijbaan als het zand of blaadjes weggeveegd zijn.

Alles in hun roze jurkje of onesie, het roze toefje op de taart. En allemaal volgens protocol, dat heb je nu eenmaal met prinsesjes. Prinses Lientje maakt ook graag gebruik van haar persoonlijke nar/lakei en stoere vader. Als ze bijvoorbeeld wil dansen dan moet hij ook opdraven en dansen ze samen. Zij in haar roze jurkje en hij in zijn Sneeuwwitje jurk (maatje XL). Dat brengt het dan wel weer in evenwicht want zo laat hij zien dat jongens ook prima hun roze kant mogen laten zien.

Of alle andere kleuren die de regenboog ons allemaal te bieden heeft.

Zo hoort het ook. Machogedrag geeft alleen maar problemen, die les zouden we ondertussen toch eens geleerd moeten hebben. We leven in een tijd dat elk mens zichzelf mag ontwikkelen waar deze zich goed bij voelt, welke geaardheid dan ook. 

Leven en láten leven!

Een kleindochter hebben is voor mij heel vernieuwend. Omdat mijn kinderen allemaal jongens zijn. En mijn vrouw had óók een zoon in de bonus waardoor ik geen ervaring had met kleine prinsesjes. Toen de jongens nog klein waren ging ik vaak met ze mee naar wedstrijdjes, leeftijdscategorie F’jes en E’tjes zeg maar. Er speelden ook meisjes mee en toen vertelde een van die vaders dat zijn dochter een zogenaamd blauw meisje was.

Ik wist direct wat hij bedoelde.

Blauwe meisjes zijn de wat stoerdere meisjes vergeleken met de roze meisjes. Blauwe meisjes doen graag met de jongens mee omdat ze dat net even wat leuker vinden dan met poppen spelen. En nee, het heeft niks met geaardheid te maken. Ik was waarschijnlijk ooit een roze jongen want ik speelde graag in de poppenhoek van de kleuterschool. En op de Lagere School werd ik altijd enthousiast als we voorzingen moesten voor de jaarlijkse schooluitvoering. Ik kan mij nog goed herinneren dat de jongens in mijn klas dan expres vals gingen zingen, bang dat ze een rol kregen in het stuk.

Daarom kreeg ik altijd een van de hoofdrollen.

Waardoor ik ook de aandacht kreeg van de meiden uit mijn klas! De jaloerse blikken die dat opleverden waren kostelijk. En als we moesten schrijven dan deed ik daar extra mijn best op. Vooral wanneer we een nieuwe schoolpen kregen van de juf of meester, dat voelde aan als een cadeautje. Nog mooier werd het wanneer je er ook een nieuw schrift bijkreeg, dat waren voor mij kleine feestjes. Tijdens het volwassen worden en nog vóór het computertijdperk, kocht ik bij de boekhandel schrijfpapier van hoge kwaliteit en schreef ik de een na de andere brief, uiteraard gebruikmakend van prachtige vulpennen. Sinds ik gedigitaliseerd ben is mijn handschrift niet meer om over naar huis te schrijven.

Hanenpoten!

Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Lientje moest een ander bed volgens mijn vrouw. Het ledikant was te klein geworden. Via marktplaats werd een peuterbed in Scheemda gevonden en de koop was snel gesloten.

De kleur was bruin.

Opa moest nu aan de slag. Voor het eerst in mijn leven ging ik iets roze verven in plaats van blauw. Ik heb mijn best erop gedaan, want het moest natuurlijk geen Prinses-op-de- erwt verhaal worden. Het hele project heeft mij een paar dagen gekost, maar het resultaat mocht er dan ook wezen.

Oma keurde het goed.

Zij leverde de accessoires voor het bed: roze beddengoed met daarop Prinsessen-figuurtjes en een pyjamaatje. Niet dat dit meisje geen pyjamaatje had maar gewoon, ‘t kost niks, het is zo leuk en gezellig, de stopwoordjes van mijn vrouw om iets te kopen wat eigenlijk niet nodig is.

“Zo leuk, dat kon ik niet laten liggen!”

Ik snap het allemaal hoor. Daarbij zien we dit meiske ook niet zo vaak vanwege de afstand en dan komen we al snel in het verwenhoekje. Oma is daar goed in, maar ik mocht ook iets bijdragen. Ik had namelijk een foto- voorleesboek gemaakt, ‘Roméline in Kabouterland’. Met een zelfverzonnen verhaal waarin de dieren en de kabouters die erin voorkwamen de namen kregen van enkele familieleden. Een best wel intensief werkje maar ach, we hebben gelukkig nog maar één kleinkind dus waar maak ik mij druk om.

Tijd genoeg.

Toen ze van de week voor de deur stond was ik extra blij want nu kon ik het boek eindelijk aan haar laten zien. Daar stond ze, met een brede grijns naast haar ouders, maar wel in een soort van afwachtende houding. Ik gooide het eerst nog op een stukje verlegenheid en begon enthousiast de opa uit te hangen. Het leutje wichtje bleef mij op afstand aangrijnzen, net als haar moeder. Haar vader stond te filmen en op datzelfde moment zag ik het staan op haar T-shirt:

Ik word grote zus!

Wow! Die had ik niet zien aankomen! Oma wel, die zei dat laatst nog dat nummer twee zich wel eens zou gaan kunnen aanmelden. We gingen in polonaise naar binnen en ik wist dat ik opnieuw aan de slag zal moeten om een voorleesboek te maken.

Nadat oma thuiskwam van haar werk en het te horen kreeg, slaakte zij vreugdevolle kreten die ver in de omtrek te horen waren.

Het werd een koninklijk bezoek, met een roze óf blauw randje!

 

Na ons de zondvloed

Terwijl we van de ene naar de andere crisis wandelen komen er dagelijks nieuwe crises bij. Denk je dat we alle crisissen al gehad hebben, komt er wéér eentje bij! Deze crisis kwam uit een totaal onverwachte hoek:

De rijen bij de statiegeldautomaten!

Sinds we blikjes en petflesjes in plaats van op straat gooien inleveren, is het smoordruk bij de lege flessen automaten. Een grote schande! Denk je even snel een boodschap te doen en tegelijkertijd even die volle tas met petflessen en blikjes in te leveren, moet je aansluiten in de rij! Ik had het laatst ook. Eerst in de rij staan en toen ik aan de beurt kwam, spuugde de automaat het ingegeven blikje retour. En daar bleef het niet bij, het een na de andere flesje of blikje werd geweigerd. Een medewerker vertelde mij dat het apparaat kuren had.

Waarschijnlijk een burn-out.

Hij was overigens heel vriendelijk waardoor ik het niet over mijn hart kon verkrijgen hem een grote muil te geven. Stel dat hij niet vriendelijk was maar gewoon mij te woord had gestaan, dan nog had ik hem geen grote muil gegeven. Laat dat even heel duidelijk zijn want dat is echt abnormaal gedrag!

Daarmee zet je jezelf buiten de maatschappij.

Aangezien ik binnen de maatschappij wil blijven bleef ik geduldig en nadat de medewerker mij meedeelde dat de zoveelste reset niet geholpen had, fietste ik maar weer huiswaarts, met nog steeds een gevulde tas met plastic en blik. Mijn vrouw was begripvol waardoor er thuis gelukkig geen crisissfeer ontstond en ik beloofde haar de andere dag het opnieuw te proberen, bij een van de andere supermarkten.

Winkels genoeg die onze welvaart te ondersteunen.

Toch stond het echt in de krant dat de rijen bij de lege flessenautomaten een grote ergernis zijn voor sommige mensen. Als je in de Randstad woont kan ik daar enigszins begrip voor opbrengen, want als je dagelijks in de file staat wil je niet óók nog eens aansluiten in de rij voor de legeflessenautomaat. Er zijn grenzen aan het menselijk incasseringsvermogen.

Maar daar hoor je niemand over in Den Haag!

Maar zonder gekheid, met het stijgen van de welvaart stijgen de problemen lijkt het wel. Donkere wolken hangen boven onze hoofden, in de jaren 70 en ’80 al voorspeld door de filmindustrie. Enkele films speelden zich af in een toekomst en lieten een wereld zien vol angst, geweld en anarchie. Films als ‘Soylent Green’ (1973) over het broeikaseffect en de overbevolking, ‘Escape from New York’ (1981) over misdaadcijfers die met 400 % gestegen waren door criminele bendes of ‘The Terminator’ (1984) over het gevaar AI, Artificial Intelligence.

Het meeste was destijds een ver-van-mijn-bedshow.

Maar tegenwoordig moet ik ook die gedachte bijschaven. Want al die voorspellingen lijken uit te komen. Grote problemen die haast onomkeerbaar lijken te zijn en velen een onrustig gevoel geven. En dan heb ik het niet over de laatste storing bij WhatsApp. Dat levert voor velen onder ons enorme stress op las ik van de week, want dan moeten ze bellen!

Vreselijk!

Waar we ons echt zorgen om moeten maken is hoe de maatschappij aan het verharden is. Hoe wantrouwen gevoed wordt en alleen eigen meningen nog als waarheid gezien worden. Kwamen voorheen de ratten nog tevoorschijn als het donker was, tegenwoordig gebeuren de meest bizarre criminele activiteiten ook overdag en verspreiden de Wild West taferelen zich over het hele land. Ook hier in Groningen is de onschuld ver te zoeken en zullen we ermee moeten leren omgaan, zullen er evenementen afgelast moeten worden omdat de niets ontziende criminelen lijken te regeren.

Toch moeten we wel even goed in de spiegel kijken, op alle gebieden.

Want eenieder die wel eens iets gebruikt door te spuiten, te snuiven of te slikken, zal dan toch moeten bekennen dat je daarmee crimineel Nederland faciliteert. Want het snelle geld lokt menigeen het verkeerde pad op en de boefjes die daarvoor zwichten worden steeds jonger. Het voordeel daarvan is dat deze kerfstokjeugd heel makkelijk te herkennen is: Extreem veel hoofdbekleding zoals capuchon, gezichtsmasker of baseballpet, schoudertasje, sportbroek en hele dure, echt hele dure sneakers. Je herkent ze al op kilometers afstand.

En wij maar zeuren over hoofddoekjes.

Zou legaliseren dan een optie zijn? Geen idee. Wel denk ik dat er thuis en op school goed over gepraat moet (blijven) worden. Dat het een schijnwereld is en dat je uiteindelijk toch gepakt zal worden. En dat drugs gebruiken echt slechter is dan bijvoorbeeld een vaccinatie krijgen tegen bijvoorbeeld het HPV of BMR. We zijn toch zo begaan met onze jeugd? Of zou meer blauw op straat een optie zijn? Denk het niet, want dan gaat men weer roepen dat we een politiestaat aan het worden zijn.

Klopt als een zwerende vinger maar ook dat komt door ons eigen, abnormale gedrag.

Want naast de toename van criminaliteit is er ook een toename van grote bekken in het dagelijks leven. We hebben ooit stoplichten bedacht voor een ieders veiligheid, maar sommigen onder ons blijven gewoon door rood rijden.

Ze bepalen zelf wel of het veilig is!

Ook zien we dat banen ‘ter algemeen nut’ steeds vaker niet meer ingevuld worden. Mensen trekken zich terug uit openbare functies omdat zij en hun familie bedreigd worden omdat men het niet eens is met het beleid, beleid waar democratisch voor gekozen is. Of omdat het om vrouwen gaat. Of om mensen met een andere geaardheid.

Want er zijn nog steeds mannen die nerveus worden van vrouwen aan de macht of anders ge-aarden.

Banen zoals gevangenisbewaarder, raadslid, wethouder, politieagent, vakkenvuller, politicus, verkeersregelaar, kassière, verpleegkundige, huisarts, handhaver of vrijwilliger op de sportvelden gaan allemaal naar de verdommenis omdat ze ondermijnt worden met bedreigingen en (verbaal) geweld. Met als resultaat dat we straks onbestuurbaar over de oceanen dobberen

Het was allemaal voorspeld en als we het geloofd hadden was het misschien te voorkomen geweest. Maar het begint bij jezelf. Zolang we niet de hand in eigen boezem steken zal het alleen maar erger worden en hebben onze nazaten gewoon pech.

Domme pech!

 

Tegen de lamp lopen

“Nee schat, dat hoeft niet hoor. We pakken gewoon de hele route, afsnijden hoeft niet.” Verbouwereerd keek zij mij aan maar hield wijselijk haar mond. Want voordat je het weet bedenkt hij zich en moet alsnog de rappe route gelopen worden.  

En staan we zo weer buiten. 

Ik zag het haar denken en ik begreep het ook wel. Ik kan soms behoorlijk stellig iets niet willen, een tekortkoming van mij. Zij daarentegen kan over van alles en nog wat heel enthousiast worden en dat zie ik dan weer als een sterke karaktereigenschap. Want over het algemeen krijgt zij mij dan ook enthousiast, alhoewel ik ook wel eens op de rem moet trappen. Uiteindelijk komen we elkaar daarin meestal wel tegemoet en leefden we nog lang en gelukkig.  

Hoop ik dan maar. 

Net zoals deze keer, nu ik water bij de wijn deed door de hele route te lopen. Dat kwam ook omdat ik heel relaxed was. Sterker nog, ik had het haar zelf voorgesteld die ochtend. 

“Zullen we vanmiddag naar de IKEA?” vroeg ik. 

Eerlijkheidshalve moet ik toegeven dat eigenbelang hierbij een flink aandeel had hoor. Want al weken (maanden..) is er een spotje onder het keukenkastje kaduuk. En de dame hier in huis, ogenschijnlijk familiair verbonden aan dit bedrijf want ze heeft een pasje waarop staat ‘Ikea Family’, had al eens geroepen dat ze daar hele handige oplossingen voor hadden. Normaal als ik dat dan hoor trap ik dus even op de rem. Dan zeg ik dat ik ermee aan de slag zal gaan want ik wil het eerst kijken of ik bij de lokale middenstand een oplossing vinden kan. 

Men eet daar echt niet een Zweedse plantaardige balletje minder om! 

Afijn, zo gezegd, zo gedaan, en enkele weken later, ik moet altijd eerst over dit soort dingen nadenken, kon ik haar vertellen dat het spotje besteld was. Ik zou gebeld worden zodra het binnen was en daar had ik alle vertrouwen in want ik had goede ervaringen met deze middenstander. Maar deze keer bleef het telefoontje uit en besloot ik maar eens te gaan polsen toen ik erlangs fietste. Helaas, nog niet binnen. 

Leveringsproblemen. 

Volgens mij gaat dat ook het woord van het jaar worden. Twee weken later opnieuw even naar binnen gelopen maar zag direct de teleurstelling op het gezicht van de winkelier. “Geen probleem, ik schijn wel bij met mijn telefoon als ik de prei aan het snijden ben!” lachte ik de toch wel teleurstelling weg.  

En ja, er zijn grotere problemen op deze wereld, ik weet het. 

Uiteindelijk heb ik toch moeten besluiten de bestelling te annuleren want weer een poosje later was er nog niets binnen gekomen. Daarom kwam ik met het voorstel om naar Ikea te gaan. En dat ik dat redelijk relaxed voorstelde kwam waarschijnlijk ook doordat er drie weken vakantie voor de deur stonden en wij genoodzaakt waren niet weg te gaan vanwege de precaire gezondheidssituatie van mijn schoonvader. Dus niet drie weken op ons geliefde eiland op onze zo geliefde camping maar gewoon thuis.  

‘Winschoten aan Zee’ grapten we dan (als een boer met kiespijn). 

Maar er was nog een reden waarom ik zo relaxed was, het was namelijk maandag, de eerste dag van onze vakantie. En op maandag een bezoek brengen aan de Ikea is een stuk slimmer dan bijvoorbeeld op een zaterdag. Hoe vaak heb ik al niet die verhalen moeten aanhoren van wanhopige collega’s die bij de koffie vertelden hoe lang ze in de rij hebben moeten staan om een parkeerplek te bemachtigen! Daarom ging ik even later uitermate vrolijk en goedgemutst samen met mijn uitermate vrolijke goedgemutste dame op weg naar Groningen, en zongen we samen in de auto dat nummer van Skik, met Daniel Lohues: 

‘Wie döt mij wat, wie döt mij wat, wie döt mij wat vandage’. 

Al zingend parkeerden we vooraan en hand in hand liepen we naar binnen. Zij wilde op de plattegrond kijken waar we exact moesten zijn maar daar stak ik, op zń Zweeds, een stokje voor: “Hej! Hej! Janetteketet! We lopen gewoon de hele tour en komen dan vanzelf waar we wezen moeten! 

Godsamme wat was ik relaxed! 

De spijt kwam waarschijnlijk daarom pas ter hoogte van de raamdecoratie en de sierkussens. Maar echt dramatisch werd dat niet want we waren geslaagd qua verlichting, dankzij een senior medewerker die ons overigens niet begroette met ‘Hej!’ Hij had mij op een hele rustige manier uitgelegd welke doosjes ik allemaal nodig had om weer een beetje licht in onze duistere keuken te brengen. En omdat ons winkelkarretje nauwelijks gevuld was door de doosjes namen we ook maar direct het kaptafeltje mee wat zij op haar verlanglijstje had staan.  

Eenmaal thuis ging ik direct ermee aan de slag! 

Niet met de kaptafel hoor, dat kwam later wel. De verlichting was nu het belangrijkst. Nadat ik de achterwand onder het keukenkastje al gemonteerd had, plaatste ik de lamp, een rechthoekig plateau met led lampjes. Toen kwam ik erachter dat deze groter was dan de ruimte onder het kastje. Mijn humeur sloeg als een blad aan de boom om die te maken kreeg met de storm Poly! Vrouwlief kwam erbij, probeerde er nog iets van te maken maar we wisten allebei dat we fout zaten. Vooral ik zat fout want ik had wel van tevoren de breedte gemeten maar niet de diepte. ‘Meten is weten!’ ik hoor het menig handige Harry of Tinus al roepen. 

“Ik rij zo wel terug.” Zei vrouwlief. “En dan haal ik dat andere lichtbalkje wel, die past zeker!”  

Aan het begin van de avond was ze alweer terug. De verkeerde lamp was omgeruild voor de nu wel passende lamp en omdat ik blij was met deze snelle actie ging ik er direct mee aan de slag. Eigenlijk was het zo gepiept. Maar toch kwam er een kink in de kabel want er miste een kabeltje. Die hadden we per ongeluk weer ingeleverd toen we de verkeerde lamp omgeruild hadden. 

Opnieuw moest ze terug om de juiste onderdelen te bemachtigen en opnieuw nam zij die taak op zich.  

Want ik was er alweer flink flauw van geworden… 

 

Le tour de Veluwe, oftewel waarheen leidt de weg

Er zijn verschillende apps die je de weg wijzen op de fiets. Wij maken daar dankbaar gebruik van, op een paar kanttekeningen na. Mijn vrouw organiseert dat dan en ik volg wel. Dan heeft zij de route via haar telefoon in een hoesje op het stuur zitten en is zij op dat moment leidend. Maar net zoals op menig werkvloer hebben de leidinggevenden niet altijd gelijk, in dit geval dus de kunst van het kaartlezen. In mijn ogen ontstonden zo de kanttekeningen die mij met elke gefietste kilometer steeds meer gingen ergeren.

Vorig jaar voor het eerst.

Toen we een midweek gingen fietsen in Limburg. Fietsen in Limburg was voor mij al direct een groot vraagteken want ze hebben daar veel bergen die wel eens het plezier van fietsen flink konden dwarsbomen. Maar dat was een aanname, een vooroordeel.

Ook ik heb daar wel eens last van.

Want in werkelijkheid viel het allemaal best mee. Oké, soms moest je even flink op de trappers staan om de top de bereiken, maar daarna kwam de afdaling en schoot je als een raket naar beneden zonder ook maar één keer te hoeven trappen! Die bedenkers van de verplichte fietshelm moeten wel uit het zuiden komen want met deze snelheden zou een stuurfout fataal kunnen zijn. Hier in het noorden zijn de bergen niet hoger dan een terp.

Te verwaarlozen dus.

Mijn geliefde vrouw en routeplanner fietste voor mij aan en ik volgde. Ik zag zo de dag wel zitten, niet nadenken, maar gewoon een beetje fietsen en genieten van al het gebodene om mij heen. Maar met enige regelmaat sloop er als het ware een storend element in, als een stok tussen de spaken. Dan begon de stem in de route app te roepen dat we afweken van de route:

“Klopt je route nog? Keer om!”

En moesten we weer terug om de juiste afslag te nemen. Tot je weer op route zat, bevestigd door een enthousiaste stem van de App: “Je bent er weer!” Dat was niet één keer, nee, dat gebeurde met enige regelmaat. Op zich ook wel logisch want ze hebben daar in Limburg naast bergen, heel veel kleine weggetjes, fietspaadjes en geitenpaadjes. Dat komt door de bergen natuurlijk, maar ook door al die slingerende beekjes en riviertjes. Logisch rechttoe rechtaan is haast onmogelijk.

Denk ik dan.

Maar goed, ik was er ook niet bij toen Limburg gevormd werd dus kan er ook wel eens heel erg naast zitten. Net zoals we naast de juiste route zaten. Ik liet het los, tot wij vorige week gingen fietsen in de omgeving van Coevorden. De reden om daar te gaan fietsen was een bezoek aan een oom en tante van mij, waar we die middag werden verwacht. We besloten vroeg die kant op te gaan zodat we de ochtend lekker konden fietsen.

Vrouwlief stippelde die avond ervoor een mooie route uit.

Deze keer een route van 44 km, beginnend in het mooie Gramsbergen. Maar voordat we Gramsbergen uit waren, fietsten we al drie keer verkeerd. Daar moet ik eerlijkheidshalve wel bij zeggen dat we nu op de zogenaamde knooppunten reden, dan volg je de genummerde bordjes langs de weg die samen de gekozen route vormden: 23, 56, 18 et cetera. Lijkt geen logica in te zitten, maar het werkt wel.

Alleen bij ons nog niet.

Met een schuin oog ging ik meekijken naar het venster bij mijn vrouw op het stuur en zag ik een blauw gekleurde lijn op het kaartje. “Die lijn is toch de route?” vroeg ik haar. Dat klopte waarop ik zei dat we dan ‘gewoon die lijn moeten volgen’.

“Toch?”

Nou, dat zag zij toch anders want soms liepen de straatjes zó dicht op elkaar waardoor je het niet goed meer kon volgen. Daarna hebben we tijdens de gehele route hier over zitten bakkeleien en werden we het niet eens. Nu moet de lezer dat niet zien als ruzie hoor, integendeel. Dit hoort er gewoon bij, ik zag ook meerdere fietsende koppels deze discussie voeren zonder dat er geknokt of gescholden werd.

De Lieve Vrede fietste gewoon met ons mee.

Toch laaide de discussie de volgende dag op bij een verjaardag. Een van de aanwezige dames, ook routeplanner in haar vrije tijd en in bezit van een volgzame man, vormde nu een blok tegen mij, de eigenwijze man die het ‘altijd beter weet.’ Uiteindelijk werd er besloten dat ik de volgende dag de fietsrit op de Veluwe zal leiden. Zodra dan dezelfde perikelen zich zouden aandienen dan moest ik beloven er nooit meer over te gaan zeuren en gewoon de extra’s onnodige meters die gemaakt worden, te accepteren, als onderdeel van de route.

Die belofte durfde ik wel te maken.

Het werden twee ritten op de Veluwe, beiden rond de 55 km. Ik kreeg de telefoon van mijn vrouw op het stuur gemonteerd onder begeleidend commentaar: “Nou, het zal mij benieuwen!” De start was in Gortel en de App begon direct al commando’s op ons af te vuren, via de telefoon op het stuur en via haar horloge.

Na een kwartier fietsen ging het mis, tot grote vreugde van mijn fietsmattie.

Ik nam namelijk niet het officiële fietspad, maar bleef op een weggetje rijden welke er parallel aan lag. “Dat is één!” gilde ze lachend, maar ik vond dit te verwaarlozen. “Gewoon de blauwe lijn volgen en vooruitkijken”, riep ik dan, “niks moeilijks aan.” Er was ook niks moeilijks aan, want de dame in deze App lulde wat af, stuurde ons niet zomaar het bos in.

Met elk gereden kilometer groeide mijn zelfvertrouwen!

De tweede rit was ook weer op de Veluwe en nu gebruikten we een andere App. Het werd weer een knooppunt naar knooppunt route, dwars door de bossen en leuke dorpjes. Nu kwam de ervaring om de hoek kijken en waarachtig, het ging best. Ook nu genoten we weer van alles om ons heen, zelfs als we even een misslag maakten in de route. We vergaten om erover te mopperen.

Want ach, dat kan de beste overkomen toch?!

 

 

 

Het kost een paar centen…

“Dan huur ik een huisje waar we allemaal in kunnen,” zei mijn vrouw, ongeveer een jaar geleden, “van vrijdag tot en met zondag.” Ik keek haar bedenkelijk aan. “Op Terschelling!” voegde ze eraan toe.

Nu keek ik nóg bedenkelijker!

Want een huisje huren voor 10 personen plus een hele blije kleindochter, verdient wel even wat aandacht. Ze vervolgde haar betoog en deed net of ze mijn bedenkelijke blik niet gezien had. “Dan komen ze vrijdag met de ochtendboot en huur ik fietsen voor ze. O ja, en dan wil ik dat we zaterdag een familiefoto gaan maken en gaan we ’s avonds uit eten! En dan nodig ik je vader en zus ook uit.”

Nu keek ik haar strak in de ogen, als een schoolmeester die een leerling tot de orde wil roepen.

“Ho, ho, doe es effe rustig! Weet je wel wat dat allemaal kost? Neem alleen al dat huisje! Of wat te denken van de bootkaartjes! En die fietsen, zeker ook allemaal E-bikes?” Het bleek vragen naar de bekende weg, ze had haar plan al gemaakt. “Ja, alles erop en d’r an!” zei ze triomfantelijk. “Ik ben volgend jaar 40 jaar werkzaam bij het ziekenhuis en dan krijg ik extra salaris. En daar wil ik het van betalen. En maak je niet zo druk want het duurt nog een heel jaar voordat het zover is dus we kunnen er ook nog voor sparen.”

“En ik werk ervoor! Stap al 40 jaar elke morgen om kwart over zes uit mijn bed!”

Ik kon daar natuurlijk niets tegen in brengen. Ze is een zelfstandige, moderne vrouw die prima haar eigen boontjes kan doppen. Ik ben daar natuurlijk supertrots op, maar ik hou ook van een beetje plagen dus ik bleef bedenkelijk kijken. Eigenlijk vanaf dat moment elke keer wanneer zij het aan iemand vertelde. Het huisje wat ze huurde, lag tegen de duin- en bosgrens aan. “Met woonkeuken!” riep ze dan tegen wie het maar horen wilde want ze is gek op woonkeukens.

“Met zo’n lange tafel waar iedereen aan kan zitten, zó gezellig!”

Het zweet brak mij uit, want al die mensen aan tafel moeten ook eten. En volgens haar planning gingen we maar één keer uit eten dus ik zag de bui al hangen: nóg meer uitgaven en tussendoor mag ik aan de bak. Dat bevestigde ze door te zeggen dat er een dikke oven stond met fornuis: “Ideaal, en dan maken we ontbijt met lekkere versgebakken broodjes en die vrijdagavond kook jij iets van pasta, met stokbrood en smeersels bijvoorbeeld.”

Smeersels, modern woord voor beleg.

Onlangs was het dan zo ver. Wij waren al op het eiland om kwartier te maken en hadden bedacht om de jeugd, vier zonen met hun dames en een kleindochter, welkom te zwaaien vanaf de pier, bij de ingang van de haven. Bewapend met negen Terschellinger vlaggetjes, voor op de fiets. Dit was een ideetje van mij want zo kon ik mooi zicht houden op het gajes.. eh.. kroost tijdens het fietsen. Die stonden allemaal op het dek wild te zwaaien toen ze ons zagen staan op de pier.

Ze hadden er zin in!

Dat hadden ze weken ervoor al naar ons geappt. Ze keken enorm ernaar uit en dat vond mijn vrouw, het Hoofd Financiën, natuurlijk geweldig. Daarom zag ze mijn cynische blikken natuurlijk niet. Ik zou ook enthousiast zijn als alles voor je betaald zal worden. Toch vond ik het ook erg fijn dat ze allemaal enthousiast waren want ik had geen zin in onderlinge gedoetjes waardoor er misschien wat chagrijn op de groep zal neerdalen. Niet veel later fietsten we naar mijn vaders huis om daar wat te eten, broodjes knakworst want dat vinden ze lekker. En een drankje om te proosten op mijn moeder, hun oma.

Best wel een momentje..

Na weer een fietstochtje kwamen we aan bij het huisje en kon iedereen zich installeren en dook ik de keuken in voor wat voorbereidingen. Aan het begin van de avond zaten we dan allemaal aan die lange tafel te eten, geheel volgens het boekje van de jubilaris. Na het eten werd er gevoetbald en later die avond een spel gespeeld aan wederom de lange tafel.

Ik begon mijn vrouw te snappen.

De zaterdag werd een drukke dag: Vroeg ontbijten (ze waren allemaal op tijd beneden!), dan op de fiets naar het Arjen’s duin bij het Duinmeertje waar we vereeuwigd werden door ons favoriete fotografenechtpaar Marianne en Hans, vervolgens weer op de fiets om Oost (met ‘vette hap’ tussenstop vanwege de tijd) want we gingen mee met een huifkar, de zogenaamde ‘Jutterstocht’, onder bezielende leiding van koetsier Gossen die ons mooie verhalen vertelde over vroeger en nu.

En dat alles onder een stralende zon en blauwe lucht.

Die avond gingen we uit eten en opnieuw zaten we aan een lange tafel waar nu ook mijn vader en zus aangeschoven waren, superfijn omdat dit soort avonden niet altijd te regelen zijn. We sloten de avond af met spel en gezelligheid onder elkaar en ik lag naast een hele gelukkige vrouw die nacht.

Eigenlijk zoals elke nacht hoor, maar nu extra!

De volgende ochtend zat weer iedereen op tijd aan het ontbijt en stond er een relaxte dag te wachten. ‘Niks moet, alles mag’ vandaag, zei Moeder Kloek. Maar zoals wel vaker bij de jeugd fietsen we even later weer als één groep het eiland over. Bij Midsland vroeg ik een van de schoondochters naast mij te gaan fietsen want ‘Dit is het dorp waar ik geboren ben..’ Zij was namelijk voor het eerst op Terschelling dus dat verdiende een speciale rondleiding langs de twee huizen waar ik gewoond heb. Daarna fietsten we naar de strandtent waar je kan genieten van ‘de laatste koffie voor Ameland’.

Uiteraard in combinatie met hun befaamde hamburgers.

Tegen vijf uur stonden we allemaal weer op de haven alwaar wij afscheid namen van de jongelui. Zichtbaar was de teleurstelling op de gezichten, dat het alweer voorbij was. Maar we zagen ook de dankbaarheid voor het maken van deze herinneringen en dat maakte een hoop goed!

Die avond zaten we op de bank, tevreden, gelukkig en voldaan. Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat!

 

Ook wij hebben last van schaarste

Dit jaar ging het weer mis. In eerste instantie leek ik het voor te kunnen zijn maar bij nader inzien had ik mij vergist in de datum. Ik was namelijk een dag te vroeg en dacht dus dat morgen vandaag was.

Huh?

Die zin klopt wel hoor, maar dat vraagt wel om wat duidelijkheid van mij. Wij hebben ons vijf jaar geleden geregistreerd als, zoals wijlen mijn schoonmoeder dat altijd zo mooi zei, ‘TweedeHandsjes’. In ambtenarentaal heet dat een ‘geregistreerd partnerschap’.

Waarvan akte.

Zo’n geregistreerd partnerschap is trouwen, maar dan zonder feest en daardoor een stuk minder gedoe. Gedoe in de vorm van ‘wat moeten we aan’, ‘wie nodigen we uit’ tot ‘wie naast wie’ gaat zitten bij de tafelschikking. Dat het veel goedkoper is, hoef ik niet uit te leggen, het stukje vastleggen op het gemeentehuis was zelfs gratis omdat we het op een dinsdagmorgen gepland hadden. Daarnaast is de ceremonie ook veel korter, in mijn herinnering aan De Dag Dat We Voor Elkaar Kozen hadden we een minuut of acht om het wettelijk vast te leggen. Het voorgesprek met de ambtenaar een paar weker ervoor duurde langer.

Een goed half uur.

Een jaar later kwam ik thuis van werk en daar zat een teleurgestelde vrouw. Niet zwaar teleurgesteld maar gewoon teleurgesteld. Ik was De Dag Dat We Voor Elkaar Kozen vergeten. Nu blijft zij niet hangen in teleurstellingen en nadat we aanschoven aan een tafeltje in een restaurant en proostten op ons geluk, werd het toch nog een mooie dag.

Het jaar daarna vergat zij het.

Terwijl we toch de datum strategisch bepaald hadden, het is ook de trouwdag van mijn broer! Maar kennelijk heeft dat geen indruk gemaakt en stortte het door ons bedachte ezelsbruggetje in, zonder ook maar een beetje mededogen, en loopt het nu al jaren in het water. Want het derde jaar was ik het weer vergeten en het vierde jaar vergaten we het allebei.

Dit jaar was ons houten huwelijk.

Nu waren we op Terschelling vanwege het overlijden van mijn moeder en op de een of andere manier was ik al daags waaks op De Dag Dat We Voor Elkaar Kozen. Deze keer zal ik haar verbazen met mijn attentheid en zou mijn moedertje trots op mij geweest zijn. Terwijl we fietsend op weg waren om een paar boodschappen te doen voor het avondeten, gooide ik hem er effe in. Ik strekte mijn hand naar haar uit met de woorden:

“Janettekesket!”

Ze pakte mijn hand en gaf mij haar allerliefste glimlach: “Ja lieverd, wat is er?” Intern had ik nu dikke lol want ze had niks in de gaten en dat zou betekenen dat zij het weer vergeten was, De Dag Dat We Voor Elkaar Kozen. Ik liet even los want er kwam een tegenligger aan en bouwde daarmee ook de spanning weer lekker op. Nadat we weer met succes onze handen gekoppeld hadden, gooide ik ‘m d’r in:

“Lieve schat, gefeliciteerd met onze 5-jarige trouwdag!”

Ja, voor het gemak noem ik het maar zo hoor, klinkt wat beter dan: Lieve schat, gefeliciteerd met onze 5-jarige geregistreerde partnerschap-dag. Dat is zo’n struikelwoord waar zelfs de gemiddelde logopediste haar tong op breekt en om nou te zeggen dat het romantisch klinkt?

Neuh..

Afijn, ik had nu een hele blijde vrouw aan mijn hand hangen die moest bekennen dat ze het weer vergeten was, maar ach, zolang we elkaar maar niet vergeten is ons motto. Later die dag, tijdens het avondeten, vertelden we het aan mijn vader en zus en proosten we op deze heuglijke dag. Mijn vader, altijd zeer alert op verjaardag en andere festiviteiten, reageerde daarop met de woorden:

“En morgen is het de trouwdag van je broer!”

De stilte die volgde was overdonderend. Pa en zus keken elkaar verbaasd aan omdat er van onze kant geen enkele reactie kwam, alsof we diep in gedachten waren. Nou, dat waren we ook! Zowel mijn vrouw als ik waren op dat moment héél druk in de weer in onze hoofden! Ging het nou wéér mis? Ik vloog naar de wc en checkte de kalender van mijn vader, want als er een kloppende kalender was, dan was het deze wel.

Het klopte.

‘Trouwdag Rein & Uke’. De volgende dag. Het enige wat niet klopte was dat onze verbintenis er niet bijstond, maar dat is ook wel weer logisch omdat we er weinig ruchtbaarheid aan gegeven hadden. We kunnen nu de conclusie trekken dat er een soort van vloek op onze Dag Dat We Voor Elkaar Kozen rust. Maar een soort van vloek weerhoudt ons er niet van het samen goed te hebben, al is er zo nu en dan ook wel wat schaarste in de liefde te zien.

Zoals schaarste in de zogenaamde ‘Kruidvatmomentjes’.

Mijn lief heeft deze term ooit bedacht toen ze het Kruidvat uitliep en mij verderop in de straat zag staan, rokend en een hand nonchalant in de buutze. Ik ben uiteindelijk tóch gestopt met roken en ja, daardoor kwam de schaarste om de hoek kijken, dat sluipt erin zo door de jaren heen. Nu had ik mij enige weken geleden wat nieuwe kleding aangeschaft en waarachtig, ze zag mij met iemand praten en toen had ze weer zo’n Kruidvat-momentje.

Waarmee maar weer bewezen is dat kleren de man maken!

Maar we kunnen de schaarste hebben hoor. We kennen elkaar al langer dan vandaag. En nu stelt vijf jaar misschien nog niet veel voor, maar daarvoor hebben we een jaar of zes Living Apart Together geleefd. Toen leefden we vanuit koffers want er zaten namelijk 270 kilometertjes tussen, zij in Winschoten en ik in Den Haag.

Ik weet niet of het ooit goed zal komen, of we de datum onthouden kunnen. Maar zolang we niet vergeten om steeds weer thuis te komen, elkaar een kus te geven, samen te lachen en te huilen, samen te eten en samen naar bed te gaan, maak ik mij totaal geen zorgen.

En leven we nog lang en gelukkig.

Oost, West, in ’t Noorden voel ik mij het best!

Toen ik nog op Terschelling woonde kende ik het fenomeen ‘Wandelvierdaagse’ niet. Ja, van TV natuurlijk, de Nijmeegse versie. Maar verder bleef het beperkt tot de Wandel-ééndaagse, de alom bekende en wereldberoemde ‘Brandaris-Wandeltocht’.

We hadden wél een Zwemvierdaagse!

Maar dat is ook wel weer logisch want we woonden op een eiland met rondom water, de Noordzee en de Waddenzee. Ik heb daar als kind wel aan meegedaan, maar om nou te zeggen dat ik het leuk vond? Niet echt. Dat had vast te maken met het feit dat het een openluchtzwembad was, want, op een paar mooie zomerse dagen na, was het in mijn herinnering altijd koud daar. Vooral als je met je hoofd boven water kwam of erger, je eruit moest stappen om vervolgens er weer in te duiken. Maar eerder had ik nog nooit van de Wandelvierdaagse gehoord, daar kreeg ik pas mee te maken toen ik kinderen op school had zitten, toen ik nog in Den Haag woonde.

Als ouder werd er van je verwacht mee te lopen.

Logisch ook want je kon daar niet alleen de leraren mee opschepen. In theorie leuk en gezellig, maar in de praktijk moest ik er wel een kanttekening bijzetten. Want die jongens van mij liepen niet keurig naast mij, nee, die renden van voor naar achteren en van achteren naar voren.

En van links en rechts.

We liepen altijd de 5 km, maar zij liepen naar mijn idee daardoor het dubbele, energie genoeg gelukkig. Maar ik, hun vader, werd eigenlijk totaal genegeerd. Pas als we weer naar huis fietsten kreeg ik weer aandacht, dan wilden ze een ijsje.

“Dat hebben we wel verdiend!” kreeg ik dan te horen van de mannen.

Nu was dat geen probleem hoor, kinderen en ijsjes doen het goed samen en wie is er niet mee groot geworden. En omdat goed voorbeeld doet volgen nam ik dan ook maar een ijsje, om mijzelf wat te troosten omdat ze niet keurig bij mij ‘aan de lijn’ liepen. De laatste dag van deze wandelmarteling was altijd wel iets aantrekkelijker dan de andere dagen.

Iets.

Want dan was er bij de Finish wat meer reuring dan de voorgaande dagen. Maar echt onder de indruk was ik er nooit van, het was een jaarlijks terugkerende strubbeling die veel vroeg van ons, ouders of opvoeders. Nadat de laatste uit het nest de Basisschool verlaten had, heb ik er ook nooit meer aan meegedaan of aandacht aan besteed.

Tot een aantal jaren geleden, toen ik in de gemeente Oldambt kwam wonen.

Ik hoorde al van verschillende kanten dat de Avondvierdaagse eraan zat te komen en mijn vriendin, tegenwoordig mijn vrouw, vond dat ik mee moest naar de finaleavond, de intocht. Want dat was altijd een hele happening zei ze. Nu zaten we nog midden in onze ‘verliefde’ fase en was ik nog volgzaam genoeg, maar met de herinneringen aan de eigen ervaringen met de Avondvierdaagse liep ik niet van enthousiasme over.

Sterker nog, het zweet brak mij uit.

En toen kwam die avond waarvan je wist dat die zou komen. We hadden afgesproken met andere enthousiastelingen aan het begin van het defilé, net voorbij de rotonde bij de voetbalvelden. Op de weg ernaartoe zag ik al in heel veel straten mensen op tuinstoelen zitten.

Niet in de tuin, maar gewoon op het trottoir naast de weg!

Sommigen hadden er zelfs tafeltjes bijstaan en dronken gezellig een drankje. Toen ik vroeg aan ‘mijn begeleidster’ waarom die mensen daar allemaal zaten, zei ze: “Die mensen zitten daar om te kijken naar alle wandelaars! Het zijn toeschouwers, publiek zeg maar.” Het is dat het niet kon want ik zat op de fiets, anders was mijn broek afgezakt van verbazing. Ik had nu al meer mensen gezien dan ooit eerder bij een wandelvierdaagse met mijn eigen kinderen. En hoe dichter we bij het centrum kwamen waar alle wandelaars zich hadden verzameld en klaarmaakten voor het defilé, hoe drukker het werd langs de weg.

En óp de weg.

Dat waren de vrijwilligers die de straten af gingen sluiten, zodat de wandelaars geen strobreed in de weg gelegd werden tijdens hun finale. Ik voelde iets in mij opkomen wat ik voor het laatst gevoeld heb toen ik nog jong was en naar een evenementje ging, in het dorp waar ik woonde. Daar liep dan ook het hele dorp voor uit, jong en oud en allemaal in een vrolijke modus. Het gaf iets vertrouwds, misschien was het wel te vergelijken met thuiskomen.

Oost, West, in ’t Noorden voel ik mij het best!

Even later stonden we langs de kant en zagen wij een bont gezelschap voorbijlopen, van jong tot oud. Maar het waren niet alleen wandelaars, het werd ook aan alle kanten muzikaal begeleid door muziekkorpsen, opgeleukt met vrolijk dansende dansmariekes, zichzelf presenterende (sport)verenigingen en natuurlijk vriendengroepen of collega’s van verschillende bedrijven. Een kleine anderhalf uur later was de hele stoet gepasseerd en liet ik alle vooroordelen die ik in de afgelopen jaren opgebouwd had, achter mij. Dit was ‘a different cook’ en totaal niet vergelijkbaar met die 150 wandelaars waar ik en mijn kinderen ooit onderdeel van was.

Vanaf dat jaar was ik fan!

Vorige week vrijdagavond was de 75ste editie van de grootste Avondvierdaagse van het Noorden, wederom georganiseerd door de Speeltuin Vereniging Bovenburen. Deze keer met een record aan lopers, namelijk 3563 wandelaars uit Winschoten en omstreken. Vorig jaar was het al een feestje omdat het weer kon na de corona jaren, toen vergelijkbaar met de zogenaamde ‘weidegang’ van koeien die na de winterperiode weer lekker naar buiten mogen, dansend en springend van blijdschap.

Maar deze keer leek het wel of men er nog een schepje bovenop deed.

Want het centrum liep vol met toeschouwers uit alle windstreken, terrasjes zaten bomvol langs de route en overal zat men vrolijk met elkaar te praten op het tijdelijk uit huis geplaatste interieur. En de stoet zelf bestond weer uit een bont gezelschap, met vrolijke en zingende kinderen waar zo nu en dan een huilertje tussen zat omdat het haar/hem allemaal even te veel werd. Maar ook daar was oog voor.

Organisatie en alle vrijwilligers bedankt! Jullie hebben ons weer een prachtige herinnering gegeven waar jullie trots op mogen zijn!

 

De wereld draait gewoon door

Wat fijn is het toch wanneer mensen met je meeleven wanneer je afscheid hebt moeten nemen van een dierbare, in mijn geval mijn moeder. Het is namelijk geen verplichting en je hoeft het helemaal niet te verwachten, vooral omdat voor de meeste mensen dan de wereld gewoon door blijft draaien.

Terwijl je eigen wereld even stilstaat.

Daar is natuurlijk niks mis mee en, laten we eerlijk zijn, we krijgen er allemaal mee te maken. Daarom zijn er ook zoveel liedjes over gemaakt, zoals wijlen Jeroen van Merwijk de dood eerde met een lied, ‘Mijn vriend, De Dood’:

‘Hij is rustig, zegt niet veel, geeft zwijgend iedereen zijn deel, je kunt van hem altijd op aan, hij zal nooit iemand overslaan.’

Of wijlen Robert Long met het ‘Liedje voor als ik er niet meer ben’, welke op zijn uitvaart gedraaid werd:

‘Nou ja, je mag best een traantje laten, dat vind ik ergens ook wel een compliment,

Maar niet te lang dan, dat zal niet baten, wie overleden is die blijft dat tot het end’

Dus we kunnen er maar beter zoveel mogelijk over praten, want dat we doodgaan is één van de zekerheden in ons leven. Maar het is natuurlijk wél heel belangrijk om het zo lang mogelijk uit te stellen.

En dat hebben we, helaas, niet allemaal voor het zeggen.

Voor mij was het eigenlijk de eerste keer dat ik in ‘de organisatie’ zat. Bij voorgaande begrafenissen of crematies stond ik meer aan de zijlijn en diende ik eigenlijk slechts als steunpilaartje van de direct naasten. Maar deze keer was het anders, moest ik samen met vader, zus en broer aan de slag. Veel werk, maar daar tegenover stonden heel veel fijne momenten. Want zo vaak zien we elkaar niet en nu waren we ineens dagen achtereen weer aan elkaar overgeleverd.

Net als vroeger toen we allemaal nog thuis woonden.

De tijd dat we elkaar gedoogden zeg maar. Want er was wel eens wat tussen ons, zoals kinderen onder elkaar kunnen zijn. Als jongste kind van de familie had ik, volgens broer en zus, altijd meer voordelen dan zij. Ik mocht eerder dingen doen dan wanneer zij er om vroegen. Eerder langer opblijven, eerder naar de bioscoop of eerder ‘uit’ gaan. Nu fraudeerde ik lichtjes met dat uitgaan, hoor. Ik vroeg (lees: zeurde) dan als 15-jarige of ik naar de Jeugdsoos mocht, “Want iedereen mag daarheen!”

Volgens een nog redelijke actieve herinnering ben ik er maar één keer geweest.

Want ‘iedereen’ zat gewoon in een van de kroegen en ja, wat doe je dan als kuddedier? Achteraf gezien en met de kennis van nu zal ik wel enkele hersencellen verzopen hebben in vergelijking met die van mijn broer en zus, maar dat heb ik er wel voor over gehad. Plus de ‘straffen’ als ik het weer eens te laat gemaakt had.

Dat kwam nog wel eens voor.

Maar nu waren we weer thuis als volwassen kinderen die de laatste eer aan hun moeder gingen bewijzen. Omdat we wisten wat er komen zou, had ik al bedacht lekker te gaan koken voor allemaal. Omdat we wisten dat het einde naderde keek ik daar erg naar uit omdat we, door alle afstanden tussen ons, niet vaak meer met zijn allen aan tafel gezeten hadden. Mijn lieve vrouw had, als het dan zover was, ook plannen bedacht. “Als jullie aan het regelen zijn duik ik wel de tuin in van Pa!” Goed plan, want dat werd hem allemaal te veel om als 89-jarige het onkruid tussen de tegels te verwijderen of de tuin te schoffelen. Toen we uiteindelijk op de sterfdag aankwamen zagen we dan ook dat de natuur flink tuingehouden had.

Ze heeft een volle groene container onkruid eruit kunnen halen.

Als beloning begon tussen alle dichte knoppen, één roos te bloeien, ooit in de tuin gezet door mijn moeder die altijd gek was met haar tuin. En wat deed ik? Tussen al het geregel door mocht ik een levensloop schrijven. Met het dringende verzoek om het niet te lang te maken want men vindt mij nogal eens lang van stof. Natuurlijk pareerde ik deze aanval want ten eerste ben ik bijna 60 jaar en heb dan wel wat te vertellen en ten tweede tikte mijn moeder op Bevrijdingsdag de 94 lentes aan en ja, daar kan ik dan weer kort in zijn:

Over haar leven was nóg meer te vertellen!

Maar goed, ik snapte het wel en bleef redelijk binnen de limiet. Het mooie was dat ik, wanneer ik iets niet meer exact wist, het na kon vragen. Bij mijn vader, maar ook bij broer en zus. En tijdens die gesprekken vielen allerlei puzzelstukjes op hun plek, dat maakte het eigenlijk nog leuker. Mijn zus bijvoorbeeld had weer andere herinneringen aan onze jongste jeugdjaren dan ik. Dat had natuurlijk te maken met het feit dat zij het langste gewoond heeft in het huis van onze kinderjaren.

Tot haar 16e.

Daarna verhuisden we naar een ruimere woning en kregen we een eigen kamer. Dat vond ik heel bijzonder, want daarvoor deelde ik 12 jaar lang mijn slaapkamer met mijn broer. Voor mijn zus was dat ietsjes minder, want mijn broer en ik vormden regelmatig een blok om haar wat te plagen.

Zoals kinderen dat kunnen doen.

Maar na die verhuizing had ik ook wel het gevoel dat mijn kindertijd voorbij was want ik ging naar het voortgezet onderwijs en mijn zus ging naar de Wal haar opleiding volgen, nadat ze de Huishoudschool doorlopen had. Twee jaar later ging mijn broer ook naar de Wal voor school en had ik het rijk alleen met mijn ouders.

Ach ja, zo heeft iedereen zijn of haar herinneringen.

Maar de wereld draait ondertussen gewoon door en wij hebben er alweer een week werk op zitten. En mijn vader een volle week zonder zijn geliefde vrouw, waar hij vandaag precies 65 jaar geleden mee trouwde. Hij dacht dat het net niet gehaald was, maar met de drie ondertrouw weken ervóór kan hij gewoon zeggen de 65 jaar vol gemaakt te hebben.

Een 10 met een griffel!

 

Dag Mam…

De telefoon naast mijn bed trilde en direct zat ik rechtop in mijn bed. Want sinds begin mei, toen de berichten over mijn moeders gezondheid slechter werden, zat de alertheid er goed in. Nadat ik mijn bril opgezet had zag ik dat het 11:53 uur was, een redelijke tijd om wakker te worden na mijn nachtdienst. 

Een Appje van Pa: ‘Ma is stervende.’ 

Mijn vader, broer en zus zaten naast haar bed schreef hij. Nu ging de telefoon, mijn vrouw: “Ik kom nu naar huis, laten we proberen de drie uur boot te halen.” Terwijl ik de badkamer in vloog bedacht ik mij hoe fijn het toch is een vrouw te hebben die van doorpakken weet. 

Iets na één uur berichtte mijn vader dat we ons niet meer hoefde te haasten… 

Wát een opluchting! Niet omdat we nu een latere boot konden pakken en meer tijd kregen om de koffers in te pakken, maar opluchting voor alle betrokkenen. Ten eerste voor ons lieve moedertje. Voor haar was het allang genoeg geweest, vooral omdat haar geheugen verdween in de mist in haar hoofd. Ik hoorde dat terug in het lied ‘Het te late einde’, van Maarten van Roozendaal: 

‘In dit te late einde, haar medicijnen en haar bril, 

Soms doet zij haar ogen open, alsof ze zeggen wil; Dit te late einde.’ 

Ze bevestigde dit met het herhalen van “Wat moet ik nou?”, wat onder ieders huid kroop en niemand kon haar hierbij helpen. Of nou ja, Pa en mijn zus kregen nog wel contact met haar maar de laatste weken verdween ook die herkenning en beperkte het zich tot enkel roepen om een zuster. 

Logisch, want die waren en altijd voor haar sinds ze een jaar geleden opgenomen werd. 

Zij werden de engelen aan haar bed tijdens de donkere uren wanneer ze helemaal niet meer wist wat te doen, waar ze was of wat ze moest. Deze dames en heren stonden dan klaar voor haar om haar gerust te stellen, lekker in te stoppen en, als moeder daarom vroeg, een nachtzoen gaven, al dan niet met een warme en liefdevolle knuffel en een streling door haar haren. 

Terwijl ik dit schrijf lopen de tranen over mijn wangen. 

Want dit is toch wat ieder mens wil, een beetje liefde en warmte? Koesteren moeten we al die mensen in de zorg, koesteren want zij staan aan ons bed wanneer we angsten hebben, zij tillen ons op wanneer we gevallen zijn, zij voeden ons wanneer we dat zelf niet meer kunnen, zij wassen ons na een ‘ongelukje’ en zij kunnen verhalen vertellen over onze geliefden omdat wij ze zelf niet meer 24/7 mee kunnen maken. 

Daarom begon voor mijn vader het rouwen een jaar geleden al. 

Toen hij haar niet meer verzorgen kon. Dat heeft hem zo ontzettend veel pijn gedaan, pijn die wij ook voelden. Maar zijn realistische kijk op de wereld trok hem erdoor. Dagelijks ging hij bij haar op bezoek, gaf haar stukjes fruit en hielp haar bij het drinken van thee of koffie. En ondertussen vertelde hij haar over hun leven, een leven wat zo rijkelijk gevuld was met mooie herinneringen. Dan lag zijn hand op haar schoot en pakte zij zijn hand om mee te friemelen. Maar het is voorbij. 

Afgelopen dinsdag hebben we afscheid genomen van haar. 

Na een week vol emoties. We werden nu ineens ‘direct betrokkenen’ van het fenomeen ‘burenplicht’, het noaberschap van Terschelling. Donderdagmorgen zorgden tien dames uit de buurt 

dat alle buurtschappen op het eiland op de hoogte werden gebracht van het overlijden van mijn moeder middels een huis-aan-huis kaartje. Daarna kwamen ze terug om ons te condoleren en was er tijd voor een kopje koffie. Om 12 uur luidde de klokken van de kerk in Midsland, 90 keer volgens de (herziene) traditie. 

Ter ere van mijn lieve moedertje. 

Zaterdagmorgen heeft mijn vader haar opgehaald uit de zorginstelling en weer thuisgebracht. Ook dat was een hele bijzondere ervaring! Samen hebben we haar op een prominente plaats in de kamer gezet, omringd door de inmiddels ontvangen bloemen en het rouwboeket. Samen met mijn zus doken we in stapels fotoboeken, vlogen we door het 94-jarige leven van onze moeder, zagen we haar jongste jaren met haar ouders, haar broers en zussen waarvan zij de laatst gestorvene was. 

Met een lach en met een traan. 

Die avond kregen de eilanders gelegenheid om afscheid te nemen van de vrouw die het grootste deel van haar leven met hen samengeleefd heeft, 65 van de 94 jaren. Ik heb hiervan genoten. Dat klinkt niet erg gepast maar dat had te maken met al die mensen die mij passeerden tijdens het condoleren. Mensen waarmee ik hier opgegroeid ben op het eiland, gezichten uit het verleden die niet vergeten waren maar die ik wel lang niet meer gezien had. Het werd een feest der herkenning en zoals Pa het al steeds zei: “Het overlijden van mijn vrouw is geen droeve dode. Ze heeft alles uit het leven mogen en kunnen halen.” 

“Daar mogen wij ons gelukkig mee prijzen, dat beseffen wij ons terdege” 

Op het eiland stond moeder bekend als Truus de Trimster, omdat ze altijd aan het fietsen was of meedeed met andere sportieve activiteiten. Ook was ze actief in het verenigingsleven waardoor er vele herinneringen daaraan gedeeld konden worden. En met de Brandaris Wandeltochten zie ik haar nog zo zitten, achter het tafeltje van de stempelpost, wel of niet bijgestaan door Pa. 

En een trommel met dropjes als beloning voor de wandelaars. 

Al die liefdevolle woorden die we die avond van iedereen mochten ontvangen, maakten ons nog trotser dan we al waren. Nadat de laatste bezoeker vertrokken was, zaten we nog even met de drie buren die al het bezoek in goede banen begeleid hebben, na te praten over deze bijzondere avond. Ook de dokter die mijn moeder begeleid heeft van begin tot het ware einde, kwam nog even langs om ook zijn beleving netjes af te ronden. 

De uitvaart was mooi en eervol, zoals zij dat verdiende. 

En dankbaar voor het respect namens onze werkgevers en collega’s die ons de tijd gaven deze week te beleven, Rederij Doeksen, de motorrijders die zo aardig waren om de rouwauto te begeleiden van boord af, de uitvaartmedewerkers die al onze wensen konden vervullen en natuurlijk familie en vrienden die de moeite genomen hadden om afscheid te nemen. 

Mam, bedankt voor alles. Wij gaan door met Pa en hopen nog lang van hem te kunnen genieten. 

Laat ik afsluiten met de woorden die Pa uitsprak na de uitvaart, nadat hem gevraagd werd of hij nog wat wilde zeggen: 

“Het is goed zo.” 

Taalgevoeligheden en andere modermismen

Wanneer wij aan het wandelen zijn dan …. Wacht, deze zin moet ik wat smeuïger maken want dat is modern. Net zoals we tegenwoordig niet meer ‘evenement’ zeggen maar ‘event’. Het betekent hetzelfde maar je brengt het anders, het gaat om de verpakking zeg maar. We bevinden ons niet voor niets midden in het zogenaamde ‘Verpakkings-tijdperk’.

Vooral dat verEngelsen van onze taal!

Plus straattaal zal de Nederlandse taal op alle fronten blijven beïnvloeden. Alles is tegenwoordig ‘Awesome’ als je iets geweldigs vindt of ‘Akward’ als iets ongemakkelijks is. Nu kun je je daar zorgen om maken, maar als je kijkt naar het verleden is het gewoon van alle tijden. Neem bijvoorbeeld de eerste zin die ooit in het Nederlands geschreven is:

‘Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?’

Een liefdesverklaring, hoe mooi toch eigenlijk: ‘Alle vogels zijn aan het nestelen, behalve ik en jij.’ Voorgaande hebben de meesten onder ons op school geleerd, maar onderzoekers hebben een nòg oudere zin gevonden:

‘Maltho thi afrio lito’.

Oftewel: ‘Ik maak je vrij, halfvrije’. Naar mijn idee is het een beetje te vergelijken met de Whatsapp taal. Daar zie je soms woorden of beter gezegd lettercombinaties staan waar geen chocola van te maken is. Probeer onderstaande zin maar eens om te zetten in een leesbare tekst:

‘Hgh? Hallo? Bjen? Jkmn.. Hbj? Lol, jk. Jwt, knzj!

Oftewel: ‘Hoe gaat het? Hallo? Ben je er nog? Je kent me niet? Hoe bedoel je? -Ha, ha, just kidding. Je weet toch, kan niet zonder jou!’

Maar voor de jeugd is dit al enigszins heel normaal geworden, die groeien daarmee op. Geen wonder dat ze de grip op goed Nederlands schrijven en spreken aan het verliezen zijn. Soms komt het ook wel voor dat je helemaal niets meer van een tekst kan maken, maar dan is vaak de autocorrectie de veroorzaker. Ook een best wel wonderlijk fenomeen, maar waar we gelukkig steeds beter mee omgaan en er ook rekening mee houden voordat je verkeerd begrepen wordt.

Een moderne versie van Babylonische spraakverwarring zeg maar.

Voorgaande ‘whatsapp-zin’ heb ik gewoon even zelf bedacht dankzij het internet, ik snap er zelf ook geen snars van hoor. Ken hooguit de afkortingen OmG, W8 of idd, in volgorde uitgelegd als Oh my God, Wacht en inderdaad. Het worden er steeds meer terwijl wij vroeger niet verder kwamen dan k.u.t., wat Kortom Uitermate Teleurstellend betekent. Maar de taal is ook onderhevig aan het zogenaamde pimpen van woorden.

En nu ben ik weer terug bij waar ik mee wilde beginnen.

Wij waren niet zomaar ordinair aan het wandelen, nee, wij zijn ‘in training’ voor de WandelRun. De wandelversie van de 47ste editie van de alom bekende en wereldberoemde Run Winschoten. Het is de negende keer dat dit wandel event georganiseerd gaat worden en men hoopt dat dit net zo’n succes zal worden als de ultra-run.

Daarbij voeg ik toe dat wandelen goed is voor lijf en geest!

Wat het lijf betreft is het natuurlijk goed omdat je in beweging bent, vooral omdat we tegenwoordig zitten het nieuwe roken noemen. Ik heb dat zelf ondervonden nadat ik gestopt was met roken én bewegen. Door omstandigheden kon ik niet meer met de fiets naar werk en moest ik mij voortbewegen middels openbaar vervoer en zo nu en dan met een (leen)auto. Met andere woorden, ik zat enkel nog op de auto-, trein- en bureaustoel. Daardoor groeide ik al gauw ver boven mijn geboortegewicht en nam ik obesitassen waarden aan.

Kortom, werk aan de winkel!

Eerder liep ik ook nog wel eens hard maar sinds ik te zwaar ben, hou ik het bij wandelen. Dat gaat minder snel maar is daarom ook langer vol te houden en, nu volgt een inkoppertje:

Dan loop je jezelf ook niet voorbij.

Maar het is ook goed voor de geest. Tijdens het lopen komt vanzelf de ontspanning om de hoek kijken en kunnen er allerlei gedachtes ontstaan die anders verdrongen worden door ons jachtige leven. Ik heb wel altijd mijn telefoon tijdens het lopen bij mij zodat ik eventuele ingevingen direct even kan noteren tijdens het lopen. Ik hoef daar niet voor te stoppen en ik krijg daar ook (nog..) niet een bekeuring van 140 euro voor.

Dus ook geen administratiekosten.

Trouwens, wanneer mijn vrouw gezellig meeloopt, laat ik haar altijd rechts van mij lopen. Dat komt omdat ik het fijn vind om tegelijkertijd naar muziek te luisteren en dat doe ik door in mijn linkeroor de muziekdrager te plaatsen. Mijn rechteroor is, opnieuw een inkoppertje, één en al oor voor alle ingevingen van mijn vrouw.

En geloof mij, dat zijn er heel wat!

Vrouwen in het algemeen kunnen dat hoor. Het is ook niet voor niets dat men wel eens van een kippenhok spreekt wanneer je een aantal vrouwen bij elkaar in een ruimte zet. Wij mannen kunnen door te zwijgen eigenlijk al heel veel zeggen. Daarom zie je mannen ook vaker vissen. Want als de vrouwen aan de waterkant zou zitten dan is de stilte weg, dan houdt de visser niet zoals het hoort de adem in om op het juiste moment de vis aan de haak te slaan.

En is de vis een gewaarschuwde vis.

Maar langzaam bewegen of sporten hoeft dus helemaal niet verkeerd te zijn. En het heeft nog een voordeel, namelijk dat de kans op een blessure nihil te noemen is mijn ervaring. Ik heb altijd gemiddeld gesport. Met voetbal zat ik meestal in het 3e of het vriendenteam en met hardlopen hield ik het bij de 10 km wedstrijden. Bij mij werkt alles nog, rug, heup, enkels en knieën doen het nog prima en als er wat opspeelt dan doe ik even rustig aan.

Mijn sporten is te vergelijken met slow cooking zeg maar.

Mijn broer daarentegen is al begonnen met het vervangen van enkele lichamelijke onderdelen. Oorzaak: heel intensief sporten. Zo liep hij marathons, dubbele triatlons, driedubbele triatlons en ondertussen fietste hij enorme afstanden, berg op en berg af.

Anderhalve maand geleden kreeg hij nieuwe knieën.

Darum!

Sport met mate, maar blijf wél in beweging!

Lieve Mam,

Hier een brief van uw jongste zoon, voor Moederdag. Maar ik denk dat ik ook schrijf namens mijn broer en zus. Want deze Moederdag ervaar ik toch anders dan alle voorgaande jaren. Niet dat we altijd fanatiek Moederdag vierden, u bent immers al sinds mijn geboorte mijn moeder, maar gewoon omdat het nu nog kan! Als kind vierden we Moederdag uiteraard wel. Dat begon op de kleuterschool en eindigde ergens in de laatste klassen van de Lagere School.

Maar deze keer is het anders.

Want u bent net 94 jaar geworden en ik tik bijna de 60 jaar aan. Beiden zijn we ouder geworden en u zit in een fase dat alles om u heen u ontgaat. In de fase dat u het leven niet meer begrijpt en u zichzelf telkens weer afvraagt waarom u het allemaal niet meer begrijpt. Een vraag die velen onder ons ook niet begrijpen, al zijn we continue aan het zoeken naar verklaringen. De ontdekker van de mist in uw hoofd, Alois Alzheimer, kon het ook niet met zekerheid duiden, dus we zullen het maar moeten accepteren.

Maar het is vandaag Moederdag.

En ik mag mij gelukkig prijzen dat u nog bij ons bent. De bijzonderheid deze keer is dat het zeer waarschijnlijk ook de laatste keer zal zijn en daarom schrijf ik deze brief, om nog maar eens te benadrukken hoe ik u als moeder waardeer. Een open brief, want iedereen mag weten hoe trots ik op u ben. Daarbij moet gezegd worden dat ik u deze keer bewust niet tutoyeer terwijl ik dat voorheen wel altijd deed. Dat was ook nooit een probleem, er was geen afstand tussen ons. De reden dat ik u nu niet tutoyeer, heeft puur te maken met het besef u enorm te respecteren, hoe u in het leven stond.

En mij daarin liet delen.

Het is respect voor de vrouw die mij negen maanden gedragen. En vervolgens op de wereld heeft gezet! Dat ging niet makkelijk, ik lag dwars en u moest zelfs naar het ziekenhuis in Harlingen. De helikopter vloog niet vanwege de mist, maar de sleepboot de Holland durfde het wel aan. Vervolgens bracht een keizersnede voor u de verlossing. Ik was iets minder enthousiast, het scalpel had mijn bil geraakt en leverde een littekentje op. Dat deed overigens geen afbraak aan mijn enthousiasme hoor;

Ik was ter wereld gekomen in een goed nest.

Dat wist ik toen natuurlijk nog niet, maar met de wetenschap van nu kan ik dat wel bevestigen. Dat nest was, achteraf gezien, niet al te groot. Maar hoe u ons de ruimte liet met spelen leek het wel een paleis, inclusief landgoed. Verjaardagen werden gevierd, op Pakjesavond werden we verrast met gedichten, we kregen ontbijt en een kus voordat we naar school gingen, wentelteefjes werden gebakken op mooie zomeravonden als we in de tuin aan het spelen waren en gesmeerde boterhammen werden door u bezorgd wanneer we de hele dag in de weilanden aan het vliegeren waren.

Dit is nog maar een kleine greep uit het assortiment ‘moederliefde’.

Of wanneer we als kinderen naar de televisie keken, dan kregen we limonade of gazeuse en een bakje chips, op woensdag- en zaterdagmiddag. De rest van de week speelden we buiten. Of bij slecht weer binnen, dan werd de vloer in de kamer een netwerk van wegen voor mijn autootjes en kon er naar hartenlust gespeeld worden. Nadat ik op voetballen ging, stond u ook heel vaak langs de lijn om mij aan te moedigen. Ik kan het mij nog zo goed herinneren hoe enthousiast u altijd was: “Kom op Muis! Goed zo Muis!” Samen keken wij ook graag naar televisieseries als ‘de Wrekers’, ‘All-in the Family’ of op zaterdagavond met de hele familie naar ‘de Wie-Kent-Kwis’ of ‘de André van Duin-show’, onder het genot van een stuk sneeuwster of zelfgemaakte tompouce.

Ik zie mij nog staan knoeien in de keuken met het glazuur.

Als puber nam ik even wat afstand van het ouderlijk gezag en lagen we wel eens in de clinch met elkaar. Natuurlijk hadden we ook nog raakvlakken hoor, zo hadden we allebei iets met de Nederlandse taal en was u vooral van de spreuken. Zodra u iets moois hoorde, schreef u dat op en hing het daarna ergens op. Maar we waren ook allebei van het betere Nederlandse lied, zoals bijvoorbeeld de liedjes van Boudewijn de Groot, Robert Long of Frans Halsema. En altijd stond de radio aan, vooral de Arbeidsvitaminen vond je geweldig en zong je het hoogste lied. Donderdag tussen de middag luisterde je graag naar ’50 Pop of een Envelop’, met die irritante Tom Mulder.

Dat accepteerde ik dan maar.

En tussendoor puberde ik er lekker op los en botsten we wel eens. Ik ging vaak voor lol en vertier en had daar wel een ‘straf’ voor over. Hoe vaak hoorde ik u niet zeggen:

“Wacht maar tot je vader thuiskomt!”

Dat was ook jullie kracht, samen aan het roer om averij te voorkomen. Dacht ik de ene ouder gepasseerd te hebben, stond de andere wel weer even in de weg in mijn puberbrein. Nadat ik uitgevlogen was werd de band met u beter. Veel beter. We belden elke maandagavond als Pa naar de zang was en namen dan de week door en vertelden elkaars belevenissen.

Een uur was zó om!

Daarna werd u oma van mijn kinderen en zag ik veel terug van mijn opvoeding hoe u met hen omging. Streng, rechtvaardig, vrolijk, overgoten met liefde, maar wel alles in de degelijkheid van de eenvoud: het bakje chips bleef, maar nu wel mét wat smarties onderin.

Enkele jaren terug namen we al afscheid.

Op Pa en zus na vervaagden de mensen om u heen en verdwenen ze in de mist. Daar waar u altijd al bang voor was, werd waarheid. Pa nam het schip over en deed dat (en doet dat nog steeds!) met al zijn ziel en zaligheid. Toch bent u er zo nu en dan weer even, met een opmerking, een grap, lach of een sneer. Momenten van een weerzien met wie u was, momenten die steeds schaarser worden.

Warme herinneringen daarentegen steeds meer.

Gisteren kwam mijn lieve vrouw, ook moeder én bonusmoeder, met het idee om u met een bezoek te vereren. “Dan kun je de brief zelf voorlezen én zingen!”

‘Het is Moederdag, een fijne dag, het bosje is wat klein, dat heb ik voor u meegebracht, dat vindt u vast wel fijn’

Koosnaampjes, what’s in a name

Met enige regelmaat krijg ik hier thuis het woord ‘sukkel’ naar mijn hoofd geslingerd. Om precies te zijn door mijn liefhebbende vrouw. Dat doet ze vooral wanneer ik haar aan het plagen ben of wanneer ik haar overlaad met mijn absoluut ontzettend grappige grapjes.

Al zeg ik het zelf!

Nu is sukkel niet echt een vlijend woord, maar in dit geval wel. Zij gebruikt het als koosnaampje zeg maar. Ze zegt het ook niet op een harde manier, nee, de liefde druipt er dan vanaf, voor mij het sein er een schepje bovenop te doen.

Tot de grens van haar incasseringsvermogen wél bereikt is.

Het is het spel tussen twee mensen in een liefdesrelatie die van elkaar houden. Want liefde overwint alles, of in ieder geval een hoop. Zo waren wij in het Paasweekend met onze kleindochter op stap, gezellig op de fiets. Toen we wat gingen drinken in een winkel vol chocoladeproducten liep de kleine meid, afgelopen week 3 jaar geworden, even naar mij toe en gaf mij een aai over mijn buik en zei:

“Opa baby in buik!”

En vervolgens ging ze weer zitten. Dit is ook zo’n ‘sukkel-moment’. Hier zit geen grammetje kwaad in maar kilo’s liefde tussen kleinkind en Opa. Het is plagen zonder pijn. Wellicht zal mij dit nog lang achtervolgen tot ik weer op het gewicht ben van vóór de zwangerschap. Nu waren wij wel even bang dat ons prinsesje ook even naar de tafel verderop zou lopen om de dame daar, ook redelijk op gewicht, even te wijzen op het wonder welke groeide in haar buik.

Gelukkig kwam op dat moment het glaasje appelsap en enkele chocolaatjes.

Koosnaampjes zijn het eigenlijk. Ik kan dat wel hebben, voel mij er niet op aangevallen. Toen ik nog een jonkje was en met autootjes speelde, was ik niet tevreden over de naam die mijn ouders ooit bedacht hadden. Vraag mij niet waarom maar ik wilde anders genoemd worden, namelijk:

‘Koos.’

Tot op de dag van vandaag heb ik nooit begrepen waarom ik ‘Koos’ genoemd wilde worden. En ik was ook niet beïnvloed door het begrip ‘koosnaam’. En het was ook niet het lied ‘Koos Werkeloos’ van Klein Orkest want dat was nog niet bedacht. Dat werd pas een hitje in 1983 en mijn Koos-zijn tijd speelde zich af eind jaren 60, begin ‘70.

Het geeft ook niks, het valt gewoon onder de categorie fantasie wat elk kind heeft.

Kijk maar naar die actie van mijn kleindochter die ik hierboven beschreven heb. En ik zal vast niet de enige zijn geweest die voor zichzelf een andere naam bedacht heeft. Toen ik wat ouder werd, kreeg ik wel een andere naam, maar dat was dan weer een koosnaam die bedacht was door mijn vriendjes.

‘Muis.’

Dat begreep ik dan weer wel. En iedereen om mij heen ook want de standaard werd ‘Muis’ en mijn roepnaam volgens het bevolkingsregister werd daardoor naar achteren gedreven. Zelfs mijn moeder noemde mij Muis. Ik heb haar zelfs een keer betrapt op het feit dat zij mijn echte naam niet meer wist. Inmiddels weet ze helemaal niet meer wie ik ben, maar dat heeft te maken met die verdomde ziekte, Alzheimer.

Gelukkig heb ik nog de goede herinneringen aan haar en tot op de dag van vandaag deel ik die graag!

Maar ook uit haar mond klonk de naam ‘Muis’ niet als vervelend, maar zag zij het als een koosnaampje voor haar jongste telg. Ze is overigens afgelopen vrijdag, Bevrijdingsdag, 94 jaar geworden. We vierden het in redelijke stilte om onrust bij haar te voorkomen. Want ze begrijpt het allemaal niet meer en ze is bezig haar laatste krachten te verbruiken.

Wij putten nog kracht uit de liefdevolle herinneringen terwijl Alzheimer haar onwetend maakt.

Mijn schoonvader, deze week 82 jaar geworden, noemt mij steeds Arján. Normaal gesproken erger ik mij daaraan, net zoals wanneer iemand zegt ín Terschelling te zitten in plaats van óp Terschelling. Onlangs kwam ik een naamgenoot tegen en die had dezelfde ergernis. Nadat we er samen een flink potje om gehuild hadden, voelde het ineens als gedeelde smart en opgelucht vervolgden we onze weg.

En heb ik het maar losgelaten.

Maar mijn schoonvader mag zich hierin vergissen, want ook hier komt het uit een goed hart. Want het is niet iedereen gegeven namen goed te onthouden. Als ik naar mijzelf kijk, blink ik uit in het verkeerd uitspreken van namen. Bijvoorbeeld de naam Sean-Lou. Ik zeg dan Sjanloe terwijl het zou moeten klinken als Jean-Lou. Meer ‘auf Frans’ zeg maar. Of als iemand Rob heet zeg ik steeds Harry. Zelfs de namen van mijn kinderen haal ik regelmatig door de war. Dan noem ik Youri Sven, Sven Sil, Bas Bas en Sil Sil.

Ja, bij de jongste en de bonuszoon gaat het altijd goed.

Ik heb ook een koosnaampje voor mijn vrouw. Eerst noemde ik haar Janet. Logisch, want zo heet ze. Maar sinds wij veel Scandinavische series kijken werd het ‘Janettesket’, een mond vol, maar waar het hart vol van is stroomt de mond van over. Inmiddels heb ik het liefkozend verkleind om het nóg aandoenlijker te maken:

‘Sket!’

Zij vindt dit leuk en werpt mij dan altijd haar liefste lach toe. Nu is het absoluut niet altijd rozengeur en maneschijn bij ons hoor. Nee, met enige regelmaat mopperen we op elkaar, maar is het huis niet te klein. En mopperen is ook helemaal niet erg, want in elke relatie moet er soms wat stoom afgeblazen worden, ooit prachtig bezongen in het lied ‘Als liefde zoveel jaar kan duren’ van Herman van Veen:

‘Maar al beheersen we het spel, een ding blijft toch altijd bestaan, de zoete oorlog van het minnen.’

Een van haar moppermomenten zijn wanneer ik, gezeten op de hoek van de bank, mijn rechtervoet omhoog zwiep en vervolgens laat neerkomen op de schoot van mijn geliefde, Janettesket. Waarom doe ik dat? Omdat ik het fijn vind dat ze over mijn voet wrijft, een fetisj van mij heb ik begrepen.

Zij noemt het vooral irritant.

Maar ach, ik ben wel háár sukkel!

Eigen schuld, dikke bult

Maar liefst 737 verkeersdoden waren er vorig jaar te betreuren. Ik schrok ervan. Zelfs 150 meer dan het jaar daarvoor. Mannen, vrouwen, jongens en meisjes die hun leven abrupt hebben zien eindigen terwijl ze nog zoveel wilden. Het is allemaal zo ontzettend zinloos, vooral omdat het vaak veroorzaakt wordt door hufterig rijgedrag. Ik denk dan: 

Al dat leed had toch voorkomen kunnen worden? 

Het roekeloos rijgedrag van sommigen, op de Rijkswegen, provinciale wegen en lokale wegen en straatjes lijkt niet uit te bannen. Mag ik 30 dan rij ik 60, mag ik 50 dan rij ik 70, mag ik 80 dan rij ik 110, mag ik 100 dan rij ik 130 en mag ik 120 dan rij ik 150. God voor ons allen en ieder voor zich: ‘Die maximumsnelheid geldt niet voor mij, wat denken ze wel niet.’ 

Met alle gevolgen van dien.  

Het hoeft niet, dit leed had in de meeste gevallen voorkomen kunnen worden. Maar daar gaan we pas over nadenken als het leed al geschied is. Of nee, we proberen van alles om het te voorkomen. Zoals bijvoorbeeld de maximumsnelheid naar beneden te schroeven. Maar dat stuit weer op enorm veel weerstand, dan stromen alle Social’s weer vol en wijst men naar anderen.  

Nooit naar zichzelf. 

Terwijl het voorkomen van ongelukken toch echt bij onszelf ligt! ‘Handhaven!’ hoor je dan, maar dat is niet te doen. Het kost te veel en ze krijgen de vacatures niet eens gevuld, een probleem momenteel op alle fronten. En als er dan al gehandhaafd zal worden maken de overtreders handig gebruik van allerlei tools om snelheidscontroles te ontwijken. Dus nee, handhaven wordt hem niet. Het is echt ons eigen gedrag waar het aan schort.  

Allemaal eigen schuld. 

Veilig Verkeer Nederland probeert nu de maximumsnelheid nog verder terug te dringen, dus 30 op 50 en 60 op 80 km wegen. Opnieuw gemopper alom. Op zich terecht, want al die bestuurders die zich wel netjes aan de regels houden, worden nu ook ‘gestraft’. Dankzij het asociale gedrag van enkele medeweggebruikers. 

Maar het zijn niet alleen de auto’s hoor. 

De fietsers maken er ook een potje van. Die negeren rode stoplichten, rijden zonder verlichting, steken de handen niet uit of fietsen tegendraads de rotondes op. Klopt als een zwerende vinger. Maar ze hebben wel een paar nadelen. Zo zitten zij niet in een stalen kooi die ze beschermen bij ongelukken, kou en regen. En ze hebben ook geen airbag op hun stuur, hooguit een bel.  

Mag je hopen. 

Dus je mag best als autobestuurder wat meer rekening met ze houden. En ja, natuurlijk moeten zij ook uit hun doppen kijken in plaats van op hun telefoon! Die telefoons, dat is trouwens wel een dingetje aan het worden hoor. Hoe vaak zie ik niet mensen op hun telefoon kijken terwijl ze de hond aan het uitlaten zijn. Of zoals laatst, toen zag ik een jonge moeder achter de kinderwagen. Een hand duwde de kinderwagen voort, de andere werd gebruikt om de telefoon vast te houden.  

Een oog voor het kind en de andere voor haar telefoon. 

Waarmee de beleving van het wandelen met je kind totaal ondergeschikt raakt aan het turen op het schermpje. Dit is nog onschuldig te noemen want ze zit natuurlijk niet in een auto. En de statistieken leren ons dat vrouwen veiliger rijden dan mannen. Het zijn meestal mannen die verongelukken. Dus de Heer in het Verkeer is wel degelijk de vrouw. Daar ben ik het niet helemaal mee eens want ik heb vaak genoeg vrouwen kunstjes zien flikken op de weg waar de honden geen brood van lusten.  

Maar ja, de statistieken hè, die wijzen toch op wat anders.  

En we maken onze eigen regels. Waardoor de Overheid zich genoodzaakt voelt om weer nieuwe regels te bedenken zodat wij onze eigen regels niet meer uit kunnen voeren.  

“En luister eens! Ik ben een Nederlander en ik bepaal zelf!”  

De Denen doen het anders. Daar spreken bijvoorbeeld fietsers elkaar aan als ze door oranje of rood rijden, maar dat aanspreken durven wij allang niet meer in ons verwende cultuurtje! En aan de andere kant, ze horen je toch niet want de meeste fietsers maken gebruik van koptelefoon of andere muziekdragers. Aan dat laatste maak ik mij trouwens ook schuldig maar ik geniet zo van muziek luisteren tijdens het fietsen. Het is dan echt mijn eigen schuld als het mis gaat. 

En Asociaal! 

Het is iets typisch Nederlands, dit gedrag. Deense automobilisten houden bijvoorbeeld veel meer rekening met de andere weggebruikers. En de Engelsen geven fietsers en wandelaars ook een hoge status. Zodra je daar als autobestuurder door een plas rijdt waardoor fietsers of wandelaars nat worden, riskeer je een boete van 100 tot 5000 pond.  

En drie strafpunten worden bijgeschreven op je rijbewijs! 

Daarom staat Groot-Brittannië ook in de top 3 van minste verkeersdoden van Europa, samen met Zweden en Denemarken. Dus het kan wél! Ik vraag mij dan wel af hoe ze dat dan handhaven, maar ik denk dat het gewoon te maken heeft met de instelling. Niet eigen regels (in jouw voordeel) maken, maar de bestaande regels respecteren. Dat lijkt logisch, maar wij denken daar toch anders over en dat zetten sommigen dan weg als ‘onze vrijheid.’ 

Die we juist daardoor tarten en aan het afbreken zijn.  

En daarmee maken we onszelf daders. Eigen schuld, dikke bult! Het is zinloos geweld in de hoogste categorie. Heel veel leed kan bespaard blijven door meer rekening te houden met elkaar in plaats van steeds maar weer te wijzen. Zie je fietsers of wandelaars, ben je bewust dat ze onverwachte manoeuvres kunnen uithalen. Het is zo simpel en het zou eigenlijk geen issue moeten zijn in dit land waar vrijheid hoog in het vaandel staat, vrijheid waar we de komende week weer bij stilstaan. Want de gevolgen veroorzaken levenslang verdriet voor de achterblijvers én levenslange trauma’s voor de veroorzakers.  

Ook als het niet je eigen schuld is. 

Het is ons eigen gedrag en niet alleen in het verkeer, we creëren zelf problemen.  

Het verstand biedt oplossingen. 

Best Dagboek

 

Best Dagboek,

Het was vandaag een leuke dag. Ik mocht vandaag kijken op het werk van mijn vrouw. Omdat zij daar al 40 jaar werkt. Ik ben heel trots op haar want 40 jaar is best lang. Mijn konijn is maar 7 jaar konijn geweest en mijn hond 12 jaar hond. Ik mocht mijn nieuwe schoenen aan. Ik moest wel op tijd komen. Gelukkig was ik op tijd want het waaide heel hard en ik moest de turbo aanzetten om door te kunnen fietsen. Gelukkig was mijn accu net opgeladen maar ik was wel een blokje kwijt toen ik bij het ziekenhuis kwam. Toen ik er was heb ik haar geappt en schreef zij terug: “Ik kom er aan.”

En ze kwam eraan, in haar witte schort.

Ook had ze paarse klompjes aan. Dat vond ik grappig. Ik moest achter haar aanlopen door een lange gang. Ze vertelde over de afdelingen. Er was een afdeling waar ze de binnenkant van je lichaam beter kunnen maken. Maar die snijden niet. Verderop was de snij afdeling. Daar zitten alle soorten dokters die snijden als dat moet.

“De keuken dus ook!” zei ik, want koks snijden ook.

Dat was dan weer niet zo en ze keek mij even narrig aan en zei dat ik niet teveel moest vragen. Toen gingen we een deur door en daar zaten allemaal vrouwen in witte schorten. Ze keken mij allemaal blij aan en ik wist niet hoe ik kijken moest. Sommigen hadden ook klompen aan. Er was ook een meisje en die noemde mijn vrouw ‘Mams’. Ik durfde toen toch wat te zeggen:

“Dan ben ik je Paps!”

Nu moest mijn vrouw ook lachen. Toen kwam er een dokter, ook een meisje en die gaf mij een hand en mijn vrouw een knuffel. Mijn vrouw praatte volop en ik keek ernaar. Toen ging er een deur open en daar zat ook een dokter en zij vond het ook leuk mij te zien. Ik zei ‘Hoi’ en verder niet zoveel want ik vond het wel heel veel aandacht. Maar ik vond het wel leuk want deze mensen helpen andere mensen. Toen vroeg een van de mevrouwen in witte jassen of ik wat te drinken wilde maar ik durfde niet ja te zeggen. Dat kon ook niet want ik had een droge keel.

Toen gingen we naar boven, met de trap want boven wonen ook mensen.

Daar zat ook collega’s van mijn vrouw. Voor de administratie. Er zaten drie mevrouwen en die keken nu ook naar mij. Eentje zei dat de Groningse Mosterdsoep die ik gisteren gemaakt had zo lekker was. Toen zei ik dat ik niks mocht zeggen maar toen zei zij dat het wel mocht want het was niet medisch. “Dat klopt,” zei ik opgelucht. Mijn vrouw zei dat ik geen droge worst in Groningse Mosterdsoep doe.

Ik zei toen dat ik niet van droge worst hield.

Toen moesten ze lachen en keek ik maar even snel naar buiten. Ze hebben een mooi uitzicht over de weilanden. Die zijn nog wel kaal maar straks niet meer. Mijn vrouw nam mij nu weer mee en we liepen langs allemaal kantoren. Vlak voordat we de trap naar beneden zouden nemen, zag ik een vrouw rennend naar de deur komen van haar kantoor. En nóg een mevrouw. Zij hadden geen witte schorten aan maar hadden hun mooie kleren aan. Zij gaven mij ook een hand en vonden het leuk mij te zien. Ik vond dat ook wel leuk maar ik mocht niet zoveel zeggen.

Daarom schrijf ik het nu allemaal op want ik ben daarvoor in behandeling.

Die ene mevrouw hoorde ik ineens ‘Terschelling’ zeggen en toen mocht ik wel iets zeggen. Want het was niet medisch. Zij had familie op West zei ze maar ik ken niet zoveel Westers. “Want ik kom van Midsland.”

Toen hebben we dag gezegd en heeft mijn vrouw mij naar de uitgang gebracht. Ik zei dat ik boodschappen ging doen voor het eten vanavond. Ik kreeg een kus en liep toen weer naar mijn fiets.

We gaan bietjes eten en zelfgemaakte hamburger, dat is mijn lievelings eten en het is een leuke dag geweest!

Niet van, maar aan de kook!

Met maar liefst zeven onvoldoendes bleef ik zitten in de 3e klas MAVO, of, om het maar even in een actueel daglicht te zetten, doubleerde ik in de 3e klas MAVO. Ondertussen weet ik wel wat doubleren betekent hoor maar toen ik mij midden in deze cijfercrisis bevond was toch dat ‘zitten blijven’ voor mij het meest duidelijkst. De redenen waren divers. Ten eerste was het natuurlijk mijn eigen schuld. Ik had het, na zes fantastische Lagere Schooljaren, totaal niet naar mijn zin op deze school. Het was voor mij een andere wereld, een wereld waar ik kennelijk nog niet aan toe was. Ik kwam met gasten uit andere dorpen in de klas te zitten en sommige leraren irriteerden mij omdat ze mij expres voor de klas lieten stuntelen of publiekelijk mijn cijfer voor een toets deelden met de rest van de klas:

“Veldhuizen, je hebt geen 1 maar een 2!”

Logisch dat mijn motivatie ver te zoeken was. Mijn schooltas gooide ik daarom na thuiskomst direct in een hoek van de bijkeuken om vervolgens weer snel naar buiten te rennen voor een potje voetbal. Of voor een potje rugby, op het veldje bij de oude Huishoudschool. Dat speelden we sinds buurmeisje Tamara op vakantie naar Canada was geweest en zij zo’n bal mee terug had genomen.

Dat vonden wij voetballertjes wel leuk zo’n ei van een bal.

Afijn, ik was klaar met deze strijd en in samenspraak met mijn ouders schreef ik mij in bij de Bakkerij- en Horecavakschool in Leeuwarden, met de bedoeling mij een vak te leren, het koks vak. Dat was een schot in de roos, fijne leraren waardoor zelfs de saaiste vakken ineens wel leuk werden en natuurlijk de praktijk lessen, daar smulde ik letterlijk van.

Vooral de banketbakkersroompoeder was verrukkeluk!

Naast het bakken van brood- en banket én bedienen werd ik klaargestoomd voor Kok. En tot op de dag van vandaag ben ik daar blij mee. Heel erg blij! Want naast het feit dat ik nu mijn eigen boontjes kan doppen, ja de humor ligt op de keukenvloer, kom ik er steeds meer achter dat koken eigenlijk een onderdeel van je opvoeding zou moeten. Betrek kinderen bij het kookproces want zodra jij het niet meer zou kunnen of omdat je geen zin hebt om te koken na een drukke werkdag, kun je altijd een beroep doen op het kroost. Belangrijk is wel dat de opvoeder een beetje koken kan natuurlijk anders nemen ze het een op een over en zal opnieuw een hele generatie niet lekker eten voorgeschoteld krijgen.

Je kinderen thuis betrekken bij het koken normaliseert het ook.

Maar ook de scholen kunnen hier een rol in spelen, op alle niveaus. Want stel je kan heel goed leren en er ligt je een mooie toekomst in het verschiet, ook jij moet eten. En laten we eerlijk zijn, elke dag eten bestellen gaat ook vervelen. Dus naast gym en tekenen moeten er minimaal twee uurtjes in de week besteed worden aan koken en vooral niet vergeten om het daarna gezellig met elkaar op te eten.

Noem het praktisch socialiseren.

Tijdens het koken leert men dan vanzelf de warenkennis en daarmee ook het respect voor het product. Dat zijn grote woorden maar dat doe ik expres omdat ik soms het gevoel krijg dat wij mensen denken dat alles in de supermarkten groeit en bloeit of uit potjes of andere verpakkingen komt. Want tegenwoordig is alles maar dan ook alles te koop, je kan het zo gek niet verzinnen. De producenten hebben een rijke fantasie en nemen je té vaak in de maling met hun verkooppraatjes. Kijk maar naar het consumentenprogramma ‘Keuringsdienst van Waarde’, die geven ons een kijkje in de keuken van de producenten. Zij laten zien hoe we bedonderd worden met zijn allen en velen trappen daarin.

Met boter en suiker!

En juist die suiker verneukt je in die kant en klare producten, suiker die er helemaal niet in hoort. Daarom is respect voor het ware product zo belangrijk en geeft het je zoveel meer voldoening. En daarmee heb je het eerste en belangrijkste ingrediënt al te pakken, namelijk een stukje liefde. Een ander belangrijk ingrediënt is tijd. Dat geldt natuurlijk voor alles in je leven voor het beste resultaat. Draai het argument ‘ik heb geen tijd’ om.

‘Tijd heb je niet, tijd maak je!’

Die zak met gesneden prei is makkelijk maar niets gaat boven het zelf snijden, het wassen én de geur van verse prei die daar vrij bij komt. Kijk maar eens goed naar gesneden prei in die plastic zakken, geur en kleur zijn nagenoeg weg en de snijrandjes uitgedroogd. En waar praat je over qua ‘tijdverlies?’

Tien minuutjes?

Zelf je eten bereiden en koken heeft alleen maar voordelen. Naast dat het gezonder is geeft het ook even een stukje dagbesteding en kun je het opleuken met even bijkletsen met de mensen om je heen of je zet even je favoriete muziek wat harder. Nog een voordeel is dat het je een stuk zelfstandiger maakt. Kijk maar eens naar het tv-programma ‘Lang leve de liefde’, waarin mensen van allerlei pluimage een of meerdere dagen met elkaar door moeten brengen. Naast de vaak gênante momenten zit er ook een kookhoekje in en dan blijkt nog vaak de oude rolverdeling tussen man en vrouw hetzelfde te zijn:

De vrouw kookt en de man heeft geen idee.

Afbakbroodjes bakken op de kookplaat is natuurlijk het meest grappige voorbeeld maar er zijn nog veel meer momenten geweest waar de man ontzettend stond te schutteren.

Of eigenlijk compleet voor lul stond.

Ook daarom zou elk mens moeten leren koken. Zodat je naast het voorkomen van een gênant optreden op televisie je ook kan redden na een scheiding. Want daar valt ook nog heel veel te winnen. Toen ik gescheiden was kookte ik elke dag voor mijzelf en at dat met smaak op, meestal tijdens het Journaal.

Koken geeft ook structuur.

En dat is heel belangrijk wanneer je leven even compleet in de war is!

‘t Kan verkeren

Nadat ik geboren was kreeg ik de achternaam van mijn vader. Hij ging enkele dagen na de geboorte naar het gemeentehuis om het kind aan te geven en dan hoefde hij alleen maar de voornaam(en) van de pasgeborene op te geven. De achternaam stond bij voorbaat al vast. Dat was toentertijd een soort vanzelfsprekendheid. Nu niet meer. Want alles is aan verandering onderhevig. De laatste jaren lijken, voor ons gevoel, de veranderingen met de dag toe te nemen en soms vallen ze haast niet meer bij te benen. 

Vooral de conservatief denkenden onder ons hebben daar erg veel moeite mee. 

Die proberen krampachtig tradities en gewoonten te behouden want dat zijn ze zo gewend, dat is vertrouwd en daar voelen ze zich veilig bij. Het liefst wil men terug naar vroeger, toen het leven nog goed én overzichtelijk was, althans, in hun beleving! Want vroeger was natuurlijk niet alles beter, het was hooguit wat overzichtelijker. Maar ja, ondertussen werd die oh zo boze wereld alsmaar groter. Grenzen vervaagden door het wereldwijde web en omdat de mens steeds meer vrije tijd werden we ook reislustiger.  

Voordat je het weet staan ze in je tuin omdat Amsterdam de drukte niet meer aan kan! 

Het is een hard gelag voor diegene die daar niet mee om kunnen gaan. Soms raakt men zó in de stress dat ze bedreigingen uiten aan het adres van de veranderaars, puur uit frustratie en opgezweept door onderbuik politici. Dat zagen we van de week weer nadat een aantal jeugdigen (ja, die de toekomst nog hebben) van het Laks tips gaven om de steeds meer diversere mens te duiden.  

Tips, ik herhaal ’t nog maar even.   

Juf Ank was haar tijd al ver vooruit: “Hallo allemaal, wat fijn dat je er bent!” Als ik jongeren aanspreek zeg ik altijd: “Hallo jongelui.” En voeg daar dan aan toe: “Met nadruk op lui!” En vervolgens krijg ik ‘m natuurlijk terug, bijvoorbeeld “Hallo ouwe lul.” Of zoals ze mij wel eens op het werk noemen “The old one.”  

Maar serieus, taal is ook onderhevig aan veranderingen. 

Neem alleen maar de straattaal die steeds meer vat krijgt op ons allemaal. Of kijk maar eens oude beelden terug van televisieprogramma’s, waar een ‘ouwe lul’ in pak met stropdas prachtige Nederlandse volzinnen uitspreekt die we tegenwoordig écht niet meer horen. Ze bestaan nog hoor, zo nu mogen ze weer even wat zeggen op de televisie zoals bijvoorbeeld A.F.Th van der Heijden, Maarten ’t Hart, Arthur Japin of Adriaan van Dis. 

En wees eerlijk, wie spreekt er tegenwoordig nog Oudnederlands? 

Maar we mogen voortaan de achternamen gebruiken van beide ouders/opvoeders, zowel van Pa en Ma, Ma en Ma of Pa en Pa. Nu wordt het een stuk duidelijker. Ik zou dan voortaan door het leven gaan als Arjen Veldhuizen-van Ma’s kant Smit. Ik vind het helemaal goed want dan hoef je ook niet meer te vragen: 

“Fan wa bist dyr yn?”  

Zoals we dat op Terschelling vroegen als je niet precies wist wie je voor je had. Klinkt best lekker moet ik zeggen maar het riekt wel naar kouwe kak. Maar goed, als we straks allemaal dubbele namen hebben valt die kouwe kak vanzelf weg. Over kakkers gesproken, dit soort mensen willen nog wel eens de suggestie wekken dik in de munten te zitten maar ook daar gaat een einde aan komen is mijn vermoeden. Er was natuurlijk al de zogenaamde ‘Balkenende-norm’, dat je als topfunctionaris niet meer mag verdienen dan een minister. En sinds kort werd het energie-plafond geïntroduceerd, ook iets nieuws om grenzen te stellen aan abnormale energieprijzen. Maar nou las ik van de week een column en daar hadden ze het over een nieuwe grens. 

Namelijk de Rijkdom-grens. 

Want er zijn een aantal mensen op deze Aardkloot die zo ontzettend veel geld hebben dat ze dat bij leven ‘never nooit’ meer op kunnen maken, inclusief al hun bloedjes van nageslacht en daar weer de bloedjes van. 

En zo nog wat afstammelingen. 

Dat is niet normaal. Dat is absurd, vooral omdat er zoveel ongelijkheid is op deze wereld. Ik ben daarom voorstander van die Rijkdom-grens. Van mij mogen ze net genoeg geld houden om redelijk zorgeloos te kunnen blijven leven. Dus dat ze gewoon kunnen blijven golven, al hun auto’s mogen houden, dat ze zich dagelijks mogen laten verwennen door op geldbeluste vrouwen of mannen van het kaliber: “Het was niet uit liefde, het was om je geld, je was niet mooi maar welgesteld” (Jaap Fischer-Om je geld) en genoeg om het personeel te blijven betalen. Laten we zeggen dat ze vijf miljoen per jaar mogen houden. 

Alles daarboven moeten ze inleveren. 

Want veranderingen gelden natuurlijk voor ons allemaal, niemand uitgezonderd. Al dat geld boven de streep kunnen we dan bijvoorbeeld gebruiken als pleisters voor stomme projecten. Zoals de Floriade bleek te zijn, die kwamen iets van honderd miljoen tekort in de begroting. Honderd miljoen weggegooid. Dat heeft niets te maken met wat er allemaal te zien is maar gewoon omdat het ouderwets is, oubollig. Vroeger trok het nog volle zalen omdat er niks anders te doen was. Iedereen werkte zich het apelazarus, van deeltijd had men nog nooit gehoord en men zag dit als opkikkertje in het best wel saaie leventje wat ze leidden.  

Gezellig, we gaan een dagje naar de Floriade.  

Veranderingen, het hoort er allemaal bij en ik merk dat ik ook steeds vaker veranderingen accepteer. Wat mij aanspreekt dan, ik laat me ook niet gek maken. Maar ik laat mij wel altijd goed informeren over de voors en tegens waardoor ik mijn mening, waar nodig, kan bijsturen. Klein voorbeeld is de manier waar ik muziek luister. Dat deed ik altijd via de radio en ik heb ook mijn favoriete Dj’s zoals bijvoorbeeld Rob Stenders. Want die draait goede muziek én heeft veel kennis van muziek.  

“Dat hoor je niet op Spotify!” riep ik dan in mijn betoog tegen deze streamingdienst. 

Inmiddels luister ik alleen nog maar muziek via Spotify en wissel dat af met ‘gewone’ radio. 

Want ja, ’t kan verkeren! 

 

Kwestie van geloven, geloof ik

Pasen blijft toch altijd maar weer een bijzonder feest. Bijzonder, want er wordt dan gevierd dat Jezus opgestaan is nadat hij gekruisigd was op Goede Vrijdag. Dat is een mooi verhaal en spreekt tot de verbeelding, vooral dat weer opstaan na de dood. Ik moet dan altijd weer denken aan mijn op 61 -jarige overleden Tante Riet. Tijdens haar ziekbed werd haar gevraagd of ze niet bang was voor de dood. Haar antwoord:  

“Ach.. Het zal er wel goed zijn want er is nog nooit iemand van teruggekomen.” 

Dit antwoord had voor mij, achteraf, een grote spirituele waarde want ze heeft natuurlijk gelijk.  Alleen nu het Paasverhaal weer actueel is ontstaat er toch weer enige twijfel want we vieren immers dat er iemand 2000 jaar geleden na gestorven te zijn, het toch maar even geflikt heeft om weer op te staan.  

Met alle respect, iedereen moet geloven waar men in wil geloven hoor!  

Ik geloof toch iets meer mijn lieve tante. Dat klinkt voor mij wat geloofwaardiger en ik kan mij zo ook even niet iemand herinneren die na zijn of haar dood, opstond en het leven weer oppakte. Ja, Jezus Christus natuurlijk maar hij was hier echt de eerste én de laatste in. Uiteindelijk ging Hij toch, gaf hij de Geest op Hemelvaartsdag, misschien wel omdat, ik citeer mijn tante weer, het er wel goed zal zijn. Met Pinksteren stortte Hij vervolgens de Heilige Geest uit over zijn volgelingen, de apostelen. Die vertelden hun belevenissen weer aan iedereen die het maar horen wilde in de hoop op een betere wereld. 

Helaas, regelmatig dwaalde men af van die boodschap. 

Hoeveel oorlogen of misbruikzaken hebben we inmiddels al achter de rug door het geloof, een veel gehoorde en terechte klacht naar mijn idee. Dat komt door haantjes en de macho’s die helaas nog steeds vrij rondlopen op deze wereld. En natuurlijk door het celibaat, het ontnemen van de liefde is naar mijn idee onmenselijk.  

Zo zijn we niet getrouwd. 

Maar goed, de enige zekerheid in het leven is dat je na je geboorte weet dat je ook weer zal sterven. In de tussentijd is het raadzaam om zoveel mogelijk te genieten en je niet te verliezen in haantjes- groeps- of machogedrag. Daar komt alleen maar ellende van. Dus ga naar een leuke wedstrijd maar houdt je aansteker in je zak. Of ga naar een leuke wedstrijd en doe niet mee aan spreekkoren zoals, bijvoorbeeld, het Spakenburgs Mannen (?)-koor zich schuldig aan maakte. 

‘En zondags in de kerk…zuinig een cent in het zakje doen… zo koopt hij zijn ziel terug en zijn fatsoen.’  

We hebben allemaal onze verhalen, verhalen over geliefden die gestorven zijn. Zeven jaar geleden werd mijn schoonmoeder plotseling opgenomen in het ziekenhuis. We hoopten op een goed herstel maar dat bleek valse hoop. Uiteindelijk zijn haar man en kinderen dagelijks bij haar gaan waken en wanneer ik kon waakte ik mee. Zo waren we getuige van de laatste uurtjes van haar leven en dat waren hele bijzondere uurtjes, minuten en seconden. De laatste ademhaling, eigenlijk meer een zucht van verlichting leek het wel.  

En dan het einde.  

Haar taak zat erop en ons restte enkel nog de herinneringen van een té vroeg gestorven mens. Te vroeg omdat ze zo van alles om haar heen kon genieten. Met verjaardagen was zij altijd als eerste aanwezig en ging als laatste weg. Dan stond mijn schoonvader al bij de deur met zijn jas aan maar dan ging zij ‘nog even de Libelle lezen.’ Wij zeggen regelmatig tegen elkaar dat ze zo genoten zou hebben van alles wat wij mee mogen maken in de jaren na haar dood. Hoe de kinderen, kleinkinderen ‘en achterkleinkinderen zich ontwikkelen, met ups-and-downs zoals het ons meestal allemaal vergaat. Helaas mocht zij dat niet meer meemaken en daarom zijn we haast aan haar verplicht om die herinneringen te koesteren, te delen met wie het ook maar horen wil opdat zij voortleeft op onze tijdlijn. Eigenlijk was dit ook een soort Heilige Geest die ze over ons heen gestort had. 

Ja, het klinkt allemaal best wat zweverig maar het is Pasen en dan mag het.   

Het besef dat we intenser moeten genieten van het leven komt vast ook doordat we ouder worden. Dan krijg je meer oog voor de werkelijkheid, dat niets vanzelfsprekend is en dat niemand van ons onsterfelijk is. Ik ervaar het als een verrijking dat mijn schoonmoeder in het bijzijn van haar geliefden én van twee verpleegkundigen die haar steeds met ontzettend veel liefde verzorgden, in alle rust kon sterven.   

En laten we eerlijk zijn, ergens in geloven is een groot goed. 

Het houdt je op de been, in goede en in slechte tijden. Er zijn ook mensen die geloven dat Feyenoord Landskampioen zal worden. En niet alleen de supporters maar je ziet het ook aan de spelers dat ze erin geloven. Daarmee heb je al een voorsprong op je tegenstanders want willen is kunnen, ook in de sportwereld. Maar zodra de frustraties Hand in Hand gaan zie je de eenheid in een team verdwijnen en kan het alle kanten op.  

Ik begin er, ondanks mijn Ajax hart, zelfs in te geloven! 

Maar dat zijn natuurlijk randverschijnselen. Want in de basis willen we natuurlijk allemaal het liefst geloven in een betere wereld. Steeds meer zie je dat men die betere wereld niet meer vindt in de religies omdat dat daar teveel extremen uit voortvloeien met alle schadelijke gevolgen van dien. Een deel van de mensheid zoekt het daarom in een andere, spirituele hoek maar daar zie je ook al extreme vormen ontstaan.  

En dan zie je ook nog een groep goedgelovigen maar daar geloof ik niet in. 

Vooral als men de deskundigheid van deskundigen in twijfel trekt. Want ‘kijk maar op YouTube’ of ‘Op Facebook’ is dan een veel gehoorde geloofsovertuiging. Dan ben ik weg want zo kan je alles wel ontkennen en wantrouwen. 

Mijn geloof is geloof houden in de mensen, iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen! 

Frohe Estern! Felis Pasku! Happy Easter! Glad Pâsk! Kellemes Húsvéti Ünnepeket! щасливого Великодня! Mutlu Paskalyalar! Wesołych Świąt Wielkanocnych!عيد ميلاد مجيد وسنة جديدة سعيدة! 

Fijne Paasdagen! 

Voorlichting geeft verlichting

De trainingen voor de Wandel-Run 2023, 8/9 september aanstaande, zijn voor ons weer begonnen. Ik mag hier wel aan toevoegen dat mijn best wel luie leventje nu weer voorbij is. De winterslaap ligt achter mij, de eerste tjiftjaf is gehoord en ik zal weer vaker buiten te vinden zijn. Ik ben zelfs alweer in de winkelstraten van onze stad geweest! Dat had ook te maken met het feit dat mijn vrouw en ik weer eens samen op zaterdag vrij waren. En omdat zij geen afspraak bij de kapper had of een uitje met vriendinnen.

We waren gezellig helemaal op ons zelluf aangewezen!

Nu behoor ik tot de groep mannen die niet erg enthousiast worden van een parade door een winkelstraat. Maar zo nu en dan laat je het geworden en volg je de dame die precies weet waar ze naar binnen wil. Zoals, niet geheel verrassend natuurlijk, een kledingzaak. Ze moest daar nog even een broek passen en ik mocht mee als keurmeester, kwestie van erin en eruit en dan weer door. Nogmaals, ik loop voor dit soort bezigheden niet over van enthousiasme over maar soms moet het gewoon even. Want liefde is geven en nemen zoals mijn ouders dat altijd zeggen.

Met recht want ze zijn dit jaar 65 jaar getrouwd.

Kennelijk had de winkel gerekend op mijn komst want de tafels waren reeds gedekt. Ik zag schaaltjes met paaseitjes en koekjes staan en even verderop zelfs schaaltjes met spekkies en andere zoetigheden. Vrouwlief ging haar ding doen en ik stelde mij strategisch op naast het tafeltje met spekkies. Nu was het een kwestie om niet te gaan graaien, ‘dat kan ik!’ riep ik hardop in mijn hoofd. Gewoon even netjes gedragen ten aanzien van de aanwezige dames zodat zij zich niet zouden storen aan mijn zoete lusten. Terwijl zij allemaal druk in de kledingrekken aan het plukken waren, wachtte ik mijn kans af, tot het moment dat ze allemaal even met de rug naar mij toegekeerd stonden.

Toen sloeg ik toe.

Ik stopte de twee spekkies snel in mijn mond en vervolgens trok ik mijn meest onschuldige smoel. Terwijl ik genoot van de zoete explosie in mijn mond liep vrouwlief voorbij met de bewuste broek. Ik volgde haar naar de paskamer zodat ik direct mijn oordeel kon vellen wanneer ze daarom zou vragen. Wel raakte ik een fractie van een seconde in de war want ze had naast de broek ook nog twee bloesjes in haar handen. Ik dacht ‘Hé? Ze moest toch alleen heen om een broek te passen? Maar dat was natuurlijk een naïeve gedachte van mij want de vrouw zit wat betreft kleding niet zo simplistisch in elkaar als een man.

Mannen zijn dat wel, met dank aan het simplistisch verbond, RIP Wim de Bie.

En gisteren, 1 april, was ze precies 40 jaar werkzaam bij het ziekenhuis dus wie ben ik om haar een extra bloesje te verbieden? Ik ben juist hartstikke trots op haar, vooral omdat ze nog steeds met ontzettend veel plezier naar haar werk toegaat én dat ook uitstraalt. Haar werk is niet haar hobby maar het komt wel verdacht dicht in de buurt.

Ik durf hier wel te zeggen dat zij de genen heeft van Florence Nightingale!

Dus prima meid, koop je zelf maar een mooi bloesje in de Week van het Geld, met als thema: ‘Bedwing de bling’. Want aan alle kanten proberen slimmeriken de jeugd te verleiden met kopen, kopen en kopen. En daarna weet je, mits je in die verleidingen getrapt bent, wat je de rest van je leven mag gaan doen:

‘Betalen, betalen, betalen’.

Goed dat ze daar al jong onderwijs in geven, hoe om te gaan met geld en dan vooral als je geen geld (genoeg) hebt. Ik werd daar als kind ook op voorbereid. Zo hadden wij vroeger een spaarpot met van die tandjes in de gleuf die zich direct weer sloten nadat je de muntjes erin gegooid had. En je had een spaarbankboekje. Het gespaarde geld bracht ik een keer per jaar met enige triomf naar de Boerenleenbank. Het spaarpotje werd in een geldtelmachine geleegd en vervolgens werd het bedrag met pen bijgeschreven in mijn spaarbankboekje door de meneer of mevrouw van de bank.

Daarna mocht je iets uitzoeken, stiften of een kleurboek.

Dat men op scholen de kinderen hierin onderwijst is naar mijn idee een goede zaak, ter ondersteuning van de ouders die natuurlijk ook nog in de verleidingen kunnen trappen. Zo kan jong en oud elkaar hierin vinden en er wellicht nog wat van leren. Vooral omdat geld heel vaak de grote boosdoener is van heel veel ellende in de wereld.

‘Make love, not war’ is een mooi statement.

Daarom is het ook weer raar dat er in de Week van de Lentekriebels een hoop heibel ontstond, uiteraard aangevoerd door het conservatieve hoekje in politiek Den Haag plus nog wat derderangs BN’ers. Deze stuurden allerlei onwaarheden over het lesmateriaal de wereld in om het onderbuikgevoel in ons land te voeden. Dit soort lui doen alles voor een beetje aandacht want politiek en cultureel zijn ze natuurlijk allang uit gescheten. Bang voor de liefde en bang om de grip op de vrouw kwijt te raken.

Maak je liever druk over al het geweld op deze wereld.

Ik kreeg thuis geen seksuele voorlichting. Ons ‘lesmateriaal’ was de Wehkamp en verder waren we overgeleverd aan de TUK en de Candy. Ja, een sneue tekortkoming met de wetenschap van nu. Gelukkig is seksuele voorlichting sinds 2012 verplicht voor het basis- voortgezet- en speciaal onderwijs. Voorlichting is juist heden ten dage nodig gezien de excessen om ons heen. De school is daar uitermate geschikt voor en het geeft handvatten aan de opvoeders zodat die niet in de kramp schieten als de bijtjes en de bloemetjes op tafel worden gegooid. Zodat we respectvol met elkaar om leren gaan en het grensoverschrijdend gedrag in ál haar vormen, zoveel mogelijk leren te beteugelen. Juist nu, in deze tijden waarin ieder individu zichzelf moet kunnen zijn.

Accepteren kun je leren, echt waar!

 

Draait altijd om de bal

Nadat januari en februari gepasseerd waren had ik even het idee dat het zou gaan ‘lentenen’ maar ik kwam daarin bedrogen uit. De maand maart had geen zin in lente taferelen en ik moest ineens weer ijs of sneeuw van de autoramen krabben. En als er dan even geen ijs of sneeuw was dan waaide het wel weer hard en sloeg de regen om mijn oren. ‘Maart roert zijn staart’. Ondanks de klimaatproblematiek wijken deze spreuken niet af van hun inhoud.

Ik werd met de dag chagrijniger.

Ondanks het bericht in de kranten dat wij Nederlanders bij de gelukkigste mensen op Aarde horen volgens een nieuwe ranking. We staan op plaats 5 en Finland staat eerste, voor de zesde keer op rij. Israël, IJsland en Denemarken moeten wij nog voor ons dulden maar wij zijn dan wel weer gelukkiger dan Zweden, Noorwegen, Zwitserland, Luxemburg en Nieuw-Zeeland in deze top 10.

Maar ondertussen blijft het kolere weer!

Ze hebben vast nog wel even getwijfeld over België, omdat iedereen daar lacht volgens Het Goede Doel. Maar dat bleek te gaan om een boer met kiespijn en daarom staan ze op plek 17, waardoor ik wel begrijpen kan dat het lachen hen vergaan is. Het lachen verging mij vorig weekend ook tijdens het kijken naar twee voetbalwedstrijden. Ik had mij er erg op verheugd want wij verbleven een weekendje bij mijn vader en nu konden we weer eens ouderwets samen voetbal kijken. Of dat misschien de reden was voor het leed wat mij te wachten stond weet ik niet maar er zat wel een luchtje aan. Want ik keek in het verleden ook met hem naar voetbalwedstrijden!

En dat liep niet altijd goed af.

Dat begon natuurlijk al tijdens de WK finale in 1974, Nederland- Duitsland. ‘Zijn we er toch ingetuind’ zei verslaggever Herman Kuiphof nadat ‘wij’ met 1-2 verloren, een opmerking die bij velen onder ons in het geheugen gegrift…wat zeg ik, gekerfd zit!

Of jaren later, 29 mei 1985.

We zaten klaar voor de finale van de Europacup 1 wedstrijd, Liverpool- Juventus. Ik was net afgezwaaid van militaire dienst en zat daardoor weer even thuis op het ouderlijk nest. We hadden de gordijnen gesloten vanwege het nog aanwezige avond zonlicht en we verheugden ons op een mooie pot voetbal.

Het werd een hele rare, bizarre avond.

Voor onze ogen voltrok zich het tragische ‘Heizeldrama’. Negenendertig mensen kwamen om het leven en honderden raakten gewond. Een traumatische ervaring kun je wel zeggen. De paniek op de tribunes, de angsten en de hulpeloosheid op de gezichten bij jong en oud, de rennende hulpverleners, mijn vader en ik die bij herhaling elkaars afgrijzen toonden.

En de wedstrijd werd ging daarna nog door ook…

Veel minder dramatisch en eigenlijk sportief gezien alleen maar ongemakkelijk, de WK voetbalfinale van 11 juli 2010, in Zuid-Afrika, Nederland- Spanje. Ook nu weer zat ik naast mijn Pa omdat het midden in de zomervakantie viel en ik daar vakantie vierde. Het was de derde keer dat we in de finale zaten van het WK voetbal waardoor de verwachtingen hoog waren.

Want, drie keer is scheepsrecht!

Nou, ook dat werd een teleurstelling, vooral omdat die keeper zijn dikke teen nog nét de nét niet lepe bal van Arjen Robben wist te beroeren. We waren weer een illusie armer en toen de Spanjaarden de Cup omhooghielden was de TV al uit. Want ook al speelt ons Oranje sprankelend en vernieuwend, je wint er geen WK mee. Hooguit een EK maar die finale keek ik in Den Haag.

En ja, toen wonnen we wél!

Afijn, vorige week zondag zat ik dus weer naast Pa en verheugden we ons op Ajax-Feyenoord, het Hoofdgerecht van deze voetbalzondag. Maar we namen eerst een voorgerecht, FC Groningen – Heerenveen. Toen we eraan begonnen werden we verrast door de aangename smaak nadat alle FC-supporters hun liefde voor de club toonden met sjaaltjes die ze boven hun hoofd hielden.

Ongeacht de stand! Scandeerden ze in koor.

Prachtig. Ik ging er eens goed voor zitten en Pa zette een schaaltje TV pastilles op tafel, die kleine 2-kleurige salmiaksnoepjes van vroeger. Hierdoor werd ik ook weer teruggeworpen in de tijd toen ik als kleine jongen deze snoepjes kocht. Nooit geweten dat ze zo heten, vraag mijzelf af of er toen al televisies waren! Maar goed, Groningen begon leuk maar eindigde dramatisch. We keken er met open mond naar en zagen het ongeloof bij iedereen op de tribunes, op een paar randdebielen na dan want die wisten de aandacht weer op zichzelf te vestigen.

Wellicht is een IQ test of een vof-verklaring een manier om idioten te weren uit de stadions?

“En misschien ook al dat geestverruimende spul die men nodig denkt te hebben om te leven als mens. Scheelt het Waterschap een hoop werk om die rommel uit het grondwater te filteren.” Terwijl ik dat tegen mijn vader zei propte ik nog een handje tv-pastilles naar binnen waarna ik even een vleug misselijkheid voelde.

En toen kwam het Hoofdgerecht!

Zowel mijn vader als ik zijn liefhebbers van Ajax, net als onze jongens. Mijn broer en zijn zoon zijn voor Feyenoord waardoor het altijd leuk inwrijven is, wij wat vaker hen dat zij ons maar dat snapt iedereen. De zoon van mijn broer was al via WhatsApp mijn vader aan het jennen maar daar lachten wij om. Maar dat lachen verging ons met het verlopen van de wedstrijd en het werd stiller en stiller in de huiskamer.

Enkele uren later stonden wij weer in Harlingen.

Mijn broer stond er ook want we hadden afgesproken op de parkeerplaats. Ik had namelijk de (speelgoed)garage in mijn auto liggen die mijn vader precies 63 jaar geleden gemaakt had voor hem, zijn eerste zoon. Nadat alle kleinkinderen ermee gespeeld hadden was het nu de beurt aan de achterkleinkinderen.

Broer was uitermate vrolijk maar hield zich in. Ik twijfelde: komen al die verliespartijen bij mijn ouders nou door een complot of voetbalt Feyenoord momenteel gewoon veel beter?

Mijn verstand hield het bij het laatste en ach, ‘ze’ mogen ook wel weer eens een keer winnen!

 

 

Kledingvoorschriften

Je ziet ze steeds vaker. Te dikke mannen in jogging- of trainingsbroeken, met als kers op de taart een hoodie en een baseballpet als toefje op de kop. En dan zijn ze ook nog eens ‘op leeftijd’, zo tussen de 50 en 65 jaar.

Zelf benader ik aardig de werkelijkheid van deze beschrijving.

Want de laatste jaren droeg ik vaker een trainings- of joggingbroek dan een normale broek. En dat was niet omdat ik de hele dag aan het sporten was maar puur vanwege het draaggemak. Nu zijn het wel tijden dat het over het algemeen geaccepteerd wordt om er zo bij te lopen. Dat was in de jaren ’50 wel anders. Toen liep men er driedelig bij, inclusief stropdas. In de jaren ’60 werd het al wat losser en wat ruiger. Of ze stonden in hun blote kont. En in de jaren ’70 kregen we kleur in ons leven, zoals bijvoorbeeld oranje, rood, bruin, groen, gifgroen, geel, blauw, paars en alle kleuren die daar weer enigszins van afgeleid waren. Het vloekte erover maar wat zou het, we werden steeds mode bewuster en liepen er kleurrijker bij dan de gemiddelde regenboog.

Inclusief de wijde pijpen en enorme puntkragen.

Leeftijd is wat mij betreft verbonden aan kleding. Er is kleding die ik niet meer zou dragen omdat ik daar te oud voor ben. Als er in mijn spijkerbroek een scheur zit dan gooi ik hem weg. Een jongere zal de broek blijven dragen omdat het bij hem of haar wel staat. Sterker nog, men betaalt zelfs voor die ‘scheur-broeken’! Je zou dan denken dat ze dan korting krijgen want ja, de broek is kapot maar daar denken de verkopers toch echt anders over.

En toch vond ik het ook wel weer grappig, deze trend.

Want toen ik nog jong en fruitig was ontstond er ook wel eens een scheur in de broek maar daar wist mijn moeder dan toch weer iets van te maken: de scheur werd afgedicht met een knie- of ellebooglap of er werd een soort van embleempje overheen genaaid of gestreken. Daarna kon de broek gewoon weer een tijdje mee, totdat de stiksels los gingen laten. Dan hing zo’n lap er maar een beetje bij en dat was erger dan die scheur.

En om het af te maken, de sokken.

De sokken die wij thuis droegen in onze vroege jeugdjaren waren sokken van Oma. Zij breidde er lustig op los. Als ze klaar waren dan stuurde ze die per post op, inclusief een paar dubbeltjes die strak opgevouwen in een stukje papier verstopt zaten tussen de sokken. De sokken waren vaak twee, soms zelfs driekleurig omdat Oma gewoon de bolletjes wol opmaakte want weggooien deed men toen niet. Eigenlijk waren dit al de voorlopers van de ‘Happy Socks’ die we tegenwoordig wel kennen.

Ook sokken zijn onderhevig aan leeftijd is mijn mening.

Toevallig vond ik afgelopen jaar een stel van die vrolijke sokken in een kerstpakket maar ik gaf ze gauw weg. Op mijn leeftijd draag je geen happy sokken meer, dat laat ik over aan de jongeren. Toen ikzelf nog jong was droegen wij witte sportsokken. En dan het liefst sportsokken waar het sportmerkje op stond. Maar op een gegeven moment raakte dat weer uit de mode en hoorde ik nog wel eens van de dames in mijn omgeving zeggen dat witte sokken toch echt niet meer kunnen. Net zoals die onderbroeken, die zogenaamde ‘ballenknijpers’, tegenwoordig herenslips genoemd. Wij mannen moesten boxershorts gaan dragen, dan hoorde je erbij.

Daar was ik dan wel weer gevoelig voor en sindsdien ben ik een verwoed boxer drager.

Maar in mijn sokkenlade liggen voornamelijk grijze, dikke (wandel) sokken. Met daarop geborduurd de R van rechts en de L van links zodat ik mooi recht vooruit kan blijven lopen. Dit is natuurlijk een grapje. Ik heb daar echt niet om gevraagd maar de verkoper van deze sokken denkt kennelijk dat het waar is omdat de fabrikant dat erbij gefantaseerd heeft.

Pardon, volgens onderzoek bewezen is.

Zo zijn er nog wel meer producten op deze wereld die wij, consumenten, waarvan wij enige lariekoek moeten slikken. Het hoort erbij. Maar happy sokken hoef ik dus niet. Menigeen zou mij nu wel een saaie ouwe lul vinden en dat kan ik wat dit betreft alleen maar bevestigen. Terwijl ik toch heel vrolijk kan worden van gezellige kekke kleding bij anderen. Zoals mijn kapper. Die had een trui met gaten aan maar dat stond hem gewoon, niks mis mee.

Net zoals hij beleefd moest lachen toen ik hem wees op die gaten.

Eenvoud is voor mij gewoon lekker veilig. Zou hou ik van blauw, grijs, zwart, bruin en groen. En dan het liefst de donkere varianten van deze kleuren. Zomers wil ik daar nog wel eens iets wits of roze aan toevoegen maar daar blijft het dan ook wel bij. Maar die trainings- en joggingbroeken begonnen mij dwars te zitten. Ik train niet en loop ook niet hard dus dit soort kleding slaat als een tang op een varken.

Daarom moest er wat gebeuren wil ik nog serieus genomen worden.

En toen stuitte ik op een reclame van makkelijk zittende broeken die eruitzagen als een nette broek maar zitten als een trainings-of joggingbroek. Op een mooie dag kocht ik zo’n broek en ja, er ging een wereld voor mij open en ik liep er ineens weer netjes bij!

Als een Heer van Stand al zeg ik het zelf.

Ik vind dat belangrijk. Vooral omdat ik met rasse schreden de 60-jarige leeftijd aan het benaderen ben. Nu weet ik ook wel dat dit het nieuwe 50 is maar toch is het wel even een dingetje. Vooral lichamelijk. Alles gaat wat stroever, het lijf wordt wat strammer. Zo zaten mijn vrouw en ik zaten laatst wat te mijmeren, over ouder worden…

Mijn vrouw: ”Jan wordt al 70! En wij volgend jaar 60…Ik merk dat al echt, daar hoef je niet hoog of laag voor te springen.”

Mijn antwoord: “Nee, inderdaad. Dat hoog-of laagspringen lukt me inderdaad niet meer!”

Een pronkjuweel met gouden rand

Elke keer verbaas ik mij er weer over wat die politici toch steeds in die praatprogramma’s te zoeken hebben. Dan denk ik bij mijzelf: moeten jullie niet gewoon bezig zijn met het land regeren of de regerende macht controleren? Vooral als ik ze hoor zeggen dat ze een kleine partij zijn en dat het daardoor onmogelijk is om al die dossiers door te spitten om je goed voor te bereiden op een debat. Dan denk ik, als eenvoudige ziel, sinds afgelopen week vallend in de grootste sociale groep van Nederland, de werkende middengroep:

“Dan moet je misschien niet steeds meewerken aan programma’s zoals Op1, Khalid & Sophie of Jinek.

Of erger, in de roddelhoek zoals Vandaag Inside, Shownieuws of RTL Boulevard verschijnen. Als je dan zo graag je zegje wil doen doe dat dan in de Tweede Kamer waarvoor je betaald wordt. Of kies, als je dan toch met je neus op de TV wil, voor een serieus programma zoals Nieuwsuur, WNL op Zondag of Buitenhof, waar de inhoud belangrijker is dan het poppetje.

Dan hoef je ook niet mee te praten over de ‘Waan van de Dag’.

Over bijvoorbeeld BN’ers die hun partner molesteren of een weduwe die naar de rechter stapt omdat ze eruitziet als een gecremeerde kroket of een DJ die last heeft van jeuk in haar vooronder. Over dat laatste, ik krijg al jeuk van het feit dat ik toch op de één of andere manier op de hoogte ben van al deze berichtjes. Ik wil daar niets van weten en toch weet ik het, dat ergert mij! Het moet toch niet zo zijn dat dit soort berichten de boventoon gaan voeren in het Nieuws?

Ik kan er maar geen vinger achter krijgen waarom we wel die kant opgaan…

Maar dat komt natuurlijk omdat ze mij in die werkende middengroep gestopt hebben! Als je tot die categorie behoort dan ben je ‘gemiddeld’ opgeleid volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau, zo was afgelopen week te lezen in de opgefriste sociale klassen indeling. Ook scoort deze ‘midden’ groep in veel dingen gemiddeld: zo woont deze groep met gezin in een koopwoning, hebben ze meestal een vast contract en kennen ze relatief weinig mensen op invloedrijke posities die als een soort kruiwagen voor ze kunnen werken.

Nee, wij duwen onze kruiwagen zelf wel.

En dat kunnen we ook want we lopen er niet voor weg. Daarom geven we volgens het SCP het leven een 7,5 als cijfer, ook weer zo’n gemiddeld cijfer naar mijn bescheiden mening terwijl ik als scholier altijd al tevreden was met een zesje.

Maar het is weer verkiezingstijd, vandaar die drukte op de beeldbuis.

Aanstaande woensdag mogen we weer gebruik maken van ons stemrecht. Voor de Provinciale Staten Verkiezingen én de Waterschappen. Ik was er in het verleden nooit zo bewust van in welke provincie ik woonde. Het eerste deel van mijn leven bracht ik door op Terschelling waarvan ze zeggen dat het bij Friesland hoort maar daar hadden de meeste eilanders andere gedachten over. Ik was mij wel heel bewust dat ik op een eiland woonde, dat was bepalend. En Friesland was Nederland of zoals wij dat noemden op het eiland:

‘De Wal.’

Het tweede deel van mijn leven bracht ik door in Zuid-Holland maar ook daar had ik geen provincie-gevoelens. Ik woonde gewoon in Den Haag, mooie stad achter de duinen. En sinds enkele jaren ben ik begonnen aan het derde deel van mijn leven.

In Groningen.

En daar ben ik mij dan wél erg bewust van, dat ik in de provincie Groningen mag wonen. In de loop der jaren is dat bewustzijn gegroeid. Het valt mij namelijk op hoe trots de Groningers zijn op hun provincie. Haast elk huis heeft wel de Groningse vlag hangen en dat had ik in Zuid-Holland nog niet gezien. En men is trots op de taal! Naar mijn idee spreekt iedereen hier Gronings maar zodra ze horen dat je deze taal niet machtig bent, schakelt men direct over naar het Nederlands. Ook dat is weer te prijzen. Inmiddels kan ik het verstaan en moedig de andere dan ook aan om vooral door te blijven praten in het Gronings. Mocht ik iets niet begrijpen dan geef ik dat wel aan:

“Spoel effe terug, dat laatste begreep ik even niet.”

Deze trots op de eigen provincie zal vast ook wel te maken hebben én versterkt worden door hoe men behandeld is de afgelopen jaren. Want dat verdient geen schoonheidsprijs kunnen we wel stellen, onlangs (opnieuw) bevestigd door de parlementaire enquête ‘Groningers boven gas’. Maar ik denk ook dat de Groningers zich steeds meer realiseren dat het hier in de provincie zo gek nog niet is. Neem bijvoorbeeld de files. Die komen wel eens voor en dan met name bij Stad Groningen. Logisch, want daar ligt momenteel de hele infrastructuur op de schop:

‘t Mout eerst mal wezen veur dat t schier wordt’.

En dan de ruimte die hier (nog) is. De vergezichten lijken oneindig en geven je het gevoel van enorme vrijheid. En zodra de lente zich meldt kleuren de akkers weer frisgroen en genieten we van wuivende tarwevelden, soms onder een laagje dauw en schilderachtig wanneer het gewas beschenen wordt door de opkomende zon.

De bloeiende koolzaadvelden maken het compleet, het gouden randje!

Maar de Groninger zelf geeft mij ook een goed gevoel. Ze hebben hier nog aandacht voor elkaar, luisteren goed, zijn niet stug maar nuchter. Uiteraard niet allemaal, zo naïef ben ik nu ook weer niet. Wellicht komt dat doordat ik vergelijkingsmateriaal heb weten te vergaren in de loop der jaren, in hoeverre je van iets zoals een dorp, stad, provincie, eiland of land kan gaan houden. Maar ik voel mij thuis in Groningen, net zoals ik dat deed op Terschelling waar overigens ook trots gevlagd wordt met de Terschellinger vlag. Ik zal mijn liefde voor Groningen dan ook in het stemhokje laten blijken.

Alleen zal ik ook wat dat betreft weer gemiddeld stemmen.

Nuchter, als een echte Groninger:

‘Ain Pronkjewail in golden raand
is Stad en Ommelaand!’

 

Het zou verboden moeten worden!

Het Engelse voedingscentrum liet er begin dit jaar al een proefballonnetje over los, het verbieden van gebak of taart op de werkvloer. Dat werd natuurlijk direct weer opgepikt door alle zure mensen die we tegenwoordig steeds vaker tegenkomen, de beroepszeikers zeg maar. 

Vooral te vinden op de ‘Socials’.  

Social media betekent ‘in verband staan met de samenleving’ maar steeds vaker vraag ik mij af of dat nog wel klopt. Ik zie juist dat mensen zich steeds meer afscheiden van die samenleving door hun gedrag op de Socials. Terwijl de bedoeling van de ‘Socials’ verbinding zou moeten zijn zorgt een aantal mensen steeds vaker voor ontbinding. Soms zelfs ‘in verre staat van ontbinding’! En dat is jammer want wij mensen hebben elkaar nodig, in goede en ik kwade tijden. 

Maar goed, ik ben voorstander van het Taartverbod. 

Zelf was ik lang geleden al gestopt met uitdelen op het werk. De reden om te stoppen met uitdelen was de reactie van de collega’s. Ik was jarig en had echte cake gehaald bij de echte, warme bakker. Dus geen fabrieksrommel waar je het zuur van krijgt maar kwaliteit met de Grote K. Ik had mooie, niet te dunne plakken gesneden en deze dakpansgewijs op een schaal gelegd, op een paar uitgevouwen servetten. Vervolgens had ik de schaal in de kantine op de tafel gezet zodat iedereen bij binnenkomst een plak cake kon pakken. Ik weet niet of het lag aan de functie van de heren die als eerste binnenkwamen, dat waren namelijk de koks, maar de opmerking die volgde was duidelijk: 

“Cake? Wie is er overleden?”  

Dat was één reden maar ik heb er nog meer. Een andere reden is omdat het allemaal té lekker is! Wat mij betreft mogen ze het allemaal verbieden, niet alleen op de werkvloer maar ook in de privésfeer. Alles! Gebakjes, taartjes, koekjes, chocolaatjes. Plus de zure matten, Winegums, banaantjes en Tumtummetjes. Daarbij heb ik een vrouw die graag zelf van alles bakt of ze haalt het in huis en dat is de kat op het spek binden in mijn ogen. Want zodra het dan op het aanrecht staat of in een van de vele opbergdoosjes zit, val ik aan. Dan pak ik mijn momenten. Soms in tijgersluipgang zodat zij het niet hoort als ze even naar boven is of soms heel brutaal, voor haar neus. Dan pak in niet één chocolaatje maar twee en dat snapt ze dan niet: “Je kan toch gewoon één chocolaatje pakken?”  

“Op een been kan je niet lopen!” is dan steevast mijn antwoord. 

Daarbij ben ik sinds de Roald Dahl zijn boeken gecensureerd worden door de wokie’s niet meer dik maar enorm. Persoonlijk ben ik liever dik dan enorm. Want als ik dan ergens binnenkom is er geen ruimte voor anderen en ik gun juist iedereen de ruimte. En als je enorm bent dan is één chocolaatje natuurlijk een lachertje, daar moet ik dan weer enorm om lachen. Daarnaast doe ik het ook op medische gronden. Het gaat puur om het op peil houden van dat ene stofje in mijn hoofd, dopamine. 

Ik ga dan voor dat ene geluksmomentje. 

Dat stofje, dopamine, is namelijk een handig onderdeeltje in ons hoofd. Het zorgt ervoor dat alle zenuwcellen goed met elkaar kunnen communiceren. Om precies te zijn geeft het boodschappen door voor beweging, aandacht, stemming, motivatie én genot. Net als mijn slimme horloge dat aangeeft wanneer ik weer eens in beweging moet komen. 

En het stimuleert je empathisch vermogen lees ik. 

Dat verklaart een hoop. Mensen die geen empathisch vermogen in hun donder hebben genieten dus niet echt van het leven. Die lopen de hele dag te mopperen op alles en iedereen en vergeten daardoor te leven. Of ze gaan dan boeken lezen om te controleren of de woorden die de schrijver of schrijfster geschreven heeft, ontsproten uit zijn of haar brein, niet schadelijk zijn voor anderen of aanstoot geven tot. Nou, als ik soms de reacties zie op het sociale media platform dan zie ik daar pas écht serieuze kansen voor deze ‘sensitivity readers’. Want normaal reageren lukt haast niet meer lijkt het wel, daar lusten de honden geen brood van! Plus de bedreigingen die er geuit worden, uiteraard verscholen achter een nep- naam of nep- account.  

Sneu. 

In vroegere jaren had ik geen last van zoete trek. Toen rookte ik nog en waren alle adertjes naar het dopamine hoekje in mijn hoofd zó verstopt dat ik niet in de verleiding kwam. Mijn dopamine werd indertijd volledig beziggehouden door de verslavende stofjes in mijn shag waardoor er geen plaats was voor de suikerverslaving. Ik kon toen ook nog met mijn kinderen, zonder te kwijlen, kijken naar ‘De Taarten van Abel’, het tv-programma waarin kinderen, aangestuurd door Bakker Abel, de prachtigste taartcreaties maken voor iemand die ze liefhebben of iemand waarmee ze iets goed willen maken.  

En ondertussen voeren ze een openhartig gesprek met Bakker Abel over van alles en nog wat. 

Die taarten zijn te gruwelijk zo lekker voor zoetekauwen zoals ik. Het zoete spat van het scherm af. Als ik dan kijk dan loopt het water mij uit de mond en heb ik een kwijldoekje nodig om mijn kleding te beschermen.  

En om soms om mijn ogen te drogen als het gesprek weer te veel emoties opwekt. 

Ik ben wel voor een verbod op suiker in producten die daar eigenlijk niet in horen. Zoals bijvoorbeeld in de bekende potjes met groenten zoals boontjes. Of in alle ontbijtproducten of pakjes drinken voor de kinderen die suggereren gezond te zijn maar vol zitten met suiker.  

Het zou verboden moeten worden.  

En tevens zouden alle Patissiers ontslagen moeten worden uit hun functie, inclusief alle banketbakkers en presentatoren van Heel Holland Bakt zoals Janny en Robért. Oh ja, en we schaffen Sinterklaas, Halloween, de Paashaas en Sint-Maarten ook af! De rest van ons leven teren we dan wel op water en brood, die we zo nu en dan beleggen met vegetarische kaas of genderneutrale pindakaas.  

Eén uitzondering mag wel blijven: 

De Taarten van Abel met zijn kroost. 

 

Het hangt aan de muur en het….burlt!

Als wij eten worden wij bekeken door een hert. Een edelhert om precies te zijn. Deze ingelijste afbeelding hebben wij daags voor de kerstdagen aangeschaft omdat er nog niks aan de muur hing bij de eettafel.

Het gaat om een mannelijke versie.

Zo een met een enorme, stoere en robuuste kop, met een soort van melancholieke, donkergele ogen die je aanstaren boven een zwarte neus en een beetje scheefstaande snuit, rechtopstaande oren en daarboven een enorm gewei. Vrouwlief had dit stilleven aangeschaft omdat ze het zo mooi vond. Niet het mannelijke, stoere en robuuste wat je zou verwachten maar de combinatie met de kleuren die erin verwerkt zijn. Want het is niet zomaar een edelhert zoals wij die in het wild wel eens tegenkomen tijdens een fietstochtje. Of die we wel eens horen brullen als hun hormonen op hol zijn geslagen.

Nee, dit is een heel bijzonder exemplaar!

Dit hert heeft allerlei bloemen in zijn gewei hangen en er vliegt een kolibrie tussen die zich lijkt te willen laven aan de nectar van een anjer of de pioenrozen. En tussen al deze pracht en praal vliegen ook nog enkele vlinders. Dit speelt zich allemaal af aan onze muur bij de eettafel, wanneer wij aan de dis zitten. Bijvoorbeeld als we rodekool, gestoofde peertjes, kastanje puree en wildragout eten.

Mijn vrouw zei van de week wel klaar te zijn met dat hert maar voorlopig blijft hij hangen.

Op zich is het niet raar om iets aan de muur te hangen. Wij mensen hangen al eeuwenlang van alles aan de muren. Ooit begonnen we met grottekeningen en later werden dat schilderijen. Soms werden er ook huiden of tapijten aan de muren gehangen maar dat was meer voor de isolatie, niet voor het kijkplezier.

Toen kwamen de schilderijen bij gebrek aan rots muren.

Een lerares kunstgeschiedenis heeft mij ooit eens geleerd dat schilderijen ons veel kunnen vertellen. Vooral de ouwe meuk zeg maar. Dan zag je bijvoorbeeld op een schilderij een vrouw aan tafel zitten en op de achtergrond hing een schilderij aan de muur waarop een schip in zware storm afgebeeld stond. Daarmee zou verteld kunnen zijn dat er sprake geweest was van een buitenechtelijke relatie. Een soort Linda de Mol versus Jeroen Rietbergen om het maar even naar het heden te trekken. En ja, er was nog geen televisie en zo had je toch nog iets om naar te staren of over te roddelen.

Of je keek naar buiten, naar de edelherten die nog vrij om het huis liepen.

In mijn jeugd hing ik ook van alles aan de muren van mijn slaapkamer. Als jochie waren dat mijn tekeningen van de Smit Internationale sleepboten of foto’s van straaljagers. Toen ik weer wat ouder werd kwamen de posters van popgroepen zoals bijvoorbeeld Mud, Golden Earring, INXS, Queen, The Sweet, David Bowie, Cheap Trick, ACDC, The Police, Toto, Deep Purple en Kate Bush op de muren. En de trots van mijn hele teken carrière, een tekening op posterformaat van Freddy Mercury. Ik was namelijk niet zo’n hele goeie tekenaar maar dankzij Meester Neef’s tekenlessen op de MAVO kreeg ik het toch voor elkaar!

Tekenen met behulp van rasters was de techniek erachter.

Maar er hing nog meer bij mij aan de muren in de slaapkamer, namelijk posters van televisie series zoals M.A.S.H en Doctor Who die toen erg populair waren. M.A.S.H ging over een mobiel veldhospitaal in de Korea-oorlog, begin jaren ’50 en was, ondanks de keiharde realiteit van de oorlog, erg komisch. Het nummer ‘Suicide is Painless’ is legendarisch en tot enkele jaren terug nog te vinden in de Top 2000. Doctor Who was sciencefiction en dat sprak mij en vele generatiegenoten tot de verbeelding. Hij was een tijdreiziger en maakte gebruik van de TARDIS, een tijdmachine. In de serie die wij toen keken had de doctor (the Fourth Doctor, Tom Baker om precies te zijn) een lange, kleurrijke sjaal om en de ware fan had ook zo’n sjaal. Ik en vele (6e Klas) klasgenoten waren fan.

De kleuren van mij sjaal waren: oranje/zwart.

Als twintiger maakte ik in militaire dienst kennis met het fenomeen ‘pornolat’. Zo werd de strip genoemd op het beperkt stukje muur van mijn kamer in de kazerne. Ik deelde de kamer met nog drie andere dienstplichtigen en elk had zijn eigen stukje muur, bed en kledingkast. Mijn kamergenoten, alle drie uit het Oosten des lands, rookten zware shag en spoelden dat weg met veel bier uit eigen contreien, onder begeleiding van metal-muziek.  Zij maakten alle drie flink gebruik van de pornolat dus inspiratie genoeg. Waarschijnlijk was het iets te veel van het goede en had ik maar twee posters hangen, Kim Wild en een poster van een biermerk.

Dat bier wat ze nog steeds verkopen in Rusland.

Mijn kinderen mochten hun geschilderde meesterwerken op canvas ook ophangen. Niet alleen in hun slaapkamers maar ook in de woonkamer. Ik had toen een kunstlat, wellicht ooit geïnspireerd door de pornolat, langs de gehele woonkamermuur gemonteerd zodat de mannen daar hun creaties aan konden bevestigen. Niet dat het fantastisch mooie kunstwerken waren maar neem maar eens een modern kunstwerk onder de loep waar volwassenen heel veel geld voor neerleggen. Hoe vaak hoor je dan niet:

“Dat kan mijn zoontje van vier ook!”

Wij hebben dus een edelhert aan de muur hangen, bij de eettafel. In de woonkamer hebben we een nog bredere muur maar die is nog helemaal maagdelijk van prachtig werk van de stukadoor. Persoonlijk geniet ik enorm van zo’n strakke muur maar ik begrijp wel dat daar ook wat aan opgehangen mag worden. Samen zijn we daar al een flinke tijd over aan het nadenken maar zijn er nog niet over uit. Soms zien we iets op televisie of in een blad voorbijkomen maar komen er niet uit. Dat mag ook best, we hebben geen haast en de muren hebben geduld.

En eigenlijk hebben wij dat zelf ook wel. Over één ding zijn wij het eens:

Er komt geen boeddha afbeelding te hangen!

Communicatie in al haar facetten

Briefjes. Bij ons thuis ligt standaard een schrijfblokje op het aanrecht waarop wij een en ander opschrijven. Bijvoorbeeld de nodige boodschappen: pindakaas, bakboter (vloei), roomboter gezouten/ongezouten, shampoo Arjen, hardbroodjes. Of we schrijven er bijzonderheden op die niet urgent zijn maar wel snel vergeten kunnen worden: kaart Tante Julia, broek innemen, batterij pa horloge, belasting invullen. Of we schrijven er huishoudelijke taken op als we elkaar even niet zien door de verschillende werktijden:

‘Wil je de was uit wasmachine in de droger doen? Werkse XXX’

En dan is er nog de takenlijst die hoofdzakelijk voor mij opgesteld is: garage opruimen, spullen naar de stort, spullen naar de kringloop en dat vreselijk irritante keukenlampje nou eens maken! Wanneer je dan eens misgrijpt en alsnog naar de winkel moet of als je wat vergeten bent dan heb je dat puur aan jezelf te danken is mijn mening. ‘Wie schrijft die blijft’ is mijn motto. Oh ja, en vooral niet vergeten af te strepen! Anders zit je ineens met allerlei dubbele producten. Dat is leuk als het om aanbiedingen gaat maar voor je het weet zien ze je als een dependance van de Plus, Jumbo of AH.

Tot zover de briefjes.

Want we doen het ook digitaal. Zoals de digitale agenda die ons, hopelijk, tijdig waarschuwt voor afspraken bij de tandarts, de huisarts, de pedicure of de schoonheidsspecialiste. Altijd handig als je net even op de bank wil gaan liggen en je krijgt een pop-up melding dat de tandarts je verwacht.

Want door al die communicatie gaat vergeten steeds beter!

Ik ben geboren in het analoge tijdperk en dan is voorgaande een logisch gevolg, die combinatie met dingen op papier of digitaal opschrijven. Dat kladblokje met die pen gaat net even wat sneller dan de juiste app op je telefoon openen. En helemaal blind vertrouwen op de techniek kan ook niet.

Wát als de stroom uitvalt bijvoorbeeld.

Dan staat het leven voor velen ineens stil en zit vooral de digitale generatie met de handen in het haar: “OMG! WTF moeten we nu?” om het maar even in het hedendaags Nederlands te duiden. De ouderen hebben daar natuurlijk ook last van maar kunnen zich nog wel redden door dingen tevoorschijn te halen zoals bijvoorbeeld een boek, de krant, een spel kaarten, de fotoalbums op zolder. Of ze duiken lekker het bed in met hun partner.

Al die communicatiemiddelen zijn wel handig.

Maar om nou te zeggen dat we beter met elkaar zijn gaan communiceren? Nee, absoluut niet! Ik ben juist bang dat we eigenlijk steeds meer van elkaar afdrijven. Neem het bellen met elkaar. Ik las van de week dat bellen aan het uitsterven is, met name bij de jongeren. Ze communiceren steeds meer via de andere kanalen welke ze tot hun beschikking hebben. Ik moet hier eerlijk bekennen dat ik ook haast niet meer bel, eigenlijk alleen nog maar met mijn vrouw wanneer zij mij belt om te vragen wat er nu precies op het boodschappenbriefje staat, tussen de pindakaas en roomboter.

Want mijn handschrift is er door al dat digitale gedoe écht op achteruit gegaan!

En ik bel zo nu en dan met de familie wanneer dat zo uitkomt of even nodig is. Vroeger belde ik wel veel, vooral nadat ik op mijzelf was gaan wonen. Op maandagavond was het vaste prik om met mijn moeder te bellen. Dan vertelde ik over al mijn belevenissen van die week die ik allemaal mee mocht maken in de grotemensenwereld. Of ik belde met vrienden op afstand en dan lulden we gauw een uur vol. Maar tegenwoordig communiceer ik het meest via WhatsApp. Ik denk ook omdat je daarmee de andere de gelegenheid geeft te antwoorden wanneer het hem of haar uitkomt. Dat is best wel een voordeel. Een nadeel is dat vooral de jeugd, bijvoorbeeld mijn eigen kinderen, soms daags erna pas reageren.

Als ze al reageren.

“Ja pa, we zitten niet de hele tijd op onze telefoon.” Nou, daar geloof ik dus geen bal van maar ik laat het maar, het hoort er kennelijk bij. Gelukkig mag ik regelmatig ook nog goede gesprekken voeren zonder digitale tussenkomst. Bijvoorbeeld rechtstreeks met de persoon die voor mij staat. Bij dat laatste is het wel belangrijk dat beide partijen goed naar elkaar luisteren. Want soms kan een gesprek eenrichtingsverkeer zijn. Dan vertel je, nadat de vraag gesteld is hoe het met je gaat, dat je de laatste tijd erg last van je rug hebt. Vervolgens krijg je alle kwalen van de andere over je heen en besef je dat je er voor de zoveelste keer weer ingetrapt bent.

Dat de ander er met jouw verhaal vandoor gegaan is.

Maar we hebben zo ontzettend veel communicatiemiddelen alleen gebruiken we het niet goed, waardoor er onvrede ontstaat. Waarom bijvoorbeeld wel een nieuw gemeentehuis in onze gemeente bouwen maar een sportcomplex waar velen gebruik van maken, sluiten. Gebruik ze om dingen uit te leggen, zo breed mogelijk en beperk je niet tot enkel je eigen website.

Duidelijkheid schept begrip en draagkracht.

Een taalbarrière hoeft een goede communicatie ook niet meer in de weg te staan want Apps als bijvoorbeeld Google Translate of SayHi helpen daarbij. Dit soort hulpmiddelen dragen bij aan meer begrip voor elkaar, waar je ook maar vandaan komt, waar je ook maar in gelooft, wat je problemen zijn of wat je tradities maar mogen zijn. Mensen zoals jij en ik.

Grenzen en politieke standpunten vervagen door de digitale revolutie.

Dat werd maar weer bevestigd nadat Turkije en Syrië onvoorstelbaar hard getroffen werden door enorm natuurgeweld. Nu werden alle communicatiemiddelen ingezet om de wereld te laten zien hoe onder erbarmelijke omstandigheden hulp aan de getroffenen geboden werd. Een gebied drie keer zo groot als Nederland (!) ligt volledig in puin en men blijft de doden maar tellen. En toch wagen redders van allerlei nationaliteiten hun leven om dat ene kind, man of vrouw te redden. Via de televisie, de telefoon of de tablet zijn we getuige van iets wat we nog wel eens willen vergeten:

Medemenselijkheid.

Voor mij een bevestiging dat de meeste mensen toch echt deugen!

Mensen zoals jij en ik.

 

Stapelgek (op haar!)

Sinds kort hebben mijn vrouw en ik weer ontdekt dat ‘samen op de bank zitten´ best lekker is. Het toeval wil dat wij daarachter kwamen in de week voor Valentijnsdag en daardoor voel ik mij enigszins verplicht om het deze keer over de liefde te hebben.

Een soort John & Yoko act, Couch-up for peace.

Jaren terug was dat voor ons normaal hoor, zo dicht mogelijk bij elkaar zitten. Maar zoals het vaak gaat slijt naast de bank ook de hartstocht dan een beetje. Wellicht is dit ook een vorm van ‘landen’ in een relatie, dat je op een gegeven moment weet hoe de ander in elkaar zit. Want dat brengt een soort van rust. Ik hou heel veel van die rust. De dame daarentegen vindt dat té rustig. Zij probeert mij dat op een subtiele manier te vertellen. Dan wijst zij mij op andere mannen die hun partner verrassen met een bloemetje of spontaan etentje buiten de deur. Of, zoals laatst, op een neef van mij die zijn vrouw een nieuwe ring had gegeven. Zijn vrouw mocht de ring zelf maken en nu kan die neef niet meer stuk bij mijn vrouw. “Kijk!” zei ze en liet een foto zien waarop de hele blije dame van die neef te zien was, bezig een hele mooie ring te maken. “Zó leuk dat hij dat geregeld heeft voor zijn vrouw!”

Ik knikte en dacht: “En bedankt neef!”

Naast dichtbij elkaar op de bank zitten liggen we ook graag in bed dicht tegen elkaar aan. Nu was dat jaren terug niet zo moeilijk want het betrof een eenpersoonsbed en als je verliefd bent is dat geen straf. Nee, dan wil je haast bij elkaar naar binnen kruipen! Dat kan natuurlijk niet maar er blijven genoeg standjes over.

Over standjes gesproken.

Dat is ook weer iets wat de liefde kan beïnvloeden. Want met het ouder worden lijkt het wel alsof de spieren wat strammer worden en daardoor de standjes wat ingewikkelder. Dat heb ik gehoord van een vriend. Die was onder de indruk van sommige mannen in films of in series die de dame zó optillen en dan direct doorschakelen naar standje racen. Alsof het niets is. Alsof het hun dagelijks werk is. Ik troostte hem met de woorden dat alles wat wij op schermen zien, beïnvloed kan worden. Met andere woorden, dat zo’n gozer zogenaamd de dame optilt maar ondertussen ondersteuning krijgt van iemand van de Crew. Zoals in de film The Green Mile.

Acteur Michael Clarke Duncin was niet reusachtig groot maar stond gewoon op een kistje!

Maar De Liefde is hot. Zo las ik dat een vestiging van de Ikea een speeddate organiseerde op de beddenafdeling! Liefde levert ook kijkcijfers op. Zet de TV maar aan en verwonder je over de niet aflatende vrijwillige (mag ik hopen) singles die zich opgeven voor programma’s zoals First Dates, Lang Leve de Liefde of Married (and Fight) of the Thirst Sight. Liefde levert ook geld op want op het internet circuleren tientallen datingsites zoals Parship, Lexa en NovaMora om er maar een paar uit te pikken.

Voor alle smaken is er wel iets.

Zelfs voor hoger opgeleiden! Of als je wat minder snugger bent is er ook een politieke partij die een eigen dating App heeft. Dat scheelt een hoop discussies in de toekomst want dan ben je het gewoon altijd met elkaar eens. Mits het past in de gedachtegang van de Almachtige Leider of een van zijn secondanten natuurlijk.

Hoe verzinnen ze het!

En als het nog niet verzonnen is dan verzinnen ze het wel weer. Niet stapelgek maar knotsgek is hier dan het juiste woord. Afijn, ons bed is niet meer eenpersoons maar een volwassen, groot bed. Een heel groot bed! Ik wil niet overdrijven maar soms raken we elkaar zelfs kwijt in bed. Of we worden wakker en weten dan niet meer of de andere er nog wel of niet in ligt. Soms merken we niet eens dat de ander wat later in bed kruipt!

En het is een hoog bed.

Nee, het staat niet op (bier)kratjes zoals ze dat vroeger deden ter gemak van de Kraamtijd. Het is gewoon een hoog bed, hoog vanwege de evolutie van de mensheid omdat we steeds groter worden. Er inklimmen gaat nog wel maar eruit is een iets grotere uitdaging voor mij. Dat heeft te maken met de evolutie van mijzelf en met een bourgondisch leven.

Maar het is een hemels bed!

Daar zijn wij het beiden over eens. Er zijn wel eens van die dagen dat we om acht uur ‘s avonds al met een schuin oog naar de klok kijken: Mogen we al naar bed!

Maar dat ik haar niet meer zo verras is puur gemakzucht ben ik bang.

Dat komt ook omdat zij mij steeds voor is als het op verrassen aankomt. Als ik het al eens bedenk dan heeft zij het al uitgevoerd. Daarom is de liefde bij ons in rustig vaarwater terechtgekomen en ben ik de hoofdschuldige. Want we kabbelen nu voort waar ik overigens prima mee leven kan hoor maar een beetje golfslag zou het wel wat spannender maken.

En ik snap wel dat het haar wat steekt zo nu en dan, daar is ze vrouw voor.

Die dromen van prinsen met rozen tussen de hagelwitte tanden zoals in de Bouquet reeksen. En oh ja, op witte paarden natuurlijk. Toch doe ik mijn best. Zo verwen ik haar met kleine gelukjes in het leven. Bijvoorbeeld door een eitje te koken, haar boterhammetjes te smeren of een lekkere salade te maken voor op het werk. En ik kook met heel veel liefde de sterren van de hemel zó de pannen in en vervolgens op het bord.

In het weekend begeleidt met een glas rode wijn.

Maar we doen niet aan Valentijnsdag, hebben daar niets mee.

We hebben wel wat met humor! Humor hoort erbij. Daar staan we mee op en gaan we mee naar bed. Dat kan ook want ja, zoals ik al zei.

We slapen in een gigantisch bed!

Stapelgek

Opeens ging ze naast mij zitten op de bank waardoor ik even compleet van de wijs was. Het voelde niet ongemakkelijk, maar ik wist ook even niet wat ik met deze nieuwe situatie aan moest. Wat wil ze van me? Even wist ik mij geen raad, dat gevoel. Dit was ineens heel dichtbij, naast mij op mijn vaste stek in huis, mijn veilige haven, mijn toevluchtsoord in voor- en tegenspoed.

Mijn plekkie als we een avondje voor de buis zitten.

Oh, dat moet ik natuurlijk even uitleggen aan de huidige ‘kijkbuiskinderen’, het begrip ‘voor de buis zitten’. Zo noemden wij vroeger televisiekijken. In die televisies zat een zogenaamde kathodestraalbuis die beelden kon weergeven. Sindsdien noemde men dat in de wandelgangen ‘voor de buis zitten’. Oh, dat moet ik ook even uitleggen. Met wandelgangen bedoelen we de ruimtes tussen de werkplekken waar nogal eens even bijgepraat wordt. Bijvoorbeeld bij de koffiemachine, de printerhoek of rookplek. Vaak zijn die praatjes meer gebaseerd op ‘horen zeggen’ waardoor je het ook weer roddelpraat kan noemen. Roddelpraat betekent geklets, kwaadsprekerij of achterklap.

In moderne Nederlands ‘Juice’.

Maar de bank is dus mijn plekkie in huis en ook geheel voor mij zo ingericht. Zo ligt er een kussentje voor in mijn rug. De leuning gebruik ik om mijn koffie of drankje op te zetten. Links naast mij liggen twee afstandsbedieningen en een ruggenkrabber want ja, ik ben de man in huis en zo voorkom ik dat ik ineens naar een woonprogramma, Ik Vertrek of Heel Holland Bakt moet kijken.

Want daar krijg ik jeuk van.

Mijn vrouw krijgt weer jeuk van programma’s die ik graag kijk. Namelijk First Dates of Lang leve de liefde. Daarom overleggen we waar we naar willen kijken en komen dan uiteindelijk tot een compromis, eigenlijk net zoiets hoe het gaat in de Tweede Kamer. Wanneer we de avond alleen moeten doorbrengen mogen we gewoon iets voor onszelf kijken en dat doen we dan ook. Zij vanuit haar fauteuil en ik vanaf de bank.

Maar nu kwam ze ineens pal naast mij zitten!

Dat was voor mij een hele gewaarwording en moest ik mijzelf even flink opschudden in de nu ontstane situatie. Ik ging snel rechtop zitten en pijnigde mijn hersens over het vervolg. Ze vleide zich met haar hoofd tegen mijn linkerschouder aan waardoor mijn arm klem kwam te zitten en ik nóg meer in verwarring raakte. Ineens ging er een belletje rinkelen! Ik besloot nu mijn arm omhoog te doen waardoor zij in de vrijgekomen knuffel-oksel plaats kon nemen.

Spinnend nestelde zij zich tegen mij aan.

Een beetje onhandig hing mijn arm nog in het luchtledige. Dat was best vermoeiend en toen bedacht ik mij om de arm dan maar om haar heen te slaan. Ietsjes onhandig, het voelde als een arm om een meisje haar schouder te slaan toen ik nog puberde, liet ik mijn arm zakken over haar andere schouder.

Met succes!

Ze kroop nu nog meer tegen mij aan en samen keken we naar wat de televisie ons bracht. We vielen met onze neus in de boter. Het ging over het recht om te demonstreren en wat wel of niet mocht. We zagen allemaal hele vriendelijke mensen van de club Extinction Rebellion. Dit zijn, kort samengevat, voorvechters van het klimaat en ze maken zich daar heel druk over. En misschien is ‘voorvechters’ niet helemaal het juiste woord want ze prefereren vreedzaam te zijn. Ik hoorde hen aan en kon het alleen maar met hun eens zijn, het klimaat is een enorm probleem en er moet wat gebeuren.

Om bijvoorbeeld een watersnood zoals 70 jaar geleden te voorkomen.

Zelf ben ik al een beetje begonnen met duurzaam zijn zoals dat zo mooi heet. Bijvoorbeeld door zo min mogelijk de auto te pakken en als ik hem gebruik hou ik mij zoveel mogelijk aan de maximumsnelheid. Verder probeer ik zoveel mogelijk te lopen of te fietsen, verstandig voedsel in te slaan zodat er niets weggegooid hoeft te worden, lokaal te kopen zodat ze vanuit China minder containers hoeven te sturen, minimale porties vlees te eten, geen hond te nemen met verlichte halsband hebben maar er eentje te leasen (zonder verlichte halsband!), het herfstblad op te ruimen met een bezem en stoffer en blik, één keer per jaar op vakantie te gaan in eigen land en tot slot tevreden zijn met het leven zoals het gaat.

Daar is niets opstandigs aan, allemaal heel vriendelijk toch?

Het geeft mij wel het idee dat ik bewust bezig ben en blijf toch genieten van het leven. Sommigen vinden dat niet genoeg. Voor hen gaat het allemaal te langzaam en proberen ze dingen te forceren, want onder druk wordt alles vloeibaar. Ook dat snap ik, soms moet je even met je vuist op tafel slaan om iets te bewerkstelligen. Even doorpakken want er lopen nogal wat hardleerse lui rond in dit landje waar verwend gedrag zich steeds meer openbaart.

‘Ikke ikke ikke en de rest kan stikke!’, hét credo van de gemiddelde Nederlander tegenwoordig.

Het heikele punt in deze was dat ze een belangrijke weg wilden afsluiten en daar zaten ze in Den Haag niet op te wachten. De gemeente niet en ik vermoed de bevolking ook niet. Het werkt nogal ontwrichtend en in mijn ogen kost dat sympathie voor het doel waardoor er weer van alle kanten op elkaar gescholden gaat worden.

Of het nou trekkers, blokkeerfriezen of Extinction Rebellion aanhangers zijn.

Maar goed, ik zat lekker op de bank, mijn vrouw lekker knus tegen mij aan en ver van de A12 en de Utrechtsebaan. Vervolgens werd er een filmpje gestart en kregen we een we een gênant staaltje extremisme te zien. De aanwezige mensen kregen les in hoe te demonstreren, hoe ze zich aan elkaar moest vastketenen en op het wegdek moesten gaan zitten. En oh ja, ze leerden ook hoe je je slap moet houden want dan hebben agenten meer moeite om je overeind te tillen.

Moeder Aarde zucht en kraakt door het misbruik van haar maar ook omdat ze ziet dat de mens steeds gekker wordt.

Stapelgek!

 

Buitenspel

Volgens mij was het rond mijn 6e dat ik op voetbal ging, bij Quick’35. Daarvoor deed ik niet aan sport, speelde enkel veel buiten. De stap om op voetballen te gaan was een kleine want in die tijd werd er nog veel gevoetbald op straat.

Het verkeer was in die beginjaren ’70 te verwaarlozen.

Eenmaal bij de club speelde je competitie maar die was rijk van eenvoud: óf je speelde tegen TVV óf je speelde tegen AVV. Meer smaken waren er niet op Terschelling. Rond mijn 18e begonnen we een competitie met ploegen ‘van de Wal’ en was je een hele dag kwijt om een voetbalwedstrijdje te spelen.

Maar dat maakte niet uit.

De liefde voor het spelletje maakte veel goed. En je was de hele dag samen met je vrienden, zat tijd om lol te maken of het over de meiden te hebben. Om de week ging je kijken bij het Eerste, op zondagmiddag want dan speelden ze thuis. De 3e helft speelde zich meestal af in kroeg de OKA-18 waar wij jongeren graag kwamen. Naar de ‘echte’ wedstrijden in de nationale competitie gingen we eigenlijk niet. Die wedstrijden keken we op zondagavond, mits we al niet op de bank in slaap gevallen waren van alle biertjes die we die middag genuttigd hadden.

Bij ons thuis was mijn vader voor Ajax, mijn moeke voor Oranje en mijn broer en ik voor Feyenoord.

Ik was wel eens in een stadion geweest hoor, dat was in het Cambuur-stadion. Ik was toen 16 jaar en zat in de kost in Leeuwarden. Samen met lotgenoot Richard die verderop in een kostgezin woonde gingen we naar een doordeweekse wedstrijd. Mijn actieve herinnering aan deze wedstrijd was dat ze tegen FC Groningen speelden en dat Groningen toen promoveerde naar de Eredivisie maar exact weet ik dat niet meer.

Feit blijft dat FC Groningen dat jaar, 1980, wel promoveerde.

Rond mijn 20ste jaar verhuisde ik van het eiland naar Den Haag en heb ik nog even bij het Voorburgse DEVJO (nu Forum Sport) gevoetbald. Na een herniaoperatie bleef het daarbij. Wel gingen we met een groepje liefhebbers naar de wedstrijden Ajax-Feyenoord of naar Feyenoord-Ajax. De kaarten kochten we bij de sigarenboer en het 8-koppige gezelschap bestond uit fans van beide clubs. Ik was inmiddels fan van Ajax geworden maar wist goed voetbal van tegenstanders ook te waarderen.

Verstand komt met de jaren!

Dat waren leuke uitjes. We zaten met zijn allen in een gemengd vak: vrouwen, mannen, jongens, meisjes en je was óf voor Ajax óf voor Feyenoord. We rookten een sigaretje, dronken onze biertjes gewoon op, juichten als er gescoord werd of vloekte als het niet zo goed ging. Ook dit evenement onttrok wel wat tijd van je vrije zondag maar dat deerde niet. Dat had je er simpelweg voor over. De strijd op het veld, de onderlinge ‘strijd’ in het vak en de lol die je met elkaar had maakte een hoop goed.

Weer een poos later kreeg ik kinderen, drie jongens.

En alle drie gingen ze op voetbal. Ze begonnen rond hun 7e jaar als F’jes. Ik probeerde zowel bij de trainingen als bij de wedstrijdjes te zijn en schopte het later in mijn enthousiasme ook nog tot coach van de E4, waar mijn oudste zoon in speelde. Als vader van drie voetballende zoons stond ik dan ook soms hele zaterdagen op de velden, bij de club zelf (RKAVV Leidschendam) en op de vele voetbalvelden in en rondom Den Haag. Maar ik vond dat niet erg want zowel de jongens als ik genoten enorm van het spelletje.

En ik leerde een belangrijke les.

Ik leerde dat al die mensen die mijn kinderen een paar uurtjes plezier bezorgden, goud waard waren. De trainers, de kantine medewerkers, de krijtlijnentrekkers en de grens- en scheidsrechters, allemaal vrijwilligers die hun vrije tijd opofferden voor andermans plezier. En dat beseffende realiseerde ik mij ook dat het beter was om mijn mond te houden wanneer ik het niet eens was met een beslissing van de scheidsrechter. Of wanneer een spelertje iets te hard inkwam om de bal te veroveren.

Zwijgen aan de zijlijn was ook goud!

Want het escaleerde wel eens en dat is nog zachtjes uitgedrukt. Al jaren zien we hoe volwassenen vanaf de zijlijn tekeergaan op al het zogenaamde onrecht in het veld. En het maakt niet eens uit in welke klasse er gespeeld wordt of om welke leeftijdsgroep het gaat. Het verstand lijkt grotendeels thuisgelaten te worden, een vrijbrief om los te gaan? Vooral kinderen schamen zich de ogen uit de koppies bij het horen van de meest vreselijke verwensingen en zelfs bedreigingen. Waarom? Omdat hun zogenaamd onrecht aangedaan is.

Laat mij niet lachen!

Er is zeker onrecht op de wereld maar niet op de sportvelden! Of in stadions. De wedstrijd Feyenoord – Ajax van vorige week zondag bevestigde maar weer eens de agressie die we steeds vaker zien. Maar niet alleen bij deze Eredivisieclubs hoor, het oerdomme gedrag weet zich steeds meer in álle stadions te ontwikkelen, vaak onder invloed van bepaalde, ‘geestverruimende’ middelen. Niet van het bier.

Nee, dat gooien we tegenwoordig op het veld…

Dat groepje mannen waarmee ik nog wel eens naar de hierboven genoemde klassiekers ging, zijn figuurlijk uit de Vakken gejaagd door al dat idiote gedrag. De lol was eraf en ja, dan kun je je tijd wel beter gebruiken dan urenlang onderweg te zijn voor een voetbalwedstrijdje. Met een net voor je snuit want men was bang voor wat er naar de hoofden van de voetballers geworpen zou worden.

Ik zag een hele dappere Steven Berghuis zich uiten over de week vóór de wedstrijd.

Op een hele rustige, beschaafde manier benoemde hij wat het allemaal met hem en zijn familie deed. Een jongen die ooit ging voetballen omdat het zo’n leuk spelletje is. Helaas sloegen de extremisten onder ons weer door, op de tribunes, op het internet en in de media. Maar uiteindelijk lost het probleem zichzelf op: Supporters mogen niet meer naar een uitwedstrijd, clubs kunnen de idioot hoge salarissen niet meer betalen en lopen leeg vanwege de agressie en vrijwilligers laten zich niet meer uitschelden en blijven weg.

Het voetbal zet zichzelf buitenspel.

 

 

 

 

 

De kop is er af!

Nu de eerste drie weken van januari weer achter ons liggen en ik al een paar keer heel vroeg in de morgen gewekt werd door vogelgezang, mogen we wel zeggen dat de kop er wel af is.

Van het nieuwe jaar.

Voor ons betekende het een weerzien met de kinderen in Den Haag want dat was alweer een tijdje geleden, zelfs iets meer dan een tijdje geleden. Hoog tijd dus voor een weerzien met mijn jongens en onze kleindochter! ‘Opa en Oma Muis gaan op bezoek bij Roméline’ zou de titel van dat boekje kunnen heten. Toen zij ons door het zijraam van het huis gespot had gaf ze ons direct haar liefste glimlach en stoof vervolgens naar de voordeur, onderwijl haar vader roepend:

“Opa en Oma zijn er!” gilde ze zo hard dat wij het buiten hoorden.

Gelukkig, uit het oog misschien door de afstand maar niet uit het hart! Toen ze ons in de ogen kon kijken trok ze aan haar jurkje: “Kijk, kijk!” Oma had het natuurlijk direct in de gaten, Opa dacht dat het een soort K3 dansje was. Fout, ze had een nieuwe jurk aan en dat moest getoond worden. Ze is ruim 2,5 jaar en doet wat de dames in mijn omgeving nog steeds doen, het tonen van nieuwe kleding.

Of de ‘nieuwe’ coup qua haardracht.

Och, daar ben ik zó ontzettend slecht in, ik heb er geen oog voor dat de dames naar de kapper geweest zijn. Ik zie niet wanneer er een centimeter af is, de lok nu zò hangt in plaats van zó of dat de kleur van het haar net even wat lichter is dan de vorige keer. Bij de mannen zie ik het meestal wel. Dan is de boel opgeschoren, zijn de oren weer vrij en hangen de wenkbrauwen niet meer over de ogen. Dat laatste heeft mijn vader heel erg, die wildgroei. Ik heb daar ooit iets van gezegd en toen zei hij daar niets aan te laten doen.

“Dat is mijn image!” zei hij dan, met pretoogjes.

Maar goed, ik kon de jongens weer eens in de ogen kijken. Zonder lijntje of schermpje ertussen. Dat was weer fijn. De oudste liet gaf trots ons een rondleiding door het nieuwe huis waar hij met vriendin en dochter begin dit jaar ingetrokken zijn. Dit was al de vierde verhuizing in een paar jaar en nu hopen ze dan echt hun plek gevonden te hebben. De middelste kwam met zijn (eerste) motor, een Yamaha MT-07. Ook trots en terecht, het is een machtig mooie machine. De jongste liet mij zijn zorgen weten over het gebruik van de telefoon. Dat was opmerkelijk want hij is van de generatie Z, de generatie die volledig digitaal opgroeit. Hij sprak voor zichzelf en gaf aan te veel tijd te spenderen aan het kijken van filmpjes op Instagram, het slokte hem soms op. Nu had hij zich afgemeld en dat beviel hem best. “Want,” zei hij, “ik krijg nu veel meer mijn eigen gedachten terug, ik ervaar weer hoe het is om zelf na te denken in plaats van uren en uren naar filmpjes te kijken.

Ik was het helemaal met hem eens:

“Klopt. Het is net als fastfood. Het is vlot te krijgen, even lekker maar je raakt maar niet verzadigd.” Nu ben ikzelf geen heilige boon hoor, ik maak mijn uurtjes ook wel voor het scherm. En ik kan daar enorm van genieten want zo’n ding heeft zo ontzettend veel mogelijkheden. Dat genieten komt natuurlijk omdat ik nog het tijdperk ervoor bewust heb meegemaakt. Het tijdperk dat we nog boeken bij de Bieb moesten halen om te lezen, het tijdperk dat je wel mocht telefoneren met je vrienden maar niet te lang, het tijdperk dat je op je fiets zonder accu maar mét dynamo moest stappen om naar je matties te gaan, het tijdperk dat je nog alles wat de Meester of Juf op het bord schreef, eigenhandig met een pen in je schrift moest kalken, het tijdperk dat je ouders je nog op je flikker gaven als je wat uitgespookt had, het tijdperk dat je naar een bioscoop moest om een film te bekijken en het tijdperk dat je minimaal een week wachten moest op de nog onontwikkelde foto’s die je gemaakt had van het schoolreisje naar Bunnik…

DARUM.GENIET.IK.ZO.VAN.DAT.DING!

Maar je mist ook veel. Ook al heb je mensen om je heen, je communiceert niet meer met elkaar. We verleren het praten met elkaar en daar maak ik mij wel eens zorgen over. In plaats van even bellen met elkaar, whatsappen we nu. Daar betrap ik mijzelf ook steeds meer op. Aan de andere kant kijk ik nu minder televisie want mijn telefoon geeft genoeg afleiding. En die televisie is ook een scherm en staat bij sommigen de hele dag aan.

Zoals bij mijn schoonvader het geval is.

Die zit de hele dag tussen vier muren naar de televisie te turen. Vanuit zijn sta-op stoel of vanuit zijn bed. Regelmatig nodigen we hem uit om hem op te halen voor een ritje naar Termunten om een visje te eten of voor een blokje om het verpleeghuis te wandelen. “Want dan zie je ook eens wat anders dan voetbal, schaatsen en alles wat er omheen te zien is. Dan zie je wat van de wereld.”

Ik snap hem wel hoor.

Hij loopt al rond vanaf 1941 en heeft natuurlijk al genoeg van de wereld gezien als dragline machinist. En genoeg meegemaakt. Nu geniet hij van zijn pensioen en van de zorg om hem heen. En van zijn telefoon want als hij wil weten hoe koud het buiten is checkt hij gewoon even zijn telefoon.

Daarvoor hoef je ook niet meer voor naar buiten!

Zijn antwoord als ik hem weer wijs op de buitenwereld ligt al voor op de lippen: “Nee hoor, dat hoeft niet. Ik vermaak mij prima hier, ze verzorgen mij uitstekend en ik mis niks hoor.” En wijst naar de TV met rond de 150 kanalen:

“En ik heb immers de hele wereld aan mijn voeten liggen!”

 

Kiek noar die zulf!

Ooit las ik het boek ‘Ik heb altijd gelijk’ van Willem Frederik Hermans. Dat was na het boek ‘De Donkere Kamer van Damokles welke ik moest lezen voor een Nederlands examen. Voor mij lieten beide boeken een tijdsbeeld zien waar de vrolijkheid ver te zoeken was. De soberheid droop van de pagina’s af en dat was best taai om te lezen. Logisch, want toentertijd men was alleen maar bezig met werken én werken om het land weer op te bouwen.

Na de oorlog.

Vertier was er nauwelijks. In die jaren overheerste het tikken van de klok de huiskamers en zo nu en dan klonken de geluiden van een hoorspel door de kamers. Een saaie bedoening als je met de ogen van nu ernaar kijkt. Toch spraken deze boeken mij aan, boeken die mij deden verplaatsen naar vervlogen jaren.

Naar de eenvoud van toen.

Soms stel ik mijzelf de vraag of ik terug wil naar die eenvoud. Want in het heden hebben we alles wat ons leven makkelijker en misschien wel boeiender gemaakt heeft. En ja, een stuk spannender dan het tikken van de Zaanse Klok zoals ik vroeger zelf ervaren heb in huis. Maar soms hoor of zie ik mensen zuchten, snappen ze net als ik niet ‘waar het heen gaat met de wereld.’ We krijgen, naast onze eigen dagelijkse zorgen, ook nog eens de wereldse zorgen erbij.

Daarom snap ik het wel dat we terugverlangen naar eenvoudiger tijden.

‘Ik heb altijd gelijk.’ Die titel kwam bij mij weer boven na het zien van de nieuwe Sire campagne, het reclamebureau wat ons aan het denken probeert te zetten. Campagnes zoals bijvoorbeeld: ‘Aardige mensen, hoe gaan we daar mee om’, ‘Tolerantie. Daar knapt heel Nederland van op’, Handen af van onze hulpverleners’ of ‘#doeslief’. Opvallend is dat het de laatste jaren alleen maar gaat over hoe we met elkaar om zouden moeten gaan.

Een teken aan de wand.

De politiek, onze volksvertegenwoordigers, laten nou ook niet echt het goede voorbeeld zien. Menigeen hoor je klagen over ‘dat stelletje in Den Haag’. Naast dat ze tijdens debatten onderuitgezakt op hun telefoontjes zitten, schelden ze elkaar verrot of vertellen onwaarheden. Allemaal met als doel elkaar zo hard als mogelijk te raken én, nóg belangrijker, zieltjes te winnen onder het volk. Want hoe meer zieltjes achter deze personen aan gaan lopen hoe meer pluche- zekerheid ze houden en daarmee financiële zekerheid.

Eigenbelang boven algemeen belang.

Nu weet ik ook wel dat het er in andere parlementen over de grenzen nog heter aan toegaat. Beelden uit Turkije, Taiwan, Uganda of Brazilië hebben dat al eens bewezen. Dat heeft ook te maken met het temperament in die culturen en daarmee vergeleken zijn wij Nederlanders nog redelijk braaf te noemen. Alhoewel, woorden kunnen veel leed veroorzaken. Daarom durf ik onze zogenaamde beschaving wel in twijfel te brengen. Wel is het frappant dat na een stevig debat alle politici elkaar weer de handen schudden en toelachen.

Zo van: kunstje geflikt, deurtje kan weer dicht.

Alleen laten ze dat te weinig zien in de media, een gemiste kans is mijn mening. Of is dat dan die zogenaamde beschaving? Op zich zit daar wat in. Je moet en mag alles zeggen in dit land zoals we dat zo graag willen. Maar misschien moet toch de nuance weer wat terugkomen daar in Den Haag. Ik verwacht geen straattaal waarmee men elkaar probeert te schofferen, zogenaamd om ook de ‘gewone man’ te kunnen bereiken. Nou, ik ben een ‘gewone man’ maar als men zo tekeergaat bereikt men mij juist niet. Dan keer ik ze de rug toe want zo wil ik niet zijn. De een gebruikt dan het spreekwoord ‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden’, om het grove geweld te verdedigen. Maar verbaal geweld leidt vaak naar fysiek geweld. Daarom geef ik de voorkeur aan de nuance, ‘Het is de toon die de muziek maakt’.

‘Wie goed doet, goed ontmoet.’

Want je schiet er niets mee op met dat geschreeuw. Je voedt alleen maar een minderheid in ons land, de minderheid die de meeste aandacht krijgt met hun grote bekken of extreem geweld. Daarom moet politiek Den Haag het juiste voorbeeld geven, meer moeten samenwerken en wat minder bezig zijn met zieltjes winnen. De zuilen die wij in het verleden kenden hebben we omvergeworpen om juist meer samen te werken en niet te verzanden in ons eigen gelijk.

Want met ‘ik heb altijd gelijk’ heb je juist ongelijk!

Sire heeft nu een filmpje gemaakt tegen polarisatie. Polarisatie betekent het versterken van tegenstellingen tussen elkaar en daar schiet je, willens en wetens, niets mee op. Daarmee krijg je niks meer voor elkaar, het is het zand in de motor en loop je averij op. En dan is het moeilijk koers houden.

Ook voor politici want die zijn net zoveel mens als jij en ik.

De boodschap waarschuwt voor polarisatie dichter bij huis, binnen je eigen wijk, familie- en vriendenkring. Niet onverstandig want daar begint ook alles. Thuis is de basis van elk mens, daar word je klaargemaakt voor de maatschappij. Discussies die niet te winnen zijn omdat beide partijen geen strobreed toe willen geven zie je steeds vaker, ook in thuissituaties.

‘Ik heb gelijk!’

Als je dat steeds blijft roepen hoor je de ander niet meer met alle gevolgen van dien, zoals bijvoorbeeld gebroken familierelaties. De laatste zin van de Sire boodschap sprak mij daarom erg aan:

‘Voordat je het weet, verlies je elkaar.’

Ik ben niet de enige die roept dat politiek Den Haag het goede voorbeeld moet geven maar ook hier moet je toch echt eerst naar jezelf kijken. Zoals een Gronings gedicht:

‘Kiek noar die zulf!’

Kijk naar jezelf! Dat is stap één. Kijk altijd eerst eens naar jezelf voordat je oordeelt over een ander. Want vaak is de onredelijkheid ver te zoeken. Stel het doel bij: ‘Ik heb misschíen wel gelijk maar die andere mening begrijp ik ook wel weer.’ En begin met vertrouwen in plaats van wantrouwen in de persoon op basis van andere meningen.

Een mooi voornemen voor 2023!

 

Wanneer alles klopt

Voor ons ligt een spiksplinter nieuw jaar en zijn de onlangs gevierde feestdagen weer verleden tijd. De kerstbomen liggen weer op zolder of zijn verwerkt door de hakselaar van de gemeente, de kerstdorpen en kerststallen zitten weer in de dozen en de laatste oliebollen worden opgevoerd aan de vogels, mits ze daar trek in hebben want de winter blijft maar ver weg.

Heel even dacht ik zelfs het voorjaar te ruiken.

Maar dat is onzin natuurlijk. We moeten eerst nog de meest saaie maanden van het jaar door zien te komen, januari en februari. Althans, zo denk ik daarover. In maart begint het bij mij al wat te kriebelen en april neemt dat ietsjes af omdat winterse buien de pret van het voorjaar dan weer wat kunnen drukken.

Maar dan komt mei!

Zover is het nog lang niet, alhoewel voor mijn gevoel de tijd vliegt. Ver vooruitkijken is misschien daar debet aan. Daarom ga ik eerst nog even terug naar de kerstdagen. Wij hadden het voorrecht deze dagen op Terschelling door te mogen brengen, bij mijn vader. Nu mijn moeder in een verpleeghuis verblijft zou hij voor het eerst in 64 jaar de kerstdagen alleen doorbrengen dus het kwam ook wel goed uit.

Het werden mooie dagen.

Even was ik weer thuis. Even zag ik weer (soms vergeten) gezichten van vroeger die ik al jaren niet meer gezien had. Even viel alles op zijn plek. Het weerzien met mijn moeder in het verpleeghuis was eenzijdig maar ik had mij ook geen illusies gemaakt. Ze accepteerde onze aanwezigheid en luisterde hoe wij met mijn vader aan het praten waren die op een stoel naast haar zat. Aandoenlijk waren hun beider handen die elkaar nog steeds vinden konden, boven op de deken die over haar benen lag.

Mooi.

Op kerstavond mochten we getuige zijn van een kerkdienst in de Westerkerk te West-Terschelling. Mijn vader moest daar zingen met het mannenkoor welke hij een warm hart toedraagt. Tijdens de verzorging van mijn moeder en door corona stond het koor op een laag pitje maar inmiddels kan hij de schade weer inhalen. De dienstdoende dominee was ook een gezicht uit het verleden, namelijk Paul Saraber. Hij was namelijk in de jaren ’70 ook de dominee in de serie ‘Sil de Strandjutter’ en mocht nu als gastdominee de dienst leiden.

Het werd een mooie avond.

Eerste kerstdag gingen we langs bij goede vrienden en die avond namen we mijn vader mee uit eten. Tweede kerstdag werd een wat actievere dag. We hadden ons opgegeven voor een zogenaamde kerstwandeling met eerdergenoemde vrienden, een tocht van een kilometer of 8. Het werd een prachtige wandeling met fijne gesprekken en zelfs de regen hield even stil zodat we extra konden genieten van bos en duin. En van de warme chocolademelk met rum.

Plus een oliebol van Bakker Frans!

Na het wandelen brachten we weer een bezoek aan mijn moeder en wederom zat ze er tevreden bij zover ze dat zelf nog weet. Die avond konden we aanschuiven bij het kerstdiner bij mijn zus en haar dochter. Ook dit werd weer een supergezellige avond.

En lekker!

‘Derde kerstdag’ was de dag dat van weer afscheid nemen. De laatste jaren had ik daar steeds meer moeite mee maar nu ik gezien heb dat mijn moeder redelijk geland is en mijn vader zich prima redt, was het afscheid te dragen. Toen we die middag afscheid namen van mijn moeder was er zelfs even herkenning naar ons, haar jongste kind en zijn vrouw. Ook de andere aanwezigen in de woonkamer van de afdeling brachten weer veel herinneringen terug en dat deed mij erg goed. Daarna gingen we nog even twee etages hoger want daar woonde ook iemand die ik kende uit het verleden. Hij was ooit hoofd personeelszaken bij een Haagse werkgever waar ik werkte. Dat werd een fijn en warm weerzien en we spraken af om in het nieuwe jaar nog eens bij elkaar te komen.

Op een dag dat we niet op tijd staan.

Op de boot en in de auto memoreerden we samen nog de vele, mooie en onroerende momenten die we meegemaakt hebben tijdens die vier dagen. Het leek wel kerst! Alleen al het rustig bijpraten met mijn vader was al fijn, vooral omdat ik weet dat we dit nu nog kunnen doen.

Dat is, helaas, niet iedereen gegund.

Oud & Nieuw verliep ook gezellig. Mijn vrouw bakte de oliebollen en appelbeignets weer bruin en ik at ze op. Ik niet alleen hoor, die middag kwamen een aantal gezellige mensen daar speciaal voor langs en dronken we lekkere warme, passende drankjes zoals Glühwein en een of andere alcoholvrij spul waar mij de naam van ontschoten is.

Onder de overkapping.

Want het regende warm water maar daar hadden we geen last van. Met een fantastische oudejaarsconference sloot Claudia de Breij het jaar met ons af en zongen we zachtjes met haar mee:

’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west’

Dat klopt. De crisissen stapelen zich op en dat is al een paar jaar aan de gang. Ook 2022 was een jaar dat niet bol staat van vrolijke hoogtepunten. De Oorlog, het kinderachtige gedrag in de Tweede Kamer, het niet afnemende populisme en de daardoor toenemende polarisatie.

‘of t wer altied wel weer licht…’

Maar dan moet je daar wel oog voor hebben. Gelukkig zijn mijn ogen nog prima.

Zo fietste ik van de week de rotonde op vanaf de Nassaustraat om daarna de Venne op te koersen. Vanaf links stak een jochie van een jaar of 12 over. Op zijn hoverboard. Met een pizzadoos in de handen.

Ik moest remmen en stopte. Hij stopte ook.

“Dat is niet handig van je.” zei ik mopperend en geïrriteerd. “Ik kom van rechts.”

“Ja, maar ik wist niet dat u af zou slaan.” zei het jochie rustig.

“Och!” zei ik, “wat stom! Ik had inderdaad mijn hand niet uitgestoken! Wat dom van mij! Sorry hoor..”

“Geeft niet,” zei het jochie, “fijne avond meneer.”

Lachend fietste ik weer verder en zong: ‘of t wer altied wel weer licht…’

 

2022, een terugblik

Zoals elk jaar had ik vanmorgen weer een afspraak met mijn oude, door het leven wijs geworden, vriend Herman Bernardus Antonius. Altijd op deze dag, geen dag eerder of later. Ook deze keer hadden we weer buiten afgesproken om het jaar wat achter ons ligt, door te nemen. Eigenlijk begint het al een behoorlijke traditie te worden en ik geniet er elke keer weer enorm van. Vooral omdat ik weet dat zowel mijn Opa als mijn vader dat in het verleden ook altijd deden. Zij roemden elk jaar het bestaan van deze hele bijzondere man.

De man die net zoveel neuzen heeft als het jaar nog dagen!

We hadden vanmorgen vroeg afgesproken. Deze keer niet op de Pieter Smitbrug maar bij de dit jaar gerestaureerde Kloosterbrug. Onder de paraplu checkte ik nog even mijn rugtas, of de koffie, de borrel en de broodjes bal de wandeling ernaartoe overleefd hadden want zoals elk jaar verzorg ik de inwendige mens van mijn vriend. Dat scheelt hem een hoop gedoe want hij is zwervende en moet vandaag nog het hele land door. Ineens een harde brul:

“Hutssssss!”

Ik keek over het Winschoterdiep in de richting waar de brul vandaag kwam. Het was niet te missen, daar kwam hij aanlopen, onmiskenbaar mijn vriend! Nu was dat ook niet zo moeilijk want zijn rijzige gestalte torende altijd al boven alles uit en de hoed, lange lederen jas, dikke baard en de handgesneden wandelstok in de hand waren kenmerkend voor deze reizende tijdsgeest. De begroeting was hartelijk en gemeend: twee flinke klappen op mijn schouder en daarna de omhelzing.

Zo oud en nog steeds zo krachtig.

“Zó!” zei hij, “daar zijn we weer! En ik snak naar koffie om de binnenkant wat te warmen want het is maar een natte boel vandaag.” Lachend schonk ik de koffie in en een scheutje van de jutterbitter, uit de fles die ik met kerst van mijn vader gekregen had. “Dit zou moeten helpen.” en gaf hem de mok. Na een paar slokken en goedkeurende geluiden over de inhoud van het gebodene begon hij te praten. “Ik zag onderweg weer veel mensen die gezellig met elkaar aan het praten waren en ook in de winkelstraten zag ik weer veel volk. Is de pandemie nu eindelijk achter de rug?”

Het gesprek was begonnen!

“Ja, daar lijkt het gelukkig wel op. Ik hou nog een slag om de arm maar ben voorzichtig positief. Het werd tijd ook want hele families raakten erdoor ontwricht omdat de neuzen niet allemaal dezelfde kant opstonden. Er zijn nog wel wat oprispingen geweest maar die stierven een stille dood. En er waren nog een paar ‘Engelbewaarders’ die bij gebrek aan corona nu het protest van de boeren kaapten om de, kennelijk, nodige aandacht te krijgen. En dat snap ik ook wel weer want de mens is van oorsprong een sociaal wezen en wil graag aandacht. En als je dat niet krijgt dan zoek je lotgenoten, mensen die jou begrijpen.”

“Ja, zei de man, “en dan zijn er weer figuren die daar handig op inspelen, er misbruik van maken.”

“Het is te hopen dat we deze zwarte bladzijden achter ons kunnen laten want het heeft een hoop ellende veroorzaakt. Nu nog lopen er mensen rond met de gevolgen van het virus, zitten thuis omdat ze niks meer kunnen of zijn zelfs hun baan kwijtgeraakt! Dat klerevirus heeft fysiek én mentaal flink huisgehouden helaas.”

De man schudde zijn hoofd en samen waren we even stil.

“Maar er is nóg meer ellende. Die oorlog in Oekraïne, man, man, wat een verschrikkingen gebeuren daar toch allemaal. Ik kan daar slecht mee omgaan en begrijp totaal niet waarom men überhaupt nog oorlogen begint!  We weten immers al jaar en dag wat voor ellende het allemaal teweegbrengt en nooit winnaars.” Mijn vriend knikte. “Ja jongen, dat snap ik ook niet. Ik loop al wat jaartjes mee en ken de verhalen, ben al heel wat getuigen tegengekomen. En wanneer die verhalen verteld werden zag ik enkel maar droefenis in de ogen.”

“Heb je nog zo’n lekker bakkie voor me?”

“Ha, ja. Natuurlijk.” En ik schonk hem hetzelfde recept in. “Straks heb ik nog een broodje bal voor u want dit jaar hadden we geen kerstbrood omdat we bij mijn vader de kerstdagen doorgebracht hebben.” Hij schoot ik de lach. “Gelukkig maar, van die kerstbroden krijg ik altijd het zuur. Maar hoe is het met je ouders? Verzorgt je vader nog steeds je wat dwalende moeder?”

“Tot juni van dit jaar nog wel, maar ze werd wat onstabieler in de benen en toen moest mijn vader toch professionele hulp inschakelen. Ze werd opgenomen in het verpleeghuis waardoor ze na 64 jaren samen gescheiden werden van tafel en bed. Een verdrietig besluit maar het kon gewoon niet meer. Daarna volgde een gewenningsperiode en die was behoorlijk pittig. Voor mijn vader, maar ook voor ons. Inmiddels is ze redelijk geland zoals ze dat zo mooi zeggen en is het verpleeghuis min of meer haar thuis geworden, is er acceptatie.”

“Dat is mooi!” zei de man.

“Wij waren daar met de kerstdagen en toen wij weer bij haar langs gingen om dag te zeggen, alvorens we weer met de boot naar huis gingen, was er even herkenning. Wist ze weer even dat ik haar zoon was. En toen vroeg ze of ze mee mocht rijden met ons want ze wilde ook weer terug naar Terschelling!”

“Maar ja, daar was ze al!”

We keken elkaar even glimlachend aan. “Ja jongen,” zei de man, “onze geest is ondoorgrondelijk. Het brengt ons overal heen waar we willen en niemand krijgt er een vinger achter. Maar mooi dat ze geland is. En je vader? Kan hij er een beetje mee omgaan?”

“Jazeker!”

“Wij verwonderen ons er allemaal over hoe hij zich redt. En hij komt weer onder de mensen, dat is ook fijn. Zelfs het zingen bij het mannenkoor heeft hij weer opgepakt! Mijn schoonvader daarentegen nam ook een belangrijk besluit en is vrijwillig in een verpleeghuis gaan wonen, bij volle verstand. Een verstandige stap want hij is daar helemaal op zijn plek. Ik noem hem tegenwoordig ‘Koninklijke Hoogheid’ want hij wordt daar echt in de watten gelegd. En hij mag zijn sigaartje roken en zijn hondje, Lobke, mag er ook wonen. Wij, de kinderen, laten Lobke dan uit want dat kan hij zelf niet meer maar het geeft ook niet, het is goed zo.”

“Och, een sigaartje, lekker. Ik ben helaas in 2017 gestopt maar anders…” zei mijn vriend.

“Ha, ha, ja, dat begrijp ik volkomen. Ik ben trouwens ook gestopt in 2017 maar droom nog regelmatig dat ik een rokertje opsteek. Echt verslavend. Ik ben blij eraf te zijn maar kreeg er eetlust voor terug en dat creëert weer andere problemen.”

Dit was een goed moment om het broodje bal uit mijn tas te halen en op te eten.

“Het was weer een jaar van uitersten.” begon ik na de laatste hap weggeslikt te hebben. “Zo zag ik een nieuw fenomeen de kop op steken, de gender-revealparty. Tijdens dat feestje maken zwangere ouders bekend of het een jongetje of meisje wordt. Het wachten is op ‘the making of genderparty’, lijkt mij een spannend feestje!”

“Dan zijn we daar ook weer van op de hoogte!”

Mijn vriend knikte: “Ja, het geduld van mensen mag tegenwoordig niet te lang op de proef gesteld worden lijkt het wel. En kinderen worden steeds vroeger volwassen. Dat is jammer want volwassen moet je toch het grootste gedeelte van je leven al zijn. En het is jammer omdat de onschuld van een kind juist zo’n mooie start van het leven is.”

Opnieuw lieten we de woorden even indalen.

“Het was trouwens ook het jaar dat ik uit de kast kwam!” riep ik lachend. “Dat ik apneu heb en slaap als een soort afstammeling van Darth Vader! Maar mijn bedoeling was om het puur bespreekbaar te maken omdat er genoeg mannen en vrouwen zijn die daar last van hebben. Je moet je daarvoor niet schamen, nee, je moet het zien als een oplossing voor slaapproblemen. De moderne tijd moet transparant zijn en het voordeel daarvan is dat het veel problemen bloot legt, dat is een positief gegeven. Net zoals we niet moeten blijven rondlopen met problemen. Zoals de psychische. Zoek hulp, praten helpt echt en oh ja, huil gewoon lekker mee als er wat te huilen valt, dat lucht echt op!”

“En zo is het!” zei mijn vriend en gaf mij een vriendschappelijke klap op mijn schouder.

“Vogels tellen!” voegde de man eraan toe. “Vogels tellen of ernaar kijken. Dat is ook een prima remedie tegen stress. Of laten we de wijsheid van de te vroeg gestorven 16 -jarige Kiki Tol (Over mijn Lijk) er ook nog even bijhalen:

‘En als het leven je laat struikelen, maak er dan een salto van!’

Ik was het helemaal eens met mijn vriend. “Gelukkig was er weer genoeg afleiding in het afgelopen jaar, kon allerlei vermaak voor de mens weer doorgaan.” zei ik, om het gesprek wat lucht te geven. “Zo hadden we hier in Oldambt eindelijk weer de Avondvierdaagse, de grootste van het Noorden! En onlangs werd er weer geld opgehaald voor de Voedselbank, middels het zogenaamde Tafelhuis. Ruim 40.000 euro haalden ze binnen! Oh ja, eind augustus mochten we weer genieten van het straatfestival ‘Waterbei’. En de Run, de ultraloop van 100 km kon ook weer gelopen worden!”

“En? Meegedaan?” vroeg de man lachend.

“Ja! Weliswaar niet als hardloper maar als wandelaar. Ze hadden er ook nog enkele wandeltochten aan gekoppeld waardoor wij ook een geweldig leuke dag hadden. In totaal 26 km gelopen en allebei een medaille.” Mijn gesprekspartner begon hard in zijn handen te klappen waardoor een stel eenden van schrik wegvlogen uit het Diep. “En grote vriend,” vervolgde ik, “wij zijn zelf een paar dagen wezen fietsen in Limburg! Dikke bergen daar maar we hebben ze overwonnen, de accu zelfs een paar keer leeg getrapt maar het was de moeite waard.”

Mijn vriend deed even zijn hoed af om het regenwater eraf te gooien en zei hij, met een vette knipoog:

“Zó dan, helemaal aan de andere kant van het land! Dat was voor jou zeker een cultuurshock?”

“Ja, dat kun je wel zeggen. Ik ben er ooit als jonge gozer wel eens geweest, met twee maten, maar daarna eigenlijk nooit meer. Maar nu ik steeds meer geloof dat wij met zijn allen meer moeten omdenken heb ik het er toch maar op gewaagd, heb ik mijn vooroordelen opzij gezet. En weet je, het werden super leuke dagen, echt genoten! Alleen die bergen, man, ik voelde mij net een klimgeit!”

“Juist vriend, ómdenken!”

Terwijl hij dat zei pakte hij mij stevig bij de armen en keek mij recht in de ogen. “Dat verkondig ik al jaren. Gooi je vooroordelen de deur uit en dan zul je zien dat de wereld er een stuk mooier van zal wordt. Want dat scheelt een hoop ellende. En kijk bij elke situatie eerst even in je spiegel voordat je oordeelt. Denk eens door, probeer je eens voor te stellen hoe het is voor die ander als je hem of haar bespot, uitlacht of erger, bedreigt.”

Een fietsende voorbijganger keek even op naar dit tafereel maar ik knikte hem vriendelijk toe.

“Goed volk hoor!” We moesten er allebei even om lachen. “Helaas hebben we ook afscheid moeten nemen van mensen die ons wat vreugde gegeven hebben in het leven.” vervolgde ik. “Zoals van Olivia Newton John. En Henny Vrienten! Vreselijk. Wacht, ik google even..” Ik pakte mijn telefoon en tikte in:

Overleden in 2022.

“Nou, daar komen ze: Jan Rot, Piet Paulusma, Meat Loaf, Hugo Camps, Vader Abraham, neuroot Kristie uit ‘Cheers’, Wordt niet meer Vervolg Han Peekel, Terry van the Specials, Koos Dobbelsteen oftewel John Leddy en van de week nog Pelé de voetballer en Margriet Eshuijs…”

We staarden even stil voor ons uit, een zilverreiger zweefde voorbij.

“Dat waren bijzondere mensen, jongen.” begon de man het gesprek weer. “Mensen die ons leven kleur gegeven hebben. Net als de mensen om ons heen dat doen, familie, vrienden en collega’s.” “Klopt!” zei ik, “Zo geniet ik van onze kinderen, hoe ze allemaal een plek op de arbeidsmarkt gevonden hebben. En dan is er nog onze prinses, onze kleindochter waar wij half oktober een weekend van mochten genieten. Zij kleurt ons alle kleuren van de regenboog!”

“Mooi zo!” zei mijn vriend, “Dan stap ik maar weer eens op want ik moet nog een paar uurtjes vandaag. Dankjewel weer voor de versnaperingen en ja, wat mij betreft zie ik je volgend jaar weer. Misschien is het een idee om dan eens op Terschelling af te spreken, dan zie ik je ouders ook weer eens!”

“Ha, dat is een goed idee! Ik leg het neer bij de planning van mijn werk, dat ze daar effe rekening mee houden. Maar u ook weer bedankt, blijf gezond en wens iedereen die u vandaag nog tegenkomt alle goeds voor het Nieuwe Jaar!”

Hij liep al richting de Oude Rijksweg en stak zijn arm op als zijnde de boodschap begrepen te hebben. Mijn ogen prikten even terwijl ik mijn vriend steeds meer uit zicht zag lopen, beseffende dat er weer een jaar achter ons ligt. En er schoot ineens een mooie gedachte door mijn hoofd:

Her leven duurt tekort om alle dagen boos te zijn en het is te mooi om lelijk te maken!

Een hele fijne Jaarwisseling en alle goeds voor 2023!

 

 

 

Kersttaferelen

‘Vrede op Aarde, Vrede op Aarde, in de mensen een welbehagen’ zongen wij vroeger tijdens de nachtmis en op zondagsschool. Ik was toen tussen de zes en 12 jaar jong schat ik zo in. Nu tik ik bijna de 59 jaar aan en kan nog niet de conclusie trekken dat die vrede op aarde gekomen is. 

Wat dat betreft is de mens een hele trage leerling.  

Voorlopig zitten we nog wel even aan dat liedje vast. Misschien moeten we wat harder zingen zodat meneertje Poetin er ook eens van doordrongen raakt dat vrede meer oplevert dan oorlog. Dat hij dan niet met een knagend geweten bij de kerstboom zit, op zijn schouders het verdriet van al die moeders die hun zonen en dochters niet meer zullen terugzien.  

‘Meneer de President, slaap zacht!’  

Over het algemeen heb ik goede herinneringen aan al die kerstdagen die achter mij liggen. Vooral die in mijn jeugdjaren. Later werd ik wat minder enthousiast maar dat had te maken met ‘het gedoe’ eromheen. En dan met name het claimen, wie op welke kerstdag aanwezig moet zijn. Daar werd het kerstfeest over het algemeen niet vrediger van. Integendeel, er zijn heel wat conflicten in families juist daardoor ontstaan. 

Daar verdween het welbehagen als sneeuw voor de zon. 

Over sneeuw gesproken, dat valt ook allemaal onder ‘het gedoe.’ Want elk jaar weer naait de media ons op met de vraag of we wel of niet een witte kerst krijgen. Volgens mij zijn dat van die standaard scenario’s die ze in de kast hebben liggen, dat ligt in de lade ‘Winter scenario’, onder de lade ‘Herfst scenario’.  

Ik accepteer ‘het gedoe’ lijdzaam. 

Soms vraag ik mij af waarom ik niet zo enthousiast ben over de kerstdagen. Misschien komt het wel doordat wij vroeger geen kerstboom in huis hadden. De club waar wij bij zaten deden niet aan kerstbomen. Het moest sober en niet afleiden van waar het werkelijk omging, de geboorte van Jezus.  

Maar er was wel een kerststal!  

Die vond ik als kleine muis wel interessant en ik zat dan ook vaak met de gipsen bewoners van de stal te spelen. Mijn vader heeft jaren later nog een Terschellinger versie van de Kerststal gemaakt, voor mijn broer. Kennelijk was mijn broer nog meer onder de indruk van de kerststal bij ons thuis en wilde hij zo een stukje jeugdbeleving meegeven aan zijn eigen gezin. 

Op zich een mooie kerstgedachte. 

Ik kon gelukkig wel aan mijn kerstbomengerief komen. Bij mijn vriendjes, die hadden er wel een in de huiskamer staan. Bij eentje stond zelfs een kerstboom waar echte kaarsjes inzaten! Dus ja, eigenlijk ontbrak het mij aan niets en was er genoeg kerstsfeer om mij heen te vinden. Toen ik wat ouder werd en een carrière begon als kok moest ik altijd werken met de kerstdagen. Dat heb ik als heel gezellig ervaren. Met kerst werken gaf net even een andere sfeer. De bazin liep er mooi bij in haar kerstkleding en zelfs mijn baas had een mooi pak aan. Zodra hij even bijsprong in de keuken deed hij wel een wit schort aan. Maar ook de sfeer tussen de collega’s was net even anders dan anders waardoor je toch leuke dagen had.  

Toen ik kinderen kreeg had ik geen kerststal. 

Dat werd toch een kerstboom. Toch maakte ik er een traditie van om samen met hen een kerstboom uit te zoeken. Dan moesten ze eerst hun handschoenen en laarzen aandoen waarna we op pad gingen. Nadat de boom uitgekozen was tilden ze gedrieën de boom in de auto. Vanwege het ontstane tekort aan zitruimte in de auto kropen de twee jongsten er half onder, de oudste mocht voorin. Of, wanneer de kerstbomen om de hoek te koop waren, sleepten ze de boom mee naar huis. 

Stoere kerels! 

Mijn vrouw is een echte liefhebber van de feestdagen. Nadat de Sint vertrokken was naar warmere gebieden en hier dan eindelijk de winter een beetje onder de steen vandaan kwam, begon ze tegen mij over de kerstdagen. Of beter gezegd, ze vroeg aan mij of ik het goed vond dat we weer een echte kerstboom in namen. Zo’n groene, met of zonder kluit. 

“Nee!” zei ik resoluut.  

Die had ze niet zien aankomen. Ik ook niet trouwens, schrok ervan. Want over het algemeen sta ik altijd achter haar beslissingen. Zoals van de week. Tijdens het Netflixen, midden in een spannende scène, kwam ze er ineens mee: “Ik heb helemaal geen kerstboeketje op tafel! Daar ga ik morgen achteraan want dit is zo saai!” Mijn antwoord is dan kort, heel kort: “Ja.” En ga weer verder met de moord die er inmiddels gepleegd is.  

Maar om nou weer een vers omgezaagde kerstboom in huis te halen, nee! 

Dat is niet duurzaam en we moeten van die verdomde stikstof af. “Je hebt toch een boom? Die zwarte neppe boom, die had je twee jaar geleden gekocht want dat was modern. En ook niet zo groot waardoor we ons ook nog redelijk vrij kunnen bewegen in de huiskamer.”  

Ze gaf mij gelijk. 

Het opbouwen deed ze toen ik avonddienst had, daar voelen we ons allebei prettig bij. Ik kreeg die avond rond half negen een Appje: een foto van een kerstboom op een pilaar. Heel mooi en strak. Om kwart voor negen weer een Appje: een foto van een omgevallen kerstboom over de bank en overal kapotte ballen. De nood was aan de vrouw. Ik belde haar direct op om haar te troosten. 

Ik kreeg, tegen de verwachting in, een gierende vrouw aan de lijn. 

Nu lacht ze graag dus een verrassing was het ook niet, en voordat ik troostende woorden kon uitkramen begon ze al: “Ik wilde de kerstster voor het raam hangen. Via de poef klom ik op de vensterbank, hing de ster op en vergat op de terugweg de poef!” 

“Oef!” zei ik en had met haar te doen. 

De rest liet zich raden. Het evenwicht werd verloren maar de pilaar met kerstboom werd gevonden.  

Toen ik later die avond thuiskwam werd ik begroet door een prachtige kerstboom met iets minder ballen en een dame die zat te genieten van een dikke bel rode wijn! 

Fijne Kerstdagen! 

 

Steen en been

Wij Nederlanders staan bekend als een klaagvolk. Vooral in deze tijd van het jaar, wanneer het vaak gaat over ‘tradities’ of ‘onze identiteit’. Zodra er ook maar iets georganiseerd wordt door enthousiastelingen gaan we los, lopen we er helemaal op leeg. Vroeger deden we dat gewoon in huis tegen onze gezinsleden, op straat, in de kroeg of op werk maar sinds de komst van het internet doen we het gewoon digitaal, via de toetsenbordjes. Lekker veilig vanuit huis.

Het liefst anoniem natuurlijk.

Of verschuilend achter een nep-account. Of met een profielfoto van allesbehalve van de persoon zelf. Helemaal in lijn van oprukkende populisten die daar handig gebruik én vooral misbruik van weten te maken. Verzin maar wat onzin en je hebt geheid weer volgelingen die dat geloven. Niet realiserend dat ze zich daarmee steeds meer afscheiden van de mensen in hun omgeving.

Ze zetten zich daarmee buitenspel.

Onlangs hadden we weer zo’n dag waarop men aandacht voor iets vraagt. In dit geval Paarse Vrijdag, bedacht in Amerika. Scholieren droegen die dag paarse kleding waarmee zij steun betuigen aan leerlingen die homo, lesbies, biseksueel of transgender zijn. Daar zaten geen kwade gedachten achter en niemand had er last van. Nou ja, of je moet een hekel hebben aan de kleur paars.

Daar kan ik mij wel iets bij voorstellen.

Want enkele jaren geleden had mijn vrouw, heel lief, mij een vest cadeau gegeven. Voor de kerstdagen. Natuurlijk deed ik dat vest direct aan en het zat als gegoten. Maar toch voelde ik wat hersenactiviteiten uit de negatieve hoek opkomen, ergens ter hoogte van mijn linkeroog, vanuit de frontale kwab. Want de kleur van het vest was grotendeels paars en dat is niet mijn kleur.

Ik ben meer van blauw.

Dat weet zij. En daarom kocht ze dat paarse vest ook, om mij te laten zien dat er meer kleuren zijn dan blauw. Zodat er wat meer diversiteit ontstaat in mijn kledingkast zeg maar. Ik juich diversiteit van harte toe hoor maar ik heb niks met de kleur paars. Ik hou zeg maar wél van de courgette maar niet van de aubergine. Puur vanwege de kleur. Dat er ook haast geen smaak aan zit is voor mij dan weer een leuke bijkomstigheid.

Dan mis ik ook niks.

Maar Paarse Vrijdag dus, een prima initiatief wat mij betreft. Her en der zag je in de mediafoto’s van mensen die zich in het paars gestoken hadden. Ik scrolde er gezellig langs en het enige gevoel wat ik erbij kreeg was dat het nog steeds niet mijn kleur is. Verder niets. Leven en laten leven. Ieder zijn ding. Maar toch waren er weer mensen die erop moesten reageren, het liefst zo negatief mogelijk. Lekker de boel weer afzeiken, waarschijnlijk om hun eigen droefgeestig bestaan iets op te leuken?

Sneu hoor.

Dat je je gram moet halen over andermans rug. Of die categorie ‘komieken’ die losgaan op iemands uiterlijk. Geen kinderen, volwassenen! Zo triest. Terwijl we tegenwoordig weten wat pestgedrag allemaal kan doen met slachtoffers, soms tot wanhoop toe. Al jarenlang horen we in- en intrieste pestverhalen. Elk normaal denkend mens keurt het af maar toch voelen bepaalde personen in onze maatschappij de behoefte om zo negatief als mogelijk te blijven reageren. Of op de man/vrouw te spelen.

Kap er nou eens mee!

En doe iets nuttigs! Ga bijvoorbeeld eens op visite bij de ouderen in de bejaardentehuizen in plaats van te klagen dat die mensen zo alleen zijn. Gewoon buiten je werk of uitkering om. Daar ga je je veel beter bij voelen in plaats van erover klagen. Of meld je als scheidsrechter bij een sportvereniging. Misschien dat je dan wat meer begrip kan opbrengen voor scheidsrechters (of grensrechters!) in het algemeen, wanneer ze weer uitgejouwd, aangevallen of bedreigd worden.

Maar die scheidsrechter die Argentinië-Nederland floot….

Maar die scheldkanonnades bleven binnen de muren. En ik heb ook geen dreigtweets, -mails of -Whatsappberichten naar hem gestuurd. En ik ben ook niet naar buiten gegaan om auto’s in de fik te zetten, fietsen in elkaar te trappen of vuurwerk naar de ME te gooien. Dat deden enkele ‘supporters’ van Marokko en uiteraard werd dat weer opgepikt door iedereen die zichzelf beter vindt dan iemand met een andere nationaliteit. Terwijl onze ‘eigen’ hooligans toch ook een behoorlijke reputatie hebben. Hieronder wat krantenberichten van het afgelopen half jaar:

‘Rellen op Volendamse dijk na voetbalwedstrijd tegen FC Utrecht’

‘Rellen bij Willem II- Den Bosch. Beelden die we normaal nooit meer zien in Nederland’

‘Rellen bij Sturm Graz-Feyenoord. Agenten gewond en twee Nederlanders neergestoken’

‘Rellen bij ADO Den Haag na verlies tegen Excelsior. Gooien met bakstenen en vuurwerk’

‘Rellen bij Bekerfinale. Ajaxsupporters dringen PSV-vak binnen’

En laten we natuurlijk de avondklokrellen niet vergeten. Dus ja, waar gaat het eigenlijk over? Rellen na een voetbalwedstrijd is niet alleen tijdens het WK van 2022. Het is van alle jaren. En het idiote is dat men relt na een verloren wedstrijd maar ook na een gewonnen wedstrijd. Conclusie? Misschien moeten de opvoeders toch eens het gesprek aangaan met het kroost. En dan aangeven dat het om behoorlijk debiel gedrag gaat. Want ja, het is natuurlijk heel grappig om iets van een ander te slopen, maar de ellende die erachter wegkomt is toch een stuk minder grappig.

Dat is om te huilen!

Vooral omdat het geld gaat kosten. Veel geld. En dat heeft niet iedereen. Reljeugd wel natuurlijk. Die wonen nog lekker goedkoop, thuis bij hun opvoeders de onschuld uit te hangen. En ondertussen speuren ze het internet af en zien ze ook het debiele gedrag van ouderen. Dus het zal wel zo horen.

Ach ja, het leven is een klaagzang.

Heb ik dat vest nog? Nee. Het kwam onlangs tevoorschijn nadat wij de oude kledingkast vervangen hadden voor een nieuwe. Ik had het vest namelijk verstopt. “Oh hier is dat vest!” zei mijn vrouw, “Die heb je nooit meer aan.”

Ik besloot uit de kast te komen en dat voelde aan als een openbaring!

Gelukkig wilde mijn zwager het vest wel hebben én dragen.

Mijn vrouw was een illusie armer.

Het is weer om te huilen!!

‘Een man mag niet huilen, ook al heeft hij verdriet’ zong Jaques Herb in het jaar 1972. Ik was destijds nog een pikkie van 8 jaar en man worden lag voor mij toen nog ver in de toekomst. Dat liedje zette mij wel aan het denken natuurlijk, dacht eigenlijk ook wel dat het klopte. Want ik had bijvoorbeeld mijn vader nog nooit zien huilen. Wel merkte ik aan hem wanneer er van dat soort emoties hem parten ging spelen, dan zweeg hij of hij maakte een grapje.

De lach verborg de traan.

‘Een man mag niet huilen als een ander het ziet’ is de volgende regel in het liedje. Het zou dus kunnen dan mijn vader wel op andere momenten huilde of even brak, zal het hem eens vragen want ik jank om de haverklap. Ik hou mij in ieder geval niet in. Zie ik het programma ‘Ik mis je’ waarin mensen liefdevol over hun overledenen praten, huilen. Zie ik hoe kinderen een knuffel krijgen die op hun overleden vader lijkt, huilen. Zie ik hoe mijn moedertje van 93 niet meer bewust de wereld meemaakt maar dat diezelfde wereld om haar heen haar toch liefdevol verzorgen, huilen. Luister ik naar een man die het verhaal verteld van hoe zijn vrouw overleden is, huilen. Lees ik het bericht dat de 12-jarige Riemer, die omgekomen is na een vreselijke aanvaring op de Waddenzee, nog steeds niet gevonden is, huilen…

Maar ik breek ook bij situaties die mij doen huilen van blijdschap.

Zoals bij de geboortes van mijn drie kinderen of toen ik de eerste beelden zag via Whatsapp van onze pasgeboren kleindochter. Of recenter, de gelijkmaker van Wout Weghorst tegen Argentinië. Dat werd trouwens een combinatie tussen schreeuwen en huilen. Zie ik zangers en zangeressen huilen bij De Beste Zangers dan huil ik.

Niet!

Daar trap ik niet in, die doen dat namelijk voor de kijkcijfers want valse emoties scoren. Zonde, want de opzet van het programma is best leuk maar door vals sentiment gooit men de eigen ruiten in. Althans, voor mij.

Om te janken zo voorspelbaar!

Maar als mannen meer zouden toegeven aan de tranen zou dat een hoop ellende schelen. Want zeg nou zelf, meestal zijn het mannen die dood en verderf zaaien. Of totaal van het padje af zijn, zoals die narcistische mannetjes Trump, Baudet en zijn vriendje Van Meijeren. Of in het verlengde van deze doorgedraaide kereltjes die Duitse Reichsbürgers die van de week opdoken, met als triest dieptepunt een vent van 70 jaar die zichzelf al als Keizer zag. En laten we in dat rijtje Poetin niet vergeten! Gevaarlijke mannen die hoogstwaarschijnlijk te weinig liefde gehad hebben in hun leven en stilstaan in hun eigen gelijk.

En stiekem in bed huilen omdat niemand ze begrijpt.

Als ze nou eens zouden huilen in het openbaar komen ze misschien wat menselijker over maar zelfs die kans acht ik erg klein. Ja, huilen met krokodillentranen kunnen ze wel, wanneer ze tegengas krijgen van het gezonde verstand. Want dan schieten ze direct in rol van slachtoffer, voelen ze zich niet begrepen en ziet het gezonde verstand het helemaal verkeerd.

Janken om aandacht.

Echte mannen mogen van mij huilen. Laat jezelf gaan, maak het jezelf niet moeilijk want het leven is al moeilijk genoeg. En na een fikse huilbui zul je voelen dat er een hoop druk van de ketel is waardoor je alles weer wat scherper ziet. Leuke bijvangst is de kans dat bij je vrouw het moedergevoel om de hoek kijken komt. En wat doen moeders dan? Juist, dan mag je in de verwenhoek. Dan zetten ze al hun charmes in, geven ze je een kus en een aai over je bol en mag je vaak ook nog wat lekkers! Maar pas op, doe geen domme dingen want dan lachen ze je uit.

Bijvoorbeeld als je ineens witte gympen begint te dragen.

Ik bedoel daar de mannen van zekere leeftijd mee, dus niet die jonge gasten hoor. Die hebben nog jonge frisheid van zichzelf en daar past de kleur wit prima bij. Maar mannen van een zekere leeftijd moeten het niet doen. Zoals FIFA-baas Gianni Infantino. Daar zat hij dan op de tribunes, in FIFA-kostuum en daaronder witte gympen. Naast die gympen had hij ook nog een pakkende(!) tekst op zijn borstzak staan: FIFA. Bedacht door een infantiele sponsor want het doet afbraak aan het pak. Jaren terug zagen we dit soort sponsoring al bij die Belgische keeper, Jean-Marie Pfaff. Die had zijn sponsors in zijn kraag hijgen. Maar die witte gympen eronder….

Elke voetbal liefhebbende kerel weet toch dat gras en witte gympen geen goede combinatie zijn!

Maar goed, huilen mag wel en het is daar nooit te laat voor. Ook al zong Corry Konings ooit dat huilen voor jou toch echt te laat voor je is. Dat is het niet, het is nooit te laat voor het betere jankwerk. We leven in 2022 en we weten dat je niet van je hart een moordkuil moet maken. Dus mannen, laat je gaan. Begin voorzichtig, gewoon een beetje oefenen. Dat kan mooi want de komende weken zijn er weer veel kerstfilms, perfect voor het beginnende snotterwerk. Vanavond begint die ellende … euh ..kan daar al mee begonnen worden want dan heb je de Nederlandse versie van Scrooge op de buis. Altijd goed voor een lach en?

Juist, een traan!

Met deze klassieker uit 1843 (!) liet Dickens eigenlijk al zien dat je als man het jezelf alleen maar moeilijk maakt als je hard en zakelijk de wereld inkijkt. Dan moet je de hele dag stoer rondlopen of bumper klevend rondrijden, je als haantje gedragen want daarmee toon je je zogenaamde mannelijkheid. Doodvermoeiend en zó vorige eeuw. Dus gooi die schroom van je af beste mannen en laat je gaan! Ter compensatie mag je natuurlijk gewoon blijven kijken naar RTL7, je weet wel die zender met de slogan ‘meer voor mannen’, darten en films uit de vorige eeuw.

Daar zou je dan ook weer om kunnen huilen.

 

 

 

Leven en laten leven

Dat de mensheid steeds gekker aan het worden is weten we. Want we weten van gekkigheid niet meer wat we moeten verzinnen om het leven enige inhoud te geven. Zo zijn we niet allemaal hoor. Nee, het wordt veroorzaakt door een klein groepje mensen die op de een of andere manier aandacht eisen.

En dat dan krijgen ook!

Want zo las ik laatst dat er naast een asiel voor honden en katten of voor mensen die vluchten uit hun land vanwege oorlog of andere ellende, er nu ook asielen zijn voor planten. Opvang voor planten die weg gekieperd zouden worden omdat ze vergeten waren in de verzorging. Of gekregen waren als cadeau maar de ontvangende partij houdt niet van planten. Of gewoon doordat ze geen lang leven beschoren waren.

Dan maar naar het asiel.

Maar het kan nog absurder en we weten inmiddels dat alles wat absurd is, aandacht krijgt. Zo las ik vorige week een column van Marcel van Roosmalen. Die werd na zijn theatershow aangesproken door een bezoeker. Het ging over de bos bloemen die hij gekregen had van het theater, na zijn optreden. Vroeger kreeg elke arbeider aan het einde van een werkdag een bosje bloemen van de baas maar het arbeidersvolk gaf aan dat allemaal een beetje overdreven te vinden.

Sindsdien heeft de theaterwereld deze gewoonte overgenomen.

Afijn, Marcel werd benaderd door een bezoeker van zijn voorstelling. Met de vraag waarom Marcel de bloemen niet geweigerd had. Ik citeer: “Want bloemen vragen er niet om, om bij de enkels afgezaagd te worden. Ze verwonden je, zetten je in koud water en een week later ben je dood.” Marcel had er nog nooit zo over nagedacht.

Ik ook niet.

Marcel vroeg later die week aan een deskundige, de bloemiste in het dorp, hoe die erover dacht. Haar antwoord: “Het zijn bloemen, ik heb ze nog nooit horen klagen.” Dat klonk voor mij weer bekend maar dan wel in een hele andere context. Ooit vroeg ik aan mijn allerliefste en humorvolle en veels te vroeg overleden Tante Riet of zij bang was voor wat er komen zou, de onvermijdelijke dood vanwege de ziekte die haar potverdomme treffen moest. Haar antwoord:

“Nee, niet echt. Het zal er wel goed wezen want er is nog nooit iemand teruggekomen!”

Uiteraard zei ze dat met een dikke, vette knipoog want zij wist het niet en wij weten het niet. Althans, niet zeker. Er zijn natuurlijk mensen die het gelóven maar zeker weten doen ze het niet. Alleen gekken weten het zeker. Dat vertelde de psychiater van cabaretier Fons Jansen ooit. “Weet u dat zeker?” vroeg Fons aan de psychiater.

“Absoluut zeker!”

Of planten of bloemen pijn voelen lijkt op de discussie of vissen pijn voelen. Vooral nadat ze een haak in de wang hebben. Of diep in de strot. Zo diep dat je die met een haakverwijderaar eruit kan halen zonder dat de vis ‘auw’ begint te roepen. In dit geval zegt mijn empathisch vermogen dat het wel eens pijnlijk zou kúnnen zijn, vooral wanneer het in eerste, tweede of soms derde instantie niet lukt. De ogen van vissen staan al in opperste verbazing je aan te kijken en als je zo aan het frunniken bent lijkt het wel alsof ze dat steeds indringender doen. Ik ben ook altijd opgelucht als de vis, nadat ik ‘m teruggelegd heb in het water, snel weer weg zwemt.

Op zoek naar het volgende haakje.

En ja, vissen klagen doorgaans niet, ze spartelen hooguit. Maar die ogen.. daar zit toch meer leven in dan in bloemen of planten. Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat de mensen die zich druk maken om een plantje of bloemetje, gewoon bedeeld zijn met een enorm empathisch vermogen. Gewoon ontzettend rijk aan gevoel voor alles om hen heen. Dat ze misschien zelfs de meeuw die net een stukje kibbeling uit het bakje graait, kunnen vergeven. Of, zoals wijlen mijn schoonmoeder ooit zei nadat iemand bij haar klaagde over haar keffende hondjes in de tuin:

“Ja, maar ze kunnen toch niets anders?”

Laat ik wel even duidelijk zijn, planten weggooien is zonde en we leven in een weggooi-maatschappij waar ik mij ook aan kan ergeren. Ik ben voor hergebruik. Ook voor mensen. Ik gun bijvoorbeeld elke man of vrouw na een scheiding nieuw geluk want alleen is maar alleen. Als ze maar geleerd hebben van hun vorige fouten.

Ja, ook ik kan empathisch zijn.

Tot het irritante toe. Ik kan problemen weg filosoferen als ik op dreef ben. Dat als er bijvoorbeeld een stelletje ruzie heeft, ik beide meningen tegen het licht hou en dan nóg weet te zeggen: “Ja, maar die hond, die keft de hele dag door dus ik begrijp wel dat die mensen dan uiteindelijk elkaar in de haren vliegen!”

Conclusie? Hond moet naar een praatgroep AAK, Anonieme Abnormale Keffers.

Empathie had ik ook laatst voor een kennis van mij. Ik zag aan zijn ogen dat er wat loos was met hem. Die stonden dof, terwijl ze normaal altijd wel een glinstering hadden. Natuurlijk vroeg ik aan hem wat er loos was en nadat ik hem koffie ingeschonken had, brak hij.

Hij was naar een kerstshow geweest.

Ik slikte de brok in mijn keel weg, ging er even goed voor zitten en keek hem recht in de ogen: “Vertel. Hoe is dit je overkomen dan?”

Hij nam een slok van zijn koffie en stak van wal, met horten en stoten. Zijn vriendin had bedacht naar een kerstshow te gaan, samen met zijn ouders waardoor hij al niet meer weigeren kon. Maar het werd nog erger, ze moesten er helemaal voor naar Duiven, bijna 200 km verderop in het land.

Maar liefst vier uur lang slenterde hij in file met duizenden andere ‘Christmaholics’ langs kerst taferelen met alle toeters, kunst, kitsch en bellen er omheen.

En daarna weer 200 km terug.

Daags erna kwam ik hem weer tegen. Ik vroeg hoe het ging.

“Ik heb mijzelf weer bij elkaar geraapt, het gaat wel weer. Dankjewel voor je medeleven.”

Ik zag weer een glinstering in zijn ogen. Best mooi, dat empathie!

 

 

Werkweekje

We hadden er speciaal een week voor vrij genomen. Puur vanwege het feit dat er dan niets hoeft. Even een weekje niet-moeten. Dat is dubbel genieten want in werken gaat zoveel vrije tijd zitten dat je juist gaat uitkijken naar de vrije dag of dagen.

Toch was het anders.

Er moest wel iets. Er moest behangen worden. Twee slaapkamers stonden op de nominatie, de slaapkamer waar onze kleding lag en tevens de functie had als logeerkamer wanneer de jongens komen en de slaapkamer die ik omgedoopt heb tot ‘mancave’. In de kledingopslag stonden twee ooit gekregen kledingkasten plus van die kledingrekken met werkkleding van mij. Het komt haast niet voor maar in dit geval heb ik, de man, meer kleren dan de vrouw.

Ja, ik beken.

Maandag mocht er nog even uitgeslapen worden maar daarna gingen we aan de slag. Eerst maakten we ‘mijn’ kamertje leeg. De computer kreeg permissie om beneden op de eettafel te staan zodat ik er zo nu en dan even achter kon kruipen. Daarna moest het oude behang eraf. Dat heb ik altijd een bijzonder werkje gevonden. Want met het weghalen van de laag, meestal lagen, voel je de geschiedenis van het huis. Nu is ons huis nog maar vijftig jaar oud en heeft het voor ons drie eerdere bewoners gehad. Hier vielen de lagen nog wel mee. Wel kwamen er leuke tekeningen tevoorschijn, nog net geen compleet stripverhaal maar genoeg om te laten zien dat de nieuwe bewoners er zin in hadden.

Dat snap ik wel, het is ook leuk om aan een nieuw woonavontuur te beginnen.

Maar ik kan mij nog wel oudere huizen herinneren waar ik behang moest scheuren. Zo was ik ooit aan het behangscheuren in een huis van mijn eerste werkgever. Dat viel buiten mijn gewone werkzaamheden, namelijk pannenkoeken en poffertjes bakken want ik was voornemens kok te worden. Als werknemer van een seizoenbedrijf wist je dat er wel eens klusjes in de privésfeer voorbijkwamen.

Daar kreeg je dan een paar extra guldens voor.

Zo had ik ook al eens op het dak gestaan van de manager van de plaatselijke supermarkt toen ik daar nog wat bijverdiende als vakkenvuller. Er moesten wat dakpannen verlegd worden bij hem thuis nadat een storm er een paar eraf gegooid had. De ladder kwam tot onderaan de dakgoot dus ik moest over die dakgoot heen klimmen om op het dak te komen, om precies te zijn een dakhelling van 60°.

Dat was mijn eerste kennismaking met het begrip hoogtevrees.

Het behangscheuren was daarmee vergeleken een makkie, ik had hooguit zo nu en dan een keukentrapje nodig. Er mocht ruim geknoeid worden met water en zeep en al gauw lieten de eerste lagen los. Maar de laatste laag was een hele bijzondere, dat waren namelijk kranten en die dateerden uit het jaar 1881. Dat was voor mij als 15-jarige toen een kleine honderd jaar geleden. Niks geen vrolijk kleurtje, motiefje of afbeelding.

Nee, gewoon het harde nieuws.

Vrouwlief was deze week Hoofd Behangster en ik volgde haar in alles, als lul de behanger. Zij had zich natuurlijk ook voorbereid want ze had op YouTube gezien hoe we het moesten doen. Ik benadruk maar weer eens dat voorbereiden want vrouwen lezen ook altijd de gebruiksaanwijzing wanneer er iets in elkaar gezet moet worden. Wij mannen doen dan in omgekeerde volgorde. Na een baan of acht behangen te hebben was ik er al klaar mee en werd ik chagrijnig. Want ik hou niet van klussen. Dat weet zij. En ze zag het nu ook, mijn gezicht stond op onweer. De situatie ontplofte nadat ik de volgende morgen had voorgesteld om even een uurtje te gaan schrijven.

“Dan kan jij dat laatste stukkie muur achter de verwarming mooi afmaken.”

Een onveilige werkomgeving leek vorm te krijgen. Nog net niet op zijn Arib’s of Van Nieuwkerks maar het schuurde ertegenaan. Gelukkig kwam de allerhandigste man van Groningen, Tinus, langs. Hij kwam helpen met het weer in elkaar zetten van een kast die wij gekregen hadden van een buurvrouw. Naast kleding had deze kast ook nog het voordeel dat er een soort van bureau aan vast zat.

Té ingewikkeld voor mij.

Het Hoofd Behangen had bedacht dat in deze kast al mijn werkkleding kon liggen en hangen en dat vond ik wel een goed idee. “En dan halen we bij Ikea een blad wat daar dan weer haaks opgezet kan worden, inclusief tafelpoten.”

“We?”

Was mijn logische reactie, gebruikelijk als ik het woord Ikea hoor. “Nee hoor, ik ga zelf wel even vanavond.” Dat klonk mij dan weer als muziek in de oren want dat betekende dat ik wat voor mijzelf mocht doen.

Mijn chagrijn sloeg weer om naar het normaal.

Nadat mijn kamertje weer de nieuwe oude was, de computer, de replica van de Brandaris en de boekenkast stonden weer op hun plaats, kon de andere kamer behangen worden. Hoofd Behangster had nu de slag te pakken en datzelfde gold voor mij. Ik wist precies wanneer ik de lijm aan kon brengen zodat zij achter elkaar door kon gaan. De oude kledingkast was door mij gedemonteerd en afgevoerd maar daarmee werd een nieuwe uitdaging geboren.

Er moest een nieuwe kast komen want onze kleding hing nu overal in huis op kledingrekken.

Die avond ontwierp Hoofd Behangster een Zweedse kledingkast en de volgende dag kon die gehaald worden. Nu moest ik wél mee maar ach, het chagrijn was al weg en er werd mij een stukje amandeltaart in het vooruitzicht gesteld.

De auto was groot genoeg.

Samen met Tinus werd de kast in elkaar gezet en die avond zochten we onze kleding uit. Mijn door de was gekrompen kleding werd direct gescheiden van de (confronterende) werkelijkheid. Toen ik later op de avond mijn kant van de kast bekeek besefte ik pas hoe groot hij wel niet was.

Kastschaamte.

De laatste avond van deze intensieve week werd afgesloten met een serietje Netflix, als beloning voor al het werk

Ik stelde voor om een advertentie te zetten:

“Te huur. Kastruimte voor uw kleding!”

We slaan maar een keertje over..

Sinds Sepp Blatter de envelop opende om daar het op voorhand dode konijn uit de hoge hoed te toveren, de keuze was gevallen op Qatar, vielen velen om van het lachen om zoveel domheid. Domheid ja, want elk beetje nadenkend mens én voetballiefhebber wist dat dit een honderd procent corruptie schandaaltje was.

Daar hoefde je niet hoogopgeleid voor te zijn.

Hoogopgeleid, dat is tegenwoordig een klasse apart volgens een reclame van een verzekeringsmaatschappij. Want zij hebben autoverzekeringen voor hoogopgeleiden. Het waarom is mij onduidelijk maar het bedrijf zelf zegt dat hoogopgeleiden minder ongelukken en minder schade veroorzaken dan de wat lagere opgeleiden. Hierdoor is de kans kleiner dat ze uit moeten keren.

Eigenaardig.

Ik vraag mij af of dat wel klopt. Want ik geloof niet dat elke hoogopgeleide zo briljant is dat hij of zij geen fouten maakt. Zij zijn net zoveel mens als ieder ander toch? En hoe vaak lezen we niet van zuippartijen en andere ranzigheden die hoogopgeleiden tijdens hun studie uitgevreten hebben. Daarbij weten we tegenwoordig dat alcohol slecht voor je grijze massa is. En daardoor kan het wel eens voorkomen dat je reactievermogen een paar celletjes mist, kapot gezopen door de drank. Waarmee je de kans vergroot om een ongeluk te krijgen of dat je door een black-out pardoes tegen de elektrische laadpaal aanrijdt.

Tja, had je tijdens je studie maar wat minder moeten zuipen.

Daarom begrijp ik die verzekeringsmaatschappij niet. Zij kennen toch ook de verhalen van de studentencorpsen? Of komt het doordat hoogopgeleiden zich láten rijden? Dan staat de auto wel op hun naam maar maken ze gebruik van een chauffeur.

Een chauffeur met een mooi mbo-diploma op zak.

Want een goede chauffeur neemt zijn werk serieus en daarmee ook de regels in het verkeer. Eigenlijk zijn die hoogopgeleiden dan wel in overtreding maar dat is weer die slimheid van hoogopgeleiden. Dat moet ik ze dan wel weer nageven. Hoe sommigen de mazen van de wet handig weten te vinden of zó gigantisch slim zijn dat ze soms de werkelijkheid een beetje lijken te missen.

Bijvoorbeeld om een groot voetbalevenement te organiseren in een erg heet land.

Dat het daar zo warm is realiseerde men zich eerst niet zo toen in 2010 Sepp Blatter bekend maakte dat het Qatar geworden was. Pas in 2015, vijf jaar later, werd dan toch maar besloten om WK voetbal te verschuiven van de zomer naar de winter, november.

En voor het eerst viel het woord ‘airco’ in combinatie met een voetbalstadion!

Natuurlijk heeft ieder land het recht om evenementen te organiseren maar probeer daar dan wel de praktische kant goed in het oog te houden. Want nu is het een voetbaltoernooi maar straks willen ze ook nog de Olympische Winterspelen organiseren! Waarschijnlijk niet eens omdat ze zo van wintersporten houden maar meer omdat ze zo ontzettend veel geld hebben dat ze van gekkigheid niet meer weten hoe ze het uit moeten geven. Daarom is dit helemaal niet zo’n rare gedachte want ze zetten zonder energieschaamte de airco’s op standje Min 30 C en hopsakee, skiën, schaatsen, bobsleeën en snowboarden met die hap. Was het niet China die uiteindelijk sneeuwkanonnen inzette om toch nog genoeg sneeuw voor de sporters te genereren? En schaatsen is natuurlijk helemaal geen probleem want dat doen we hier al jaren. Overdekte ijspaleizen en kunstijsbaantjes op pleinen is gemeengoed sinds we geen echte winters meer hebben.

Maar het klopt niet.

Vooral tegenwoordig, nu we er een vijand bij hebben, dat galgengebroed Vriendje Stikstof! Een prima reden om eens goed over na te denken voordat je iets gaat organiseren. We weten het nu toch wel of blijven we alleen maar wijzen naar de boeren? Nou, met horten en stoten. Om een voorbeeld te noemen, dit jaar was men nog voornemens een muziekfestival te organiseren voor 6000 jongeren rondom een duinmeertje op Terschelling. Midden in de natuur, op een eiland met 4700 inwoners.

Qatar lijkt mij een goed alternatief!

Maar ik was er vanaf het konijn-uit-de-hoed moment al klaar mee. Ik ben niet hoogopgeleid maar was er al klaar mee omdat het tegen mijn gezond verstand indruiste. En het was nog voordat we wisten dat vele arbeiders het leven lieten omdat ze in erbarmelijke omstandigheden het werk moesten doen. Omstandigheden waar onze ouders en voorouders nog tegen gevochten hebben en vorm kreeg in de Arbowet. Die wet is niet zaligmakend hoor, ik ervaar zelf nog regelmatig omstandigheden die aandacht zouden moeten krijgen. En daarnaast, wij hebben in dit land ook arbeidsmigranten die (voornamelijk) de klote klusjes voor ons doen omdat wij, inmiddels verwend door alle luxe om ons heen, daar onze neus voor optrekken.

Dat noemen ze ook wel boter op het hoofd hebben.

Maar al zijn we verwend geraakt, ik geloof niet dat het overgrote deel van onze bevolking nou zat te springen om een WK voetbal in Qatar. Nee, dat is bedacht door de zogenaamde Bobo’s die al sinds jaren de sportwereld aan het uitmelken zijn. Zogenaamd ter vermaak van het volk en achter de schermen ter vermaak van eigen vermogen.

Dat noemen ze ook wel zakkenvullen.

Ik heb wel te doen met de voetballers die aan dit toernooi mee mogen doen. Het zijn natuurlijk al goudhaantjes want het vele geld wat er in de voetbalwereld omgaat is natuurlijk te idioot voor woorden! En wat te denken van al die praatprogramma’s over voetbal, dat is eigenlijk net zo idioot. Want door al dat uitmelken van dit spelletje creëer je dat mensen zich ervan af gaan keren. Vooral als we weer eens zien hoe supporters elkaar voor, tijdens en na de wedstrijden aftuigen.

Die mafkezen spreken zelfs ergens af om elkaar het schompes te slaan!

En laten we wel wezen, het weer is er óók niet naar! Normaal gesproken kijk je de WK- of de EK-voetbal in je oranje korte broek, jurkje of T-shirt. Niet in een energiebesparend huispak of met handschoenen aan. Uiteraard met verkoelend bier of wijn.

Dus niet met warme chocomel met slagroom.

Hopelijk leren we van onze fouten.

(Uiteraard vervalt al het voorgaande zodra we Wereldkampioen worden!)

Bespaar jezelf door in de spiegel te kijken

Met het ouder worden voel ik mij steeds rustiger worden, maken ze mij de pis niet meer lauw zoals ze dat in Brabant zeggen. Niet dat ik al half in mijn kist lig hoor, ik kijk het leven nog steeds recht in de ogen aan. En ik kan mij ook nog erg druk maken maar dan alleen als het om écht belangrijke zaken.

Maar mij druk maken om zaken die jezelf in de hand hebt doe ik niet meer.

Want veel problemen zijn te voorkomen. Zoals bijvoorbeeld het krijgen van een boete vanwege een verkeersovertreding. Zo las ik een krantenbericht dat er in vier maanden tijd een kleine drie miljoen euro’s aan boetes zijn uitgedeeld. Met name voor te hard rijden, Appen en niet handsfree bellen. Drie miljoen euro in vier maanden is bijna tien miljoen per jaar. Want het zijn heus niet seizoensgebonden overtredingen.

Maar wát een geld!

En dat terwijl we juist nu op de kleintjes moeten letten met de huidige energieprijzen én alle andere prijsstijgingen vanwege die verdomde oorlog verderop. Natuurlijk is het makkelijk om te wijzen naar alle veroorzakers maar die slapen er geen nacht slechter om. Of de handhavers van de verkeersregels af te zeiken middels een grote bek of met domme reacties op Facebookberichten. Wees een kerel of vrouw en accepteer de straf. En als het echt onterecht zou zijn dan bestaan er in dit land (!) genoeg mogelijkheden om bezwaar te maken.

Maar nóg makkelijker is het om jezelf eens een spiegel voor te houden.

Hard rijden bijvoorbeeld. Ik zie vaak auto’s inhalen, ruim boven de maximale snelheid. Super hoor, dat geeft een heerlijk gevoel, voor jou maar ook voor de Kiele Kiele Qatar-Sjeiks. Die lachen zich een krul in de Kufiya en zien hun exorbitante vermogen alleen maar groeien. Vooral omdat dat harde rijden geen zin heeft want iets verderop moet je weer volop de rem omdat er nog iemand anders aan het inhalen was. Vraag jezelf maar eens af hoe vaak je nieuwe remschijven nodig hebt. Dit soort rijgedrag kost alleen maar geld want we kunnen nu eenmaal niet in dit land lekker doorrijden. We wonen echt niet op een circuit! Het is dom.

Oliedom!

Het komt vast door mijn leeftijd dat ik al jaren snap dat hardrijden zinloos is. Maar het komt ook doordat ik, helaas, heel veel herinneringen heb aan mensen die omgekomen zijn door te hard rijdende auto’s. Zowel jonge als oude mensen die er nog gewoon hadden kunnen zijn, ware het niet dat die automobilist net bezig met van alles, behalve met opletten in het verkeer. En ik ben echt niet heilig hierin hoor, ook ik heb in het verleden dingen gedaan tijdens het autorijden die nét goed gingen.

En ook ik kreeg regelmatig bekeuringen op de mat.

Toen ik kinderen kreeg en daarmee kennelijk ook iets meer verantwoordelijkheids gevoel, werd het wat rustiger op dat gebied. Want je kan je geld maar één keer uitgeven en dan geef ik het liever aan iets nuttigs of leuks dan aan Vadertje Staat. Ik draag al genoeg belasting af. Dat vertelde ik laatst een jonge vader. Hij had te hard gereden en er hing hem een dikke bekeuring boven het hoofd. Een hele dikke bekeuring. Ik vroeg hem naar de reden, of er misschien thuis iets loos was met zijn gezin. Zijn antwoord was verrassend:

“Nee ik ging niet naar huis, ik was op weg naar mijn werk.”

Ik schoot in de lach: “Wát? Náár je werk? Man, wat ben jij een sukkel!” Hij schrok van mijn reactie, was even van zijn stuk gebracht. “Ja maar… ik mocht daar maar 60 km per uur en ik had niet in de gaten dat ik veel harder reed.” Ik zei: “Gozer! Stap iets eerder je bed uit en zet je cruisecontrol op dit soort wegen op 65 kilometertjes, luister ondertussen naar je favoriete muziek, kijk chill om je heen en bovenal, maak je niet druk!”

Uiteindelijk hebben we er beiden hard om moeten lachen.

Want zo slim is hij wel. Je druk maken in deze welvaart is eigenlijk verspilling van je energie. En inmiddels lijkt het steeds meer door te dringen dat we inderdaad moeten oppassen voor het verspillen van die energie. Ik denk dat vele generatiegenoten mijn gedachten hierover wel zullen herkennen. Want tijdens onze jeugdjaren klonk in menig huishouden dezelfde opvoedingsretoriek:

“Deur dicht! We stoken niet voor de vogeltjes!”

Of lichten uit. Of eet je bord leeg want er zijn landen waar ze helemaal niks te eten hebben. Of knijp die tandpasta-tube beter uit, er zit nog voor een heel weeshuis in! Daarnaast was het gewoon om de fiets te pakken want auto’s waren schaars en als ze er al waren stond er maar één auto per huishouden voor de deur.

Dat is nu wel anders.

Gelukkig krijgt de fiets tegenwoordig weer meer waardering door het gemak, met ondersteuning of juist zo gebouwd dat er haast geen weerstand meer is. Maar ook in de wetenschap dat je vaak veel sneller op de plaats van bestemming bent, in bewéging bent én een frisse neus krijgt.

Het vraagt nauwelijks energie, enkel en alleen maar van jezelf.

En dat is weer goed voor je mentale energie. Want mentaal krijgen we heden ten dage veel te verwerken. De hele wereld komt binnen via onze telefoontjes en dan is het logisch dat we daar soms hoorndol van worden. Deed ik vroeger nog wat lacherig om geestelijke hulpverlening, in de huidige tijd denk ik daar totaal anders over. Want de mens is geen machine maar iemand met gevoelens. Helaas laat het tekort aan hulpverleners zien dat steeds vaker menig emmertje overloopt. En dan kan een goed gesprek met een vertrouweling jou handvatten geven om met die druk om te leren gaan. Dat scheelt weer een grote bek geven tegen de winkelbediende, de dokter, de journalist, de persfotograaf, de verpleegkundige, de brandweerman, de meester of de juf, de callcenter medewerker, de politicus, de vrijwilligers op en om de sportaccommodaties of de buurman.

Of tegen de agent.

De agent die je net staande heeft gehouden omdat je te hard reed.

 

De je-weet-wel-man en andere taboes

Steeds vaker zien we hoe taboes doorbroken worden. Alles moet transparant zijn en bespreekbaar. De jeugd weet al niet beter. Dat is op zich best verfrissend want er komen dan wel eens onderwerpen voorbij die eens niet over het weer, de grote beurt van de auto of een samenvatting van een voetbalwedstrijdje gaan. Maar er zitten natuurlijk wel grenzen aan. Ik hoef bijvoorbeeld niet tijdens de koffiepauze te horen hoe iemand de vrije oefeningen in de echtelijke sponde uitgeoefend heeft.

Dat lijkt mij vooral lastig voor de beelddenkers.

Maar een goed gesprek over iemands achtergrond kan mij wel boeien. Vooral omdat je daardoor soms ook de persoon beter leert te begrijpen in zijn of haar doen en laten. Sowieso kan interesse tonen in een ander je eigen ikje verrijken. Of inspireren, waardoor je ineens heel anders naar die persoon gaat kijken. Of dat je door wat de andere je vertelde, je mening over iets of iemand flink bijgeschaafd kan worden. Want zo had jij het nog niet bekeken. Dat is trouwens een hele goede eigenschap, je eigen gelijk bijschaven. Vooral nu, in onze samenleving, dat niemand meer een andere mening accepteert. Een enorme dooddoener want zo kan er nooit meer een fatsoenlijk gesprek (of debat) gehouden worden.

En verliest het begrip ‘nuance’ zijn kracht.

Het taboe welke op ons slavernijverleden rust lijkt ook gebroken te zijn. Honderdvijftig jaar geleden werd de slavernij afgeschaft en deze week was er veel discussie over hóe de Staat die excuses aan gaat bieden. Vanuit Den Haag óf ter plekke, zodat de mensen daar in de ogen gekeken kunnen worden.

Prima die excuses want we kunnen leren van onze fouten uit het verleden.

De televisie-uitzending van Pointer liet zien dat we dat nog steeds níet doen. Daarin zag je hoe het gesteld is met onze arbeidsmigranten en daarvan kreeg ik het schaamrood op de kaken. Vooral omdat we dankzij diezelfde arbeidsmigranten onze welvaart, onze economie draaiende kunnen houden. We hebben ze hard nodig want ze doen werk waar de gemiddelde Nederlander tegenwoordig zijn neus voor ophaalt. In plaats van te zorgen voor deze mensen die huis en haard achterlaten voor een paar rotcenten, stoppen we ze weg in vergane glorie zijnde bungalowparken of oude caravans. Of we proppen ze in kleine kamertjes van Scrooge achtige pandjesbazen.

Moeten de nazaten van deze mensen ook weer 150 jaar wachten op excuses?

Zelf merk ik ook wat opener te worden over bepaalde onderwerpen. Onderwerpen die voorheen binnenskamers bleven omdat je dacht (!) dat het niemand wat aan zou gaan. Nu is dat soms ook zo maar aan de andere kant werkt het ook weer therapeutisch. Even stoom afblazen helpt om je eigen besognes wat beter te kunnen dragen.

Gedeelde smart is halve smart.

Zo praat ik heel makkelijk over een kwaal waar ik aan lijd, slaapapneu. En door die openheid heb ik inmiddels al een heleboel ‘soortgenoten’ gesproken die ook na het kusje aan de partner een masker opzetten om de adem-stops zoveel als mogelijk te beperken. En zo open was ik ook in het verleden over de ellende van een burenruzie en van mijn scheiding. Mijn vorige werkgever vertelde mij tijdens het exitgesprek na een dienstverband van 21 jaar, altijd zo verwonderd te zijn geweest over mijn inzet en lach op de werkvloer. Ondanks de privé perikelen. Ik zei hem dat dit kwam door de hulp die het bedrijf mij bood én doordat mijn collega’s mij steunden door alleen maar te luisteren of even die arm om mijn schouder te slaan.

Zo simpel was het.

Kortgeleden schreef ik nog over het feit dat ik in de bloei van mijn aftakeling zit. Die aftakeling openbaarde zich al enige jaren maar nu werd het ineens wel erg intiem. Dat was nadat de tandarts tegen mij zei dat een opstandige kies niet meer gerepareerd kon worden. De enige optie was trekken! Nou, dat is iets waar je voorheen niet mee te koop liep in mijn beleving, althans, dat dacht ik altijd. En nadat ik het open en bloot vertelde aan anderen kreeg ik er heel wat (gruwel) verhalen voor terug.

Maar het kan nóg intiemer!

Want zo las ik van de week in de krant een artikel over de je-weet-wel mannen. Deze je-weet-wel mannen zijn mannen die zich hebben laten ‘helpen’ aan hun gevoelig onderwerp, hun voortplantingsorgaan. De mannen in dit artikel spraken er over het algemeen heel makkelijk over, met zo nu en dan een spoortje twijfel. De rode draad was wel dat het voor de vrouw fijner is want die hoeft dan even nergens meer aan te denken.

Hooguit aan het onderwerp veilig vrijen.

En het scheelt haar een hele vervelende ingreep. Want bij mannen is het een stuk makkelijker omdat de natuur ooit bepaald heeft de boel buiten boord te hangen. Afijn, het artikel ging ook over wel of geen kinderwensen, de discussie ‘tweede leg’ á la Rob de Nijs en of de seks nog hetzelfde is al ervoor. Hét bewijs dat we steeds vaker gesprekken voeren waar voorheen toch een behoorlijk taboe op zat.

Ik ben zo’n je-weet-wel-man.

De ingreep verliep voor mij nogal stuntelig. Want nadat de dokter mij, man, 37 jaar en vader van drie zonen, opgedragen had in mijn blote kont plaats te nemen op het slagveld, verwelkomde hij nog even een jonge meid die binnenkwam wandelen.

De stagiaire van dienst zeg maar.

Vervolgens werd ik geprikt waar ik niks van voelde en daarna werden de nodige handelingen verricht om mij iets minder man te maken. Althans, zo lachen wij mannen dat een beetje weg. Eén keer vloekte ik even binnensmonds. Dat was het moment dat de leiding naar buiten getrokken werd, dat voelde als een voetbal die in je zak geschopt werd.

Twee weken later moest ik terugkomen, werd ik getest of er nog zwemmers aanwezig waren.

Op mijn brommertje reed ik naar het ziekenhuis en aldaar moest ik het potje vullen. Nou, dat werd een flinke klus! Op het toilet, zonder enige stimulans of opwekkende gedachten, overstemd door het geluid van een …

Kangoo!

De sterilisatieafdeling zat midden in een verbouwing!

Zenden zonder te ontvangen

Met het ouder worden merk ik dat ik ook meer stil sta bij het leven. Zo sta ik de laatste jaren stil bij 2 november, Allerzielen. Dat komt doordat ik en vele anderen door de jaren heen vele geliefden verloren heb. Daarom hebben ze Allerzielen bedacht. Deze dag wordt gebruikt om nog eens extra te denken aan de overledenen, te bidden voor hun ziel.

Dat die ziel mogen rusten in vrede zoals ze dat zo mooi zeggen.

Ik denk regelmatig aan de doden, meestal geïnspireerd door een mooi liedje of mooie muziek. Zo heb ik tijdens het schrijven van dit stukje de muziek van Ludovico Einaudi aanstaan, ‘Time Lapse’. Deze prachtige muziek brengt mij in de juiste stemming, brengt mij voor mijn gevoel iets dichter bij de doden.

De herfst doet de rest.

Niet dat ik in de herfst zit van mijn leven, ik zomer nog volop. Maar ik heb dierbaren die wél in de herfst van hun leven zitten en dat realiseer ik mij steeds meer. Want hun aanwezigheid was mijn hele leven al vanzelfsprekend. Maar als ik ze nu zie, persoonlijk of op een foto die ik binnenkrijg via Whatsapp, zie ik de broosheid terug in de ogen, de handen of in het loopje.

Een realiteit die ons allemaal staat te wachten.

Wellicht de reden dat ik er steeds meer mee bezig ben. Dan beginnen dingen op te vallen waar ik eerder niet zo mee bezig was. Zo heb je op Facebook een venster waar je kan zien wie er op dat moment online zijn. Dat is niet waterdicht hoor, sommige zijn continue online maar dat wil niet zeggen dat ze dat ook daadwerkelijk zijn.

Gewoon vergeten uit te loggen.

Tijdens mijn nachtdiensten check ik op Facebook nog wel eens wie er nog wakker zijn. Collega’s op andere objecten die misschien wel zin hebben om even te chatten om de nacht wat draaglijker te maken. Of de iemand onder mijn vrienden die de slaap niet kan vatten en dan even online gaat om nog even wat tijdlijntjes weg te vegen of te scrollen, in de hoop slaperig te worden waarna alsnog een paar uurtjes geslapen kan worden. Maar soms schrik ik ook als ik zie wie er nog online zijn.

Namelijk ‘vrienden’ die eigenlijk niet meer onder ons zijn.

Dat kan natuurlijk doordat de achterblijvers niet op de hoogte waren van de inloggegevens of omdat ze geen idee hebben hoe een account te deactiveren. En ja, ooit waren hun dierbaren ook actief op Facebook. Of ze hadden een account om een beetje mee te kunnen kijken op alle tijdlijnen om zo ook nog een beetje mee te kunnen praten.

Maar het kan ook zijn omdat ze het gewoon niet wíllen dat het stopt!

Als rouwverwerking zeg maar. Dat er toch nog iets is waar je even naar terug kan kijken. Ik sprak hierover met verschillende levenden onder ons en die betrapten zich er zelf ook wel eens op om nog even bij dat overleden familielid, geliefde of vriend de foto’s te bekijken. Of de berichten te lezen die ze toen bij leven nog geplaatst hadden. Ik doe dat ook, dan lees ik bijvoorbeeld oude chatberichtjes nog even terug. Zo las ik bij een overleden jeugdvriend zijn laatste chatberichtje met mij naar aanleiding van een overlijden van iemand anders waar hij mij van op de hoogte gebracht had. Ik had geschreven: ‘Zonde.. de goeden gaan altijd het eerst..’. Zijn antwoord: ‘Jammer genoeg wel Arjen.

Hij behoorde ook tot de ‘goeden’ onder ons en ging ook te vroeg.

Regelmatig krijg ik op Facebook herinneringen voorgeschoteld over iets wat ik jaren geleden gepost heb. Ook dan kom ik wel eens reacties tegen van mensen die ons ontvallen zijn.

Dat geeft mij eigenlijk best wel een fijn doch weemoedig gevoel.

De vraag is of we dit allemaal wel willen maar aan de andere kant krijgt de digitale omgeving steeds meer vat op ons en zullen we het moeten accepteren. Ermee leren omgaan. Net zoals doodgaan bij het leven hoort moeten we hier ook mee leren om te gaan. Ik kan het mij daarom heel goed voorstellen dat mensen het account van hun dierbaren niet afsluiten. Vooral dan de dierbaren die veel te vroeg gegaan zijn. Om ze zo nog even bij zich te kunnen houden. Dat je nog even met hem of haar kunt chatten. Om te zeggen dat je haar zo mist. Of aan hem door wil geven dat zijn kinderen het zo goed doen, dat hij daar trots op mag wezen en zich daar geen zorgen over hoeft te maken. En hoe ze op hem lijken, dat ik hem weer terugzie in de gezichten van zijn kinderen.

Zenden zonder te ontvangen.

Misschien is dit wel het nieuwe bidden. In plaats van bidden tot Hogere Machten gewoon even een berichtje typen. In de stilte van de nachtelijke uren of geïnspireerd door mooie muziek of een mooi liedje.

Want tijden veranderen en wij veranderen daarin mee.

Digitaal je verdriet delen komt daar ook bij om de hoek kijken. Steeds vaker zie je dat mensen een rouwkaart posten na een overlijden. Dat is een veel snellere manier om de omgeving op de hoogte te brengen en je hebt direct een veel groter bereik. Ik betrap mij erop dan altijd de condoleances te lezen die daarop volgen want naast de reguliere wensen zitten er zo nu en dan ook mooie herinneringen aan de overledene tussen. Ik kan daar wel wat mee maar het moet ook geen circus worden.

Dat de ruis je gedachten overstemt.

Maar ik raak ook geïnspireerd door de mensen die hun verdriet en pijn van het missen van hun geliefde op sociaal media delen, met een foto of met een gedichtje. Omdat ze op dat moment eigenlijk gewoon even een knuffel willen want ze missen hun geliefde zo. Dat is een pijn die elk goed mens voelt, daar ben ik heilig van overtuigd. Hoe fijn is het dan ook om een hartje te plaatsen of even dat medeleven icoontje aan te klikken.

Een kleine moeite maar oh zo hartverwarmend.

 

Wie de schoen past

Van de week zag ik de trainer van Ajax tijdens een persconferentie terecht tekeergaan tegen het journaille. Normaal is dat een taak van Louis van Gaal waardoor het deze keer mijn aandacht trok. Aandacht die ik al enige jaren kwijt was omdat al dat gelul over voetbal over het algemeen niks toevoegt. Vooral al dat geld wat erin omgaat maakt de sport steeds belachelijker.

Een dooddoener voor een leuk spelletje.

Als er dan weer eens een wedstrijdje is die ik wil kijken wil schakel ik pas in als de wedstrijd begint. Om dat gelul van die analisten te mijden. Ik kan mijn aandacht daar niet meer bij houden en dan ga je toch op andere dingen letten. Het viel mij op dat (sommige) heren aan tafel met blote voeten in de schoenen zaten. Een modeverschijnsel wellicht, volgens mij ooit bedacht door Ruud Krol. Deze oud-voetballer liep privé met blote voeten in zijn mocassins en kennelijk kregen andere mannen daardoor een warm gevoel en gooiden ze hun sokken weg.

Net zoals Prins Claus ooit de stropdas van zich afwierp.

Naast voetbal analisten zie je ook BN’ers met blote voeten in hun schoenen lopen. Alsof ze daarmee willen zeggen dat ze veel bijzonderder zijn dan de mensen die wél sokken dragen in hun schoenen. Persoonlijk lijkt mij het niet fris. Ik heb, op warme dagen, ook wel eens het schroom van mij afgegooid en bloot mijn schoenen betreden maar vond het uiteindelijk behoorlijk gaan stinken. Zodra ik mijn schoenen dan weer uitdeed leek het net of mijn tenen een klein sprongetje maakten, dankbaar voor deze bevrijding en dankbaar voor de frisse lucht.

Ik beloonde ze met een koudwaterbadje.

Die ‘ban’ op sokken kan ik dus niet begrijpen. Schoenwerpen dan weer wel. Dat is namelijk een cultureel ding. Zo was er in 2008 die Irakese journalist die een schoen naar President Bush gooide. In Irak is een schoen naar iemand werpen een teken van minachting. Daar zit wat in want zolen raken de grond en dat is vies. Daarom doet men ook de schoenen uit in de moskee of als je bij elkaar op visite gaat. Uit respect. Maar de schoen werpen is een absolute belediging.

Absoluut níet te vergelijken door onze Nationale Driekleur, de vlag waar velen voor gestreden én gesneuveld zijn, om te draaien.

Dan is er nog het fenomeen schoenen aan elkaar knopen en deze over een boomtak gooien. Een best wel grappig gezicht alleen vraag ik mij dan af hoe je dag dan verder ‘verloopt’. Vooral als je ook al je sokken weggegooid hebt. Met al die rommel op straat lijkt mij dat een uitdaging of je moet het juist doen in de geest van die halve zool Emile Ratelband. Die liet mensen (betaald!) over hete kolen lopen.

Maar dat terzijde.

Schoenen in bomen gooien komt uit de skate wereld. Die skateboarders hebben griptape op hun skateboards om, het woord zegt het al, goed grip te houden. Maar daardoor slijten hun schoenen vele malen sneller dan ze normaal zouden doen. Wanneer er dan weer een paar naar de gallemiezen zijn, binden ze de veters aan elkaar en gooien ze dan in een boom of iets anders waar ze mooi hoog hangen kunnen.

“Hang ‘em high!” zei Clint Eastwood al in de gelijknamige film.

Ooit was er een populaire Tv-serie, Married with Children. Daar was de hoofdpersoon een schoenenverkoper. In die serie werden eigenlijk alle partijen op een hilarische manier belachelijk werden gemaakt. Maar daarin werd ook het vak, schoenenverkoper, met enige minachting genoemd. Ik begreep dat nooit want schoenenverkoper is naar mijn idee een nobel vak.

Dat werd onlangs maar weer bevestigd.

Ik probeer veel te lopen omdat ik te zwaar ben. Dat doe ik privé maar ook op mijn werk. Voor dat laatste krijg ik zelfs betaald! Maar de laatste jaren ontwikkelde ik de ene na de andere blaar en ja, dan zakt de moed nog wel eens in de schoenen. Daarom besloot ik meer aandacht te besteden aan die schoenen en belanden mijn vrouw en ik bij de ANWB winkel. Samen met mijn vrouw en daarmee buiten onze wil om, aspirant ‘ANWB-stel’.

Maar ja, redelijke prijzen hielpen ons over de drempel.

Het werd wel wat beter maar toch bleven mijn voeten een puinhoop. Zelfs de sokken met Links en Rechts markeringen hielpen niet. Dat deed ons besluiten om de voeten maar eens bloot te leggen bij een podoloog, eentje die verbonden was aan een schoenenzaak zodat we direct goede schoenen konden aanmeten.

Pijnlijk voor de portemonnee maar helend voor de voetjes.

Na grondig onderzoek bleek dat ik niet meer helemaal recht stond en daarmee werd het oordeel geveld: steunzolen! Het mag want ik zit nu eenmaal in de bloei van mijn aftakeling zoals ik al eens eerder memoreerde, een opmerking die ik mocht ontvangen van een jeugdige collega.

Afgelopen zaterdag heb ik ze gehaald.

De schoenverkoopster checkte of ze pasten in mijn werk- wandel- en privéschoenen. De wandelschoenen werden afgekeurd want mijn schoenmaat was niet meer maat 45 maar maat 46.5. Ik schrok. Maar zei stelde mij gerust, dat kwam gewoon door het ouder worden. Die voeten hebben al wat kilometers achter zich liggen en zakken dan wat door. Even later stapte ik op mijn nieuwe wandelschoenen de winkel uit, schoenen waarin mijn tenen piano konden spelen.

Want als je tenen piano kunnen spelen zit de schoen goed!

Daags erna stopte ik de steunzolen in mijn werkschoenen en dat voelde enigszins raar. Maar ja, dat was een kwestie van wennen natuurlijk. Maar met de stappen die ik die dag maakte, 12363 om precies te zijn, voelde ik mijn hakken weer blaarbranden en speelden mijn tenen hele valse noten op de piano! Toen ik thuiskwam vroeg mijn vrouw nieuwsgierig naar mijn ervaringen met de steunzolen. Terwijl ik de schoenen uitschopte en een kreet van oplichting slaakte, wist zij mijn antwoord al. Ze pakte een van de schoenen en graaide de steunzool eruit.

En vervolgens de oude zool die ik vergeten was eruit te halen……

 

 

Aan de reis

Het was de dag voor Maria-Hemelvaart, 14 augustus 1957. In die tijd was 15 augustus nog een katholieke feestdag. Het jonge stel, zij 28 jaar en hij 23 jaar, had vanuit Zaandam de bus gepakt voor hun reis naar Harlingen. Een belangrijke reis want het zou hun verdere leven bepalen.

Na een correctie van eerdere plannen.

Want hij wilde eigenlijk emigreren. Samen met twee vrienden. Alleen kreeg de ene vriend rugklachten en de andere een relatie. Die plannen kwamen daardoor onder druk te staan maar aan de andere kant kwam er misschien wel wat nieuws voor terug. Dat klopte. Hij kwam daarachter toen hij zijn zieke oom uit Harlingen bezocht. Deze lag destijds met tuberculose in het sanatorium te Bilthoven. Deze oom, de broer van zijn moeder, had op Terschelling een bouwbedrijfje. Hij had bedacht dat zijn neef, beginnend Timmerman, wel bij hem aan het werk kon want er stonden een aantal flinke klussen op het programma. Vandaar zijn vraag toen zijn neef aan zijn bed stond:

“Wil je niet naar Terschelling emigreren?”

Daar moest hij eerst even over nadenken. Want hoe stond zijn vriendin hierin? Hij kende haar nog niet zolang want hij had haar leren kennen tijdens een busreisje voor alleenstaanden. Een reisje naar het Zwarte Woud. Dat reisje had in eerste instantie nogal wat voeten in de aarde. Ten eerste omdat hij er flink voor had moeten sparen en ten tweede omdat zijn ouders liever hadden dat hij het geld aan iets anders ging besteden.

Bijvoorbeeld aan een reis naar Lourdes om daar mensen te helpen die slecht ter been waren.

Maar hij hield voet bij stuk en koos voor het Zwarte Woud, ook omdat zijn leraar dat aangeraden had: ‘Als je hout wilt zien moet je naar het Zwarte Woud!’ Daar zat wel wat logica in vond zijn leerling en de reis werd geboekt. Naast de connectie met al dat hout kreeg hij ook connectie met een alleraardigste jongedame uit Zaandam waardoor hij met een goed gevoel dat hoofdstuk sluiten kon.

Om een nieuwe te beginnen.

Zij reageerde positief op de nieuwe ‘emigratieplannen’. Ze spraken af om wel eerst eens te gaan kijken op dat eiland. Zodoende kwamen ze na een lange rit met de bus aan in Harlingen. Het weer was niet echt zomers: wind, regen en relatief onstuimig. Het zomerse weer had Harlingen even overgeslagen. Stoomschip De Noord Nederland lag aan de Willemskade te wachten op het jonge stel maar vertrok uiteindelijk veel later dan gepland. De kapitein dacht iets af te kunnen snijden maar kwam daar bedrogen uit.

Het schip liep vast.

Ondertussen bleef het maar regenen, was de temperatuur flink gezakt en begon de deklast ook nog te schuiven. Daartussen zat een jonge vrouw in slechts een jurkje en een dun zomerjasje te rillen van de kou. En de vermoeidheid begon ook toe te slaan. De bedenker van dit avontuur voelde zijn enthousiasme ook behoorlijk in zijn schoenen zakken. Vooral omdat hij haar hoorde zeggen:

“Ik ben klaar met dat eiland!”

Wat een ellende voor de jonge timmerman. De vertwijfeling sloeg nu ook bij hem toe na jaren van voorspoed in zijn keuzes, keuzes waar hij veel tijd en energie ingestoken had. Studeren, werken en studeren, om zo goed als mogelijk het edele vak als Timmerman onder de knie te krijgen. Nu werd hij dwars gezeten door de grillen van de natuur en kon er geen vinger achter leggen. Amper 23 jaar, vastgelopen, midden op de Waddenzee en om hem heen enkel duisternis.

Hij zag even geen horizon meer.

Ineens kwam het schip weer in beweging, vergezeld door tevreden kreten vanuit de stuurhut. Het schip was weer los en kon haar reis vervolgen. En daarmee leek het weer ook om te slaan want de wind ging nagenoeg liggen en het hield op met regenen. Met het omslaan van de weersomstandigheden sloeg ook het humeur van het jonge stel om. En toen de bewolking openbrak zette een volle maan de hele Waddenzee én het eiland Terschelling vol in de schijnwerpers.

Samen keken ze hand in hand naar hun nieuwe toekomst en was de keuze gemaakt.

Tegen middernacht voerden ze de haven binnen, opgewacht door het vele volk welke waren afgekomen op het nieuws van een vertraagde boot. Tussen het volk stond ook de oom, Nerus van der Zee, om het stel op te halen en ze een warm welkom te geven.

En hopelijk een mooie toekomst!

De volgende dag was het stralend mooi weer en daarmee leek het eiland deze twee jonge mensen te omarmen in de hoop ze niet meer los te laten. Want het eiland kreeg ook steeds meer te maken met toerisme en daarmee tevens een goede economische basis. Natuurlijk was er naast de zakelijke kant van de reis ook nog tijd voor een mooie strandwandeling en werd de liefde voor het eiland beslecht.

Ze waren geland.

Hij begon in september met werken en zij kwam uiteindelijk zes maanden later. Ruim 64 jaar leefden ze met elkaar en dat ging zoals het de meeste mensen vergaat, met ups en downs. Het inburgeren ging ze makkelijk af want ze begrepen hoe je je moest opstellen in een kleine doch hechte gemeenschap. Ze kregen drie kinderen waaronder ondergetekende en die voelden zich de gelukkigste kinderen op Aarde. Want dankzij die stap van hun ouders in het jaar 1957, mochten zij hun jeugd doorbrengen op een eiland.

En daar ben ik ze nog steeds dankbaar voor.

Medio juni 2022 kwam onze moeder weer in stormweer terecht want de ziekte die haar geest zo kwelde kreeg de overhand. Het schip waar ze op voer liep weer even vast en mijn vader kreeg er, ondanks zijn al jarenlange inspanningen, geen beweging meer in. De gesloten afdeling van het plaatselijke verpleeghuis met de mooie naam ‘Griltjeplak’ kreeg er een bewoonster bij. Helaas liep dat niet helemaal zoals alle partijen gewild hadden. Het duurde ongeveer drie maanden van op je tanden bijten, vallen en opstaan en het eeuwige geduld van het oh zo geduldige en lieve personeel.

Toen ging de storm liggen, de hemel brak open en de maan toonde zich aan onze moeder.

De reis is nog niet voorbij maar voor nu is ze weer geland en kijkt ze, met flarden van herinneringen vanaf haar kamer naar buiten.

Naar een door het maanlicht verlichte kalme Waddenzee!

Wat een hondenleven

Het was van de week weer Dierendag en rond die dag bericht de media ons weer met van alles over dieren. Zo bleek dat we steeds meer uitgeven aan kleding voor dieren. Ik herhaal: we geven steeds meer uit aan kleding voor dieren. Crisissen of niet. 

We geven dus geld uit om onze dieren aan te kleden.  

Blijft bijzonder om dit soort berichten te lezen. De liefde voor dieren begint onderhand exorbitante vormen aan te nemen. En de liefde voor de mens neemt juist af. Dat snap ik wel als je ziet hoe sommige mensen zich tegenwoordig gedragen. Grote bekken lijken steeds meer ‘normaal’ en de gewone mens zoekt het dan maar elders. Bijvoorbeeld bij honden. 

Want die geven geen grote bek.  

Ik moet daaraan toevoegen dat er ook grote bekken rondlopen met honden hoor. Kunnen ze die mooi klein houden want dat vinden grote bekken fijn, macht over een ander hebben. Nog niet zo lang geleden zag ik zo’n type lopen. Hij zag er heel stoer uit. Naast hem liep een hond, met de kop heel onderdanig gebogen, ogen constant naar de baas gericht en de staart tussen de benen.  

Typisch een gevalletje Dierenbescherming. 

Want honden, of dieren in het algemeen, kunnen zichzelf niet beschermen tegen mishandelingen of verbaal geweld. En hun trouw wordt in dit soort omstandigheden enorm op de proef gesteld. Ook als je ze kleren aantrekt.  

Want dat is dubbelop. 

Ik kan daar slecht tegen, tegen de ‘ vermenselijking’ van dieren. Dat kinderen die neiging hebben snap ik wel maar steeds vaker zie je dat ook de volwassenen zich hiermee bezighouden. Want het is zo zielig. Zo moest ik op een regenachtige avond het hondje van mijn schoonvader uitlaten. Tijdens het omdoen van de riem riep hij vanuit de kamer dat ik niet vergeten moest om zijn jas aan te doen. Natuurlijk ben ik hem dienstbaar maar in dit geval even niet. Ik riep terug dat ik het zou doen maar liet de jas, hangend aan de kapstok (!), ongemoeid.  

Even dacht ik dat het hondje mij dankbaar aankeek. 

Eenmaal weer terug pakte ik de natte hond op en zette deze op het tafeltje in de schuur. Vervolgens pakte ik een handdoek en wreef haar lekker droog. Nadat ze weer met vier poten op de grond stond, schudde ze haar vacht nog even lekker uit en vervolgens keek ze mij aan met haar meest liefdevolle blik. Want ze wist wat er komen zou: 

De beloning. 

In de vorm van een klein koekje. Een hondenkoekje, zonder toegevoegde suikers zeg maar zoals wij mensen die eten als we braaf geweest zijn. Of als we gewoon trek hebben in iets zoets. Of als we troost zoeken omdat het leven niet altijd even eerlijk of fijn is.  

Of omdat het zo gezellig is! 

Dat hoor ik hier thuis nog wel eens. Meestal nadat ik alle koekjes weer opgegeten heb en de vrouw in huis misgegrepen heeft. Waarom ik al die koekjes opgevreten heb. “Waarom? Omdat ik ze lekker vind. En omdat we ze in huis hebben.” antwoord ik dan, wetende dat ze daar natuurlijk geen genoegen mee neemt. Ik zou ook balen als ik iets wil pakken omdat ik daar zin in heb en er dan achter kom dat het er niet meer is. Het is nog net niet een lege verpakking. Nee, die moffel ik weg in de vuilnisbak. 

Sporen wissen, zie ik ze ook altijd in krimi’s doen. 

Meestal gooi ik mijn standaard betoog op tafel. Dat ze al die gezellige dingen gewoon niet in huis moet halen. Zij is het daar niet mee eens want ze vindt dat dit soort dingen gewoon in huis moeten kunnen liggen. Zodat er zo nu en dan een koekje of een chocolaatje gepakt kan worden. Nou, dat lukt mij niet. Ik lijk wat dat betreft ook op een hond. Die vreten alles op wat ze voorgeschoteld krijgen. Ook een dingetje wat hondenbezitters wel eens vergeten willen. 

Die laten nog net niet de hond mee-eten met de dagelijkse pot.  

Terwijl dat juist zo slecht is voor de hond want die hoort geen zout, suiker of andere toevoegingen te eten. Wanneer ze dat wel doen dan is de kans groot dat er een bezoek aan de dierenarts aan zit te komen. Of dat ze te vroeg qua fitheid en gewicht het loodje moeten leggen. Qua fitheid omdat ze te weinig uitgelaten worden en qua gewicht omdat ze te veel eten krijgen. Natuurlijk begrijp ik de baasjes wel. Want honden zijn gewiekst in bedelen. Je moet sterk in je schoenen staan wil je ze kunnen weerstaan: 

Die trouwe hondenogen.  

Die Dierenbescherming mag wat mij betreft zich meer laten horen middels goede voorlichting zolang dieren niet zelf aan de bel kunnen trekken. Zoals toen tijdens de corona beperkingen, toen veel mensen ineens een hond aan gingen schaffen om zo de tijd wat door te komen. Op zich prima natuurlijk, maar schrijnend waren de berichten dat toen de vrijheid weer wat terugkwam, de honden naar het asiel gebracht werden. 

De reinste dierenmishandeling! 

Een dier neem je niet voor even maar voor het leven. Een goede reden om daarvan af te wijken zou ziekte of ander onvermogen zijn, maar niet omdat ‘de lol’ eraf is of omdat het niet handig is met vakantiereisjes of weekendjes weg. Dat is, ondanks dat we dolgraag een hond zouden willen, een van de redenen dat wij geen hond nemen. Wij werken beiden en een hond in huis past daar niet in. Die zou zich dan de hele dag doodvervelen of de boel bij elkaar blaffen omdat hij niet begrijpen kan dat de baasjes weg zijn. Met een volle blaas. 

Wij wachten nog even tot na ons pensioen. 

Dierendag is een van die dagen die ons doet herinneren dat we huisdieren hebben. Met de daarbij behorende verantwoordelijkheid. Dieren zijn niet alleen voor de leuk wanneer het jóu uitkomt, ze zijn er ook om verzorgd te worden. 24/7, een hondenleven lang. Behandel ze daarom met respect. 

Daar krijg je dik verdiende liefde voor terug! 

De hoeksteen die zijn kracht verloor

Personeelstekort. Het zoveelste grote probleem waar we met zijn allen last van hebben. Bij ons thuis is het ook al te merken. Dat tekort openbaart zich meestal aan het einde van de werkweek. Want het huis moet ‘gepoetst’ worden. Maar als je allebei werkt is dat best wel eens lastig. Voor mijn vrouw is dit een belangrijk onderwerp en ik vind het alleen maar ingewikkeld.

Want ik zie vaak niet wat zij wél ziet!

Niet dat ik ervoor weg wil lopen hoor, ik weet het: een opgeruimd huis is een opgeruimd hoofd. Dat is gewoon een feit waar niet mee te spotten valt. Ik pak ook zo de stofzuiger en zuig van boven naar beneden en geloof mij op mijn woord:

Ook onder het bed of andere obstakels.

En toch vergeet ik dan wat volgens mijn geliefde. Namelijk het afstoffen. Want volgens haar moet er eerst gestoft worden met zo’n doekie aan een stokkie voordat er gezogen gaat worden. En daar zit nu de kneep.

Ik kan dat niet.

Omdat dat doekie in mijn ogen totaal geen effect heeft. Een uitgeknepen doek na een verfrissende duik in een fris ruikend sopje heeft in mijn ogen veel meer effect dan zo’n zakdoek op een stokkie. Maar dat wil ze niet en sinds we dat uitgesproken hebben naar elkaar tijdens de relatietherapie die wij moesten volgen kwamen we tot het volgende compromis:

Zij stoft. Ik zuig.

Maar het valt ons zwaar dat schoonmaken na een dikke werkweek. En naast dat werk mantelzorgt mijn vrouw ook nog. En dan snap ik wel haar verlangen naar personeel welke die taak over kan nemen. Iemand die elke week enkele uurtjes langskomt en dan tekeergaat als een Witte Tornado.

Helaas pindakaas.

De enige troost die wij hebben is dat we niet de enigen zijn die last ondervinden van de tekorten. In vrijwel elke branche schreeuwen ze om personeel. En je kon erop wachten dat die ene discussie dan gestart gaat worden:

De discussie over de lengte van de werkweek.

Vroeger was het simpel: de vrouw zorgde voor het huishouden en de (eventuele) kinderen en de man werkte. De hele week, minimaal 40 uur. Toen ik een gezin gesticht had met drie jonge kinderen was ik de kostwinner. De reden dat ik de kostwinner was kwam voort uit gemakzucht. Ik werkte heel onregelmatig en ik vond dat de kinderen altijd op een ouder moesten kunnen rekenen. Als zij ook zou werken werd dat een hele toer om te organiseren. De prijs die ik daarvoor betaalde was dat ik haast elke maand financieel tekortkwam. Om dat weer op te lossen zocht ik nog meer werk, hetzij middels overuren hetzij met werk aanpakken buiten mijn eigen werk om. Zo was ik ooit oproep-glazenwasser en stond ik regelmatig in Horeca-keukens om wat bij te verdienen. En geheel in stijl van een christelijke politieke partij in die tijd, gelet op hun slogan:

‘Het gezin is de hoeksteen van de samenleving.’

De gedachte achter die slogan was een nobel streven, daar kon je het alleen maar mee eens zijn. Maar zoals we allemaal weten, tijden veranderen en de 24 uur maatschappij ontwikkelde zich met de dag. Van het woord parttime had nog niemand gehoord maar door het stijgen van de welvaart en de daarbij behorende uitgaven besloten steeds meer huisvrouwen (en wellicht ook huismannen) er een parttimebaan bij te nemen. Doordat beide ouders gingen werken kregen we te maken met het fenomeen ‘sleutelkinderen,’ kinderen die uit school in een leeg huis kwamen. En ja, als er geen toezicht is willen kinderen nog wel eens afdwalen van de regeltjes of ze gaan juist afdwalen omdat ze gewoon hun ouders missen.

De eerdergenoemde hoeksteen werd poreus, begon scheurtjes te vertonen en verloor stevigheid.

De laatste jaren is er overal tekort aan personeel en laait de discussie op om parttimers meer uren te laten werken. Want parttime werken is erg populair. We zien het nu ook bij jonge stellen. Die werken dan allebei drie of hoogstens vier dagen en zijn eigenlijk best wel tevreden met de inkomsten. Maar als iedereen nu eens fulltime zou gaan werken dan zou dat een hoop problemen kunnen oplossen. Ten eerste komt er dan natuurlijk meer geld binnen waardoor je niet meer élke maand tekortkomt. Er is dan ook minder tijd om het uit te geven en er is wellicht ook geld voor een ontbijtje zodat de kinderen niet met honger naar school hoeven. Of, erger, in hun pauzes naar de supermarkt moeten om hun verlate ontbijt of lunch zèlf te kopen.

Dat is dan weer driedubbele winst zou ik zeggen.

Ten tweede is het ook goed voor de relatie. Want als je allebei zou werken kun je ook geen ruzie maken. Daarnaast zie je elkaar minder en komt het verlangen om elkaar te zien weer terug en wellicht daarmee ook de liefde.

Waar het immers ooit mee begonnen is!

Ten derde is het mentaal ook beter voor je. Want ook al is werken absoluut niet altijd even leuk, het is wel goed voor je sociale vaardigheden en het vergroot je wereld. Dat ene goede gesprek in de koffiepauze of even flink met elkaar lachen kan een enorme boost geven van je dag. Of wanneer je aan het einde van een werkdag tegen een collega kan zeggen dat jullie zo lekker samengewerkt hebben.

Dat kan al aanvoelen als een klein gelukje.

Want de hele dag naar je muren of je buren kijken is niet een ideale situatie om de dag door te komen. Bovenstaande geldt natuurlijk alleen voor mensen die in staat zijn om te werken want dat is, helaas, niet voor iedereen weggelegd. En het kan natuurlijk alleen wanneer de energieprijzen weer genormaliseerd zijn. Want tegen de huidige tarieven valt niet te werken, of de kinderen moeten ook een baan zoeken. Dat laatste scheelt dan weer buitenschoolse opvang, dat dan weer wel.

En de taakverdeling thuis moet dan natuurlijk evenredig verdeeld worden, dus ook de vervelende taakjes.

In mijn geval eerst stoffen en dan stofzuigen!

(Rectificatie, op dringend verzoek van mijn vrouw: eerst stoffen, dan òòk het frisse sopdoekje en dan pas stofzuigen!)

Breekbare mensen

Mensen die anderen kunnen vermaken zijn er al eeuwen. Zo had een beetje zichzelf respecterende koning of keizer een Nar ter vermaak van henzelf en de Hofhouding. In onze huidige tijd kregen we te maken met cabaretiers die via de theaters ons even de dagelijkse problemen deden vergeten. Na de intrede van de televisie zagen we grapjassen op tv die ons van de bank deden rollen op zaterdagavond, zoals bijvoorbeeld Andre van Duin. 

Onder het genot van een glas gazeuse en een stuk Sneeuwster met het hele gezin voor de buis. 

De cabaretier had naast de lach die hij ontlokte ook regelmatig een serieuze ondertoon. Hij of zij hield je dan een spiegel voor van je gedrag, in de hoop dat je er wat van opsteken zou of, misschien nog mooier, dat je er misschien naar ging leven.  

Uiteraard met een flinke dosis zelfspot! 

Deze lolbroeken hadden er ooit voor gekozen om anderen te vermaken. Maar op een gegeven moment kwam er een ander soort amusement naar voren, amusement waar de gewone burger (on)vrijwillig aan mee ging doen. Zo had je het zeer succesvolle tv-programma ‘Showroom’. Hier werden bijzondere mensen uitgelicht, in de schijnwerpers gezet en heel Nederland smulde ervan. Dat kon toen ook nog omdat er nog niet zoveel tv-zenders waren. Maar het kwam ook omdat het een nieuwe manier van programma’s maken was. 

Ziehier de intrede van ‘reality-tv’.  

Dit fenomeen kwam uit de koker van onder andere de heren Van der Ende en De Mol. Die laatste is momenteel weer veel in het nieuws vanwege de uitspattingen in zijn BN’ers Stal. Maar dat reality was andere koek. Mensen werden gelokt met veel geld om zichzelf te kijk te zetten op de televisie, zoals bij Big Brother of ‘Over de Rooie’. Dat laatste programma was ranziger dan ranzig en legde de hebzucht van de mens bloot.  

Inclusief eventueel nog andere lichaamsdelen. 

Maar dat boeide de makers niet want er werd massaal naar gekeken. Grensoverschrijdende televisie waar wij mensen nog niet veel ervaring mee hadden. Men vond het ranzig maar de zucht naar sensatie was geboren en we verloren daarmee al een beetje onze onschuld. Hoe extremer hoe meer kijkers. Goed (of beter gezegd slecht) voorbeeld zijn de ‘kijkers’ files die ontstaan na een ongeluk op de andere rijbanen. Of als er iemand in elkaar geslagen wordt door een groepje idioten dan is het ook ‘fijn’ om daarnaar te kijken.  

Uiteraard filmend zodat het weer gedeeld kan worden.  

Werden de bijzondere mensen bij Showroom nog enigszins fatsoenlijk benaderd en begeleid, bij de reality programma’s was daar weinig meer van te merken. Soms leek het wel of de deelnemers geselecteerd werden op hoe ‘bijzonder’ ze waren want dat was nóg beter voor de kijkcijfers. Dat zagen de publieke omroepen ook en al gauw zagen we de diarree ook bij hen over de randen van fatsoen heen sijpelen. Neem maar eens een gemiddelde aflevering van de Rijdende Rechter. 

Soms te gênant om naar te kijken. 

Maar dat was nog niet alles. Het opkomende internet bood de mens ook een podium. Zo maakten we kennis met de ‘Internet-gekkies’. Dit waren filmpjes op YouTube waarin gewone en bijzondere mensen iets zeiden wat heel grappig was. Mijn (puberende) kinderen waren hier groot fan van en zo kreeg ik ze ook onder ogen en ja, het was ook vaak erg grappig. Maar dit waren excessen en de meeste filmpjes waren zó gesneden dat het grappig werd. Die mensen hadden zelfs misschien niet eens in de gaten dat ze eigenlijk voor paal werden gezet. Maar tegenwoordig lijkt het wel of we overladen worden met filmpjes van mensen die alleen maar onzin uitkramen. Het is niet zo dat de hele wereld gek aan het worden is maar soms denk ik wel eens dat we verdacht dicht in de buurt komen. Vooral de laatste jaren zie je dat. De media hebben deze, vaak boze, mensen ook ontdekt en geven ze graag een podium. Niet om de inhoud maar puur omdat het scoort, om dezelfde redenen als hierboven beschreven.  

Ik zie alleen maar breekbare mensen. 

Mensen die gevoed worden door populisten zowel aan de rechter- als linkerflanken van de politiek. Opgehitst om alles en iedereen om zich heen te wantrouwen en aangespoord om de barricades te beklimmen. En weet je wat ze ervoor terugkrijgen?  

Aandacht.  

Alleen hebben ze niet in de gaten dat ze de verkeerde aandacht krijgen. Voorheen hadden we nog genoeg instanties die deze mensen konden begeleiden. Instanties die de zo gevraagde aandacht gaven aan deze mensen. Maar sinds de politiek daarop ging bezuinigen is het hek van de dam. Populisten spelen daar handig op in en voeden deze mensen met wantrouwen tegen diezelfde politiek.  

Dat zien we met grote regelmaat in de Tweede Kamer voorbijkomen. 

Daar vechten 21 partijen om een been en uiteindelijk gaat niemand ermee heen. Met als gevolg dat de ‘gewone’ burger die ‘gewoon’ in het leven staat en de dingen doet zoals we dat ooit afgesproken hebben, hoofdschuddend zich hiervan gaat afkeren. Moe van al die boze mensen die schreeuwen en tieren en zich manifesteren op plekken waar politieke meningen vooral níets te zoeken hebben. Steeds vaker worden acties van anderen of evenementen ter vermaak van het volk gekaapt.  

Parasiteren noemen we dat. 

Al die politieke partijen en al die meningen is natuurlijk onze eigen schuld. Want we willen allemaal aandacht voor onze meningen. Het begint een klucht te worden die geen nar of cabaretier had kunnen verzinnen. En dat splinteren woekert voort, zowel in Den Haag als in de lokale politiek. Nóg meer meningen. Nóg meer vergaderen. 

Nóg meer tijdverlies om de grote problemen op te lossen.  

Ik heb humor hoog in het vaandel staan maar ik merk dat het lachen mij steeds vaker vergaat. Gelukkig sta ik met beide benen op de grond en dat houdt mij in evenwicht.  

Toch wankel ik wel eens, dan word ik even van mijn stuk gebracht. 

Breekbaar zoals een mens kan en mag zijn.  

En vertrouwende dat het gezonde verstand die breekbaarheid weer opheft! 

 

Een waar Meesterwerk!

Mijn vrouw was er zelfs wat emotioneel onder, zo blij was ze met het resultaat. Ik hinkte daardoor niet op twee maar op drie gedachten want één: het deed mij erg goed dat ze zo blij was, twee: het scheelde mij een hoop werk en drie: zij was nu wel heel erg op de hand van ‘die andere’. En dat was niet de eerste keer.

Want oh, oh, oh, wat was die man toch handig!

Nu moet ik haar daar wel gelijk in geven hoor, die man is ontzettend handig, alleen baal ik van de aandacht die hij dan vervolgens krijgt. Dat mag best minder. Want ik ben misschien (volgens haar) wel de liefde van haar leven maar heb een enorm groot nadeel:

Ik ben totaal niet handig!

En dat is hij wel, Tinus, de man die alles kan. Sinds wij hem leerden kennen heeft hij al heel wat klusjes c.q. klussen gedaan hier in en om het huis. En vorige week kwam daar nog een klus bij, in de schuur een zogenaamde plafond-opslag maken zodat we de ruimte optimaal gebruiken kunnen.

Ik mocht meehelpen.

En dat helpen bestond uit planken vasthouden, gereedschap aangeven, planken weer loslaten, gereedschap weer aanpakken, de scherpe randjes van de plankjes afschaven en afrekenen bij de houtboer. Niet de Tovenaarsleerling maar de Timmermansleerling. Alhoewel ik zijn ambachtelijke werkzaamheden wel zie als tovenaarskunsten, wat zijn ogen zien kunnen zijn handen maken. Als leerling zijnde was er maar een manier om haar terug te winnen.

Door een Meesterwerk af te leveren!

De vraag was of ik die kans nog wel zou krijgen. Want ja, die plafond-opslag was schitterend geworden, heel praktisch en de afwerking verdiende lof, trompettengeschal en Open Doekjes. Want hij had ook nog even vier plankjes boven de stopcontacten gemaakt zodat wij daar ook wat op konden leggen. Dat had deze Spieker-Tinus zelf even bedacht en daar wisten wij niks van.

En toch kwam die kans om een Meesterwerk af te leveren!

Want Majesteit had nog bedacht dat alle huishoudelijke hulpmiddelen die aan een steel gekoppeld waren, zoals de bezem en de dweil, eigenlijk opgehangen moeten worden. En dat wasrekje ook, die dondert steeds om waardoor je haast je nek breekt in de schuur. Kleine ergernissen die met de dag steeds groter werden. Duidelijker signalen kon ik niet krijgen en ik zag dit als míjn kans om te bewijzen dat ik niet alleen maar twee linkerhanden heb.

Dat er toch echt wel een rechterhand tussen zit!

In mijn hoofd gingen alle radertjes als een gek tekeer, maakte ik berekeningen en visualiseerde deze weer totdat ik een compleet plan voor ogen had. Want ik wist van eerdere klussen dat ik nog wel eens wat stappen had overgeslagen en dat daardoor het project net niet lekker afgerond kon worden. Dus eerst goed nadenken wat ik nodig had: klemmen, vier ophangbeugels, rolmaat, hout, houtvijl, schroefjes van de juiste maat, zwarte verf, schroevendraaier en tot slot, misschien wel het belangrijkste onderdeel, geduld.

Op de klemmen en schroefjes na had ik alles in huis.

Vorige week maandag had ik vrij en nadat de dame hier in huis naar haar werk was, sprong ik uit bed en liep linea recta naar de schuur voor een laatste check en meetwerk. Want ‘meten is weten’ zeggen die klus-mannen/-vrouwen/-genderneutralen altijd. Vervolgens voerde ik mijn opdracht uit in de garage want daar kon ik mooi gebruik maken van een tafeltje. Dat tafeltje stond daar al enige tijd te wachten op een renovatie maar daar was ik nog niet aan toe.

Herstel, daar was ik nog niet aan toegekomen!  

First things first. Eerst zaagde ik de plankjes op maat. Deze plankjes hadden de functie om als ondergrond te dienen voor de klemmen en de ophangbeugels want de houten wanden waren te dun om ze er rechtstreeks op te schroeven. Want je moet niet willen dat de schroeven er aan de andere kant van de wand erdoor komen. Die les had ik al uit eerdere ervaringen geleerd, dat was nog uit de tijd dat mijn plannen nog niet zo concreet waren.

Tegen de tijd dat ik ga hemelen ben ik wellicht een volleerd klusser…

Nadat de plankjes gezaagd waren heb ik ze met de vijl bewerkt zodat alle splinters en andere oneffenheden verdwenen waren. Door dat vijlen snoof ik de lucht van dit stukje hout op en voelde de verbinding tussen mens en (natuur)product. En daarmee begreep ik Tinus ook steeds meer want die ruikt ook altijd even aan het hout, ondertussen met een handstreling het hout beroerend.

Net als koks die even hun neus boven de pan hangen en met de hand de geur naar zich toewuiven.

Daarom is het ook belangrijk om dit door te geven aan onze kinderen, dat ze méér even ‘Zelf doen!’ in plaats van de hapklare brokken waarmee ze steeds meer opgroeien. Alles is maakbaar maar het zelf doen voedt de creatieve geest.

Maar dit even terzijde.

Vervolgens verfde ik de plankjes en zette ze weg om te drogen. De aluminium hangbeugels spoot ik zwart zodat ook deze niet op zouden vallen aan de zwarte wand. Ja, zoals ik al schreef, ik had een goed doordacht plan! Die middag monteerde ik alles in elkaar en nadat alles op zijn plaats hing wist ik het:

Missie geslaagd!

En of die geslaagd was! De dame kwam van haar werk en was sprakeloos na het zien van mijn werkzaamheden. Ze vond het schitterend en heel praktisch en de afwerking verdiende lof, trompettengeschal en Open Doekjes.

Ik was zo trots als een aap met zeven lullen.

Die avond gingen we kijken bij een voetbalwedstrijd van een (ex) buurjongen. Vrouwlief was er lopend heen en ik met de fiets. Naast een spannende wedstrijd voelde ik ook romantische spanning tussen haar en mij. Ze wilde teruglopen maar het was al donker en de puber in mij stak daar een stokje voor:

“Spring maar achterop schat!”

De laatste keer dat zij achterop zat was zo’n 40 jaar geleden en wellicht gilde ze daarom zo hard.

Ik heb sindsdien het Turks Fruit (film) deuntje in mijn hoofd!

 

 

Hardlopend zie je het…Wandelend belééf je het!

Hoe mooi is het toch om in een land te mogen wonen waar je op allerlei manieren vermaakt kan worden. Dat vermaken kan vanuit commercieel oogpunt zijn of vanuit traditie. Of gewoon om iets te organiseren in de straat, wijk, dorp of stad. Nu heb ik dit sneller opgeschreven dan dat het werkelijk inhoud, want het kost nog wel wat:

Namelijk heel veel tijd en heel veel vrijwilligers!

Vrijwilligers zijn goud waard in een samenleving en ik pak elke gelegenheid aan om dat nog maar eens te benadrukken. Bij de Run Winschoten, de oudste 100 km ultraloop van Nederland, ken ik een van die vrijwilligers. Haar enthousiasme om aan dit mooie evenement mee te werken is groot, ze neemt er zelfs vrije dagen voor op! Dat doet ze al een jaartje of 13!

Deze mensen zijn Goud waard!

De gelegenheid deze keer is te raden, ik ga het hebben over de Run. Sterker nog, wij, vrouwlief en ik, hebben gisteren meegedaan! Nu zullen de mensen die mij kennen zich afvragen hoe ik dat dan gedacht te hebben aangezien mijn lijf nu niet bepaald atletisch te noemen is. Mijn vrouw daarentegen is een stuk actiever, die wandelt elke week vele kilometers en daarbij is ze ook nog erg van het zwemmen.

Het zwemmen met snoeken zoals we afgelopen vakantie hebben mogen meemaken.

Maar toch deden we allebei mee en we hebben alles met elkaar zo’n 26 kilometers in de benen. Wandelend. Want naast de hardlopers had men ook drie wandeltochten eraan verbonden, 10, 20 of 30 km. Voor elk wat wils, om zo mensen te stimuleren meer te bewegen want links- of rechtsom, wij genieters van de welvaart moeten meer bewegen! Daarvan zijn wij ons bewust en we proberen dat bewegen ook vol te houden. Door flinke stukken te fietsen of door regelmatig een stuk te wandelen.

Dat ik sinds een week lichter door het leven loop was wel in mijn voordeel.

Lichter ja, want er is in het begin van afgelopen week bij mij een kies getrokken. De tandarts had hoofdschuddend de foto bekeken en zei: “Nou, dat was niet veel meer. Dat is niet iets om over naar huis te schrijven… ” Ik schrok. Lang geleden zijn mijn verstandskiezen getrokken en daar had ik nog wel wat beelden bij. Ik besloot er maar een luchtige draai aan te geven: “En in een column?” vroeg ik, omdat ik weet dat dingen van je afschrijven therapeutisch werken kan. “In een column? Tja, dat kan wel natuurlijk.” zei de tandarts en ik zag de verbazing in zijn ogen boven het mondkapje.

“Maar wil je dat ik het nu doe of wil je een nieuwe afspraak?”

Vluchten kon niet meer en ik gaf aan het dan maar direct te doen. De stoel ging weer in ligstand en na heel wat wrik- en trekwerk was de kies eruit en ik een stukje lichter. Een (jongere) collega gaf het later mooi weer toen ik hem verteld had van mijn belevenissen bij de tandarts: “Je zit in de bloei van je aftakeling!”

Zijn tijd komt nog wel.

Gistermorgen was om 10 uur de start voor ruim honderd wandelaars. De omstandigheden waren perfect: bewolkt, 20 graden, nauwelijks wind en zo nu en dan een verkoelend miezer regentje. Vanaf de sporthal Stikkerlaan en bewapend met een papieren routebeschrijving en een Engelstalige dame die ons de weg wees via de telefoon, begonnen we aan onze tocht die ons richting Finsterwolde zou voeren en vervolgens weer retour via Beerta. De eerste honderd meter liepen we nog even met de hardlopers mee maar daarna hadden we de route voor onszelf. Door het Stadspark liepen we richting de Pieter Smitbrug, zijdelings langs Blauwe Stad en dan richting Finsterwolde. Om en nabij 11 uur waren we ter hoogte van (sponsor) Flonk maar we moesten nog even wachten op de koffie want de organisatie liet ons nog even 2 kilometer omlopen zodat we de 10 km konden aftikken alvorens we even mochten pauzeren. De twee dames van de inschrijving in de sporthal (óók vrijwilligers!) stonden ons al op te wachten met een flesje water en een appeltje.

Op het terras ging de koffie met appeltaart erin als koek!

Tijdens deze pauze begon het ook nog eens flink te regenen maar we zaten lekker droog onder de parasols van het Flonk-terras, net als de vele andere wandelaars om ons heen. De sfeer bleef er opperbest onder en nadat het opgehouden was met regenen begonnen we aan de laatste ronde, de ronde die ons weer terug zou leiden naar Winschoten. Er liepen drie mensen voor ons en dat was wel prettig want dat scheelde route lezen. Dat ging een hele tijd goed, totdat we natuurgebied de Tjamme doorgelopen hadden. Het drietal was even gestopt dus nu moesten we wel passeren en zelf weer kaart gaan lezen. Even verderop kwamen we twee dames tegen, ook wandelaars. Zij waren even het spoor bijster en wij eigenlijk ook. Omdat we nu in hetzelfde schuitje zaten besloten we gezamenlijk te overleggen en al gauw konden we weer de draad oppakken.

Maar niet alleen de draad werd opgepakt.

We raakten met elkaar in gesprek en toen bleek dat de dames uit Monster (het Westland nabij Den Haag) en Lekkerkerk kwamen. Hun mannen deden namelijk mee aan de 100 km run en zij hadden bedacht dat deze wandeltocht een mooie tijddoder was voor hun en daar hadden ze natuurlijk helemaal gelijk in. We bleven de rest van de route dan ook bij elkaar en daardoor vergaten we de afstand én de daarbij inmiddels ontstane pijntjes, zoals lies, heup en voor mij de bekende blaarvorming onder mijn voeten.

Maar we vergaten dat, de sfeer onderling was goed en deed de rest.

Dat is ook weer het voordeel van wandelen. Dat je mensen ontmoet, dat je met elkaar in gesprek kan gaan maar het hoeft niet en ondertussen beweeg je lekker en dat is weer goed voor lijf en geest. Maar de route leidde ons ook langs plekken waar wij nog niet eerder geweest waren met de fiets of benenwagen en dat gaf ook weer extra energie. Tegen 3 uur die middag kwamen we weer aan bij de sporthal en kregen we zelfs een heuse medaille, ons aangereikt door wederom die twee vrijwilligers weer die ons de hele dag al begeleid hadden.

Toen we thuis waren voelden we de vermoeidheid wel maar het was de moeite en de pijntjes meer dan waard. We zagen hoe mooi we toch wonen in deze provincie en we ervaarden de vriendelijkheid van mensen om ons heen en dat is een aangenaam gevoel in deze moeilijke tijden waar we momenteel met zijn allen mee te maken hebben.

Volgend jaar doen we weer mee en ik raad bij deze iedereen aan om volgend jaar ook een van de wandelroutes te lopen. Daarmee doe je mee aan een fantastisch evenement, kun je tussendoor ook nog eens al die hardlopers aanmoedigen, gezellig bijkletsen met bekenden (of onbekenden!) en belééf je de RUN nóg meer!

Organisatie RUN: dank jullie wel!

 

 

Klaagzang in drie coupletten

Natuurlijk mogen we niet klagen want dat doen we al massaal over alles en iedereen, maar nu maak ik een uitzondering. Of eigenlijk twee. Of misschien wel drie.  

Ten eerste wil ik klagen over al die aandacht die Nick en Simon kregen omdat ze niet meer als duo gaan optreden. Kom op zeg, zijn we al zo diepgezonken in dit land? Ik was drie jaar lang een (uiterst succesvol) duo met ex-collega ‘maarnietuithethart’ Sean-Lou maar we hebben daar geen mediahype van gemaakt toen we besloten hadden om niet meer samen te werken.  

Want dat was net zoals bij Nick en Simon geen toegevoegde waarde geweest.  

Maar nee hoor, iedereen dook op dit ‘nieuws’, zelfs Radio 1 besteedde er aandacht aan: “Volgende week geven de beide heren een toelichting op hun besluit.” voegde Natasja Gibbs nog toe aan dit ‘onderwerp.’ 

Mag ik een teiltje! 

Ten tweede wil ik klagen over de zomer die achter ons ligt want daar was ik, met het stijgen van de temperaturen, al snel klaar mee. Bah, wat was het vies heet. En droog. En wat duurde het lang. Want normaal hebben we zomers waarin we drie dagen mooi weer hebben en daarna weer regen, wind en alle depressies op één hoop. Of doordeweeks mooi weer en als je dan vrij bent om het weekend te vieren slaat het weer om en vallen al je plannetjes om je vrije dagen goed door te komen letterlijk in het water. 

Natuurlijk was het voor de vakantiegangers een leuke bijvangst.  

Vooral voor diegene die in eigen land vertoefden. Maar als je moest werken was het soms niet te doen. En voor die laatste groep breek ik nu een lans, wil ik de aandacht geven die ze verdienen. Boven op hun salaris, als een soort bonus zeg maar. De ergernis begint al bij de berichtgeving in de media. Want zodra het een beetje begint te zomeren hoor je op radio en televisie enthousiaste kreten zoals: ‘Het wordt lekker warm’ of ‘Geniet van zon, zee en strand’ of ‘Het is goed barbecue weer!’  

Dat moet anders! 

Ik verzoek, nee ik eis dat men het voortaan anders gaat brengen. Bijvoorbeeld: ‘Het wordt warm! Voor de mensen die moeten werken: sterkte! En wat fijn dat jullie elke dag maar weer de moeite nemen om naar het werk te gaan. Voor de mensen die vakantie hebben of om andere reden thuis zitten: geniet ervan en smeer je goed in!’  

Of ‘Geniet van zon, zee en strand en voor degene die moeten werken: Jullie tijd komt nog!’  

Of ‘Het is goed barbecueweer en in de bedrijfskantine met airco hebben ze vandaag lekkere broodjes gezond, de smoothies zijn een aanrader en je hebt geen last van wespen want die zijn buiten, die maken enkel de terrasjes onveilig!’ 

Zo, dat lucht op!  

En ook nog eens zonder te schelden of op de man/vrouw/genderneutraal te spelen. Daarmee kom ik dan toch bij het derde couplet van deze klaagzang en dat is hoe we tegenwoordig reageren op berichten of berichtjes in de media. Eigenlijk wil ik er geen aandacht aan besteden maar ik durf hier wel te beweren dat heel veel mensen er hetzelfde over denken. Het lijkt wel of het steeds erger aan het worden is en het verziekt de sfeer op social media, een platform waar mensen wat kunnen zeggen of een discussie ergens over aangaan.  

Op een normale, beschaafde manier.  

Voordat het social media in ons leven kwam voerden we dit soort gesprekken in de kroeg, op straat, in de kantine of langs de lijn van de sportclub, de winkelstraat of in de supermarkt. Ik durf nu ook weer te beweren dat die gesprekken op een normale, beschaafde manier gingen zonder op de man/vrouw/genderneutraal te spelen. En kwam je er niet uit met elkaar dan vervolgde je je weg met een vriendelijke ‘Fijne dag verder!’  

Maar toen kwam social media…. 

Dat was nog eens een mooi platform! Daar kon je, gewoon vanaf de bank, je mening geven over onderwerpen die langs kwamen zonder dat je er de deur voor uit moest. En dat kwam goed uit want online winkelen was ondertussen ook al gemeengoed geworden dus wie dut mie wat! Daarbij zag je ook nog eens wat van de wereld want de berichtgeving was grenzeloos doordat ‘vrienden’ hun vakantie- ervaringen deelden met jou.  

Heerlijk! Senseootje erbij en genieten! 

Maar met de jaren kwam er gewenning en kennelijk ook een sleur. Sommigen voelden zich niet meer gezien en gehoord en besloten maar eens hun stem te verheffen. Door bijvoorbeeld op de man/vrouw/genderneutraal te spelen, het liefst zo hard mogelijk. Zo zag ik van de week een lokaal bericht over een persoon die voorzitter werd van de cliëntenraad van het ziekenhuis. Nou, die kreeg wat reacties over zich heen!  

Daar lustten de honden geen brood van. 

En niet alleen de kersverse voorzitter, nee, men nam het ziekenhuis ook nog even mee in de onderbuikgevoelens, het ziekenhuis waarvoor aan het begin van de pandemie nog geklapt werd.  

Tenhemelschreiend! 

Berichtgevingen over een erg leuk evenement, straatfestival De Waterbei, kregen ook te maken met negatieve reacties. Zo was ineens de Pieter Smitbrug de pispaal. Dé brug die er gekomen is na de inspanningen van wijlen Burgemeester Pieter Smit waar we óók voor geklapt hebben. Want je kon er ‘niet fatsoenlijk’ overheen fietsen of lopen vanwege de drukte. Uiteraard maakten de tegenstanders van deze brug (ja, die zijn er echt) ook nog even de gelegenheid om hun ongenoegen te spuien.  

Tja.  

Als er duizenden mensen tegelijk op afkomen, dan kan het druk zijn. Net zoals voorgaande jaren wanneer het publiek van Pura Vida, ook zo’n leuk evenement waar wij jaren van hebben mógen genieten, weer huiswaarts keerde.  

Dat werd filefietsen met veel hilariteit: “Pas op! Poaltje!” 

Sommige van deze reaguurders begonnen als amateur maar hebben zich inmiddels zó geprofessionaliseerd dat het haast sneue, BN’ers geworden zijn. Die zitten denk ik de hele dag (en wellicht nacht) te speuren naar berichten waar ze even lekker venijnig op kunnen reageren, in de hoop van… 

Ja, waarvan eigenlijk? 

Mijn advies? Tel tot tien, ga naar buiten en praat rechtstreeks met mensen. Daar knapt elk mens van op! 

 

 

 

 

 

Liefde is… irritaties wegnemen bij je partner

Van de week zei ik ineens spontaan tegen mijn vrouw dat ik van haar hou. Ik hoefde er totaal geen moeite voor te doen. Mijn vrouw reageerde argwanend maar dat was best logisch want zo vaak zeg ik het nu ook weer niet.

Maar deze keer kwam het vanuit mijn tenen!

Deze ontlading ontstond nadat ik de koelkastdeur geopend had. Want ik zag tot mijn grote vreugde dat de eieren weer in hun originele behuizing zaten, gewoon in de eierdoos. Nu zal menigeen denken: eieren zitten toch ook in een eierdoos? Ik heb, om maar eens een voorbeeld te noemen, nog nooit eieren in De Blije Doos gezien. Oké, in een verhuisdoos willen ze nog wel eens voorkomen maar dan weet ik zeker dat ze nog steeds in de eierdoos zitten want anders wordt het zo’n zooitje. Dus ja, dat klopt allemaal.

Deels.

Want de dame hier in huis is nogal van de doosjes, van de opbergsystemen. Nog niet zolang geleden zaten de beschuiten ineens in een andere bus, net zoals de rozijnen, de zoute amandelen, de cranberries, de koekjes, de muesli, de cruesli en de crackers. Toen ik deze verandering schade sloeg zag ze mij denken: ‘Wat was er mis met die oude bakjes?’ Daarom kwam ze direct met een verklaring zodat ik ten eerste deze veranderingen accepteren zou en ten tweede er rustig aan kon wennen. Want het speelde zich af in de keuken en de keuken is toch wel een beetje mijn gebied, mijn territorium zeg maar. Zo heb ik zelf alle oude koekenpannen vervangen voor stalen koekenpannen.

Dat was wel een dingetje.

Want die moesten ingebrand worden en ja, dat was een aanslag op de keuken en onze longen. Daags erna rook je nog de geur van verhit staal en oververhitte olie. Maar het resultaat mocht er wezen, alhoewel de zwaarte van de pannen nog wel enige irritatie bij mijn vrouw teweegbrengt. Dat snap ik dan wel weer en daarom heb ik de taak toegeëigend de gebruikte pannen weer schoon en droog in de oven onder het fornuis te zetten.

Liefde is compromissen sluiten.

Naast de koekenpannen heb ik ook de kruidenkast in eigen beheer. En, toegegeven, ook hier heb ik enige tijd geleden ook wat aanpassingen aangebracht, namelijk nieuwe kruidenpotjes. De oude hadden geen strooi mogelijkheden en toen ik potjes tegenkwam die dat wel hadden mocht ik ze aanschaffen. De volgende dag zat ik lekker mijn nieuwe kruidenpotjes te vullen.

En met de lettertang de inhoud te duiden!

Ik was helemaal in mijn sas en nadat alle potjes op hun plek stonden was ik best wel trots op het eindresultaat. Structuur en orde, het slijt erin met het ouder worden lijkt het wel. Jammer was wel dat ze niet op alfabetische volgorde stonden maar dat kwam omdat praktisch het won van theoretisch: want het meest gebruikte kruidenpotje moet natuurlijk vooraan staan.

Da’s logisch.

Maar wat was er mis met die voorraadbussen? vroeg ik aan mijn vrouw, zonder het uit te spreken want zij had aan mijn blik genoeg. “Omdat ik er niet in kijken kon. Ik greep steeds mis.” Dat begreep ik niet. Want de oude voorraadbussen waren gestickerd met naam. Ook nu weer las ze mijn gedachten en ze vervolgde haar betoog: “Dat komt omdat ze in de la staan en wij kijken erop in plaats van ertegenaan. Moest ik de rozijnen hebben had ik de suikerbus in mijn hand en wilde ik de muesli pakken dan had ik de bus met cranberries te pakken. Daarom heb ik nu deze, transparante bakjes gekocht en ja, dat was de oplossing!”

Een gelukzalige glimlach brak door op haar gezicht.

Liefde is ook accepteren waarna we weer overgingen tot de orde van de dag. Een paar weken later wilde ik de kaas uit de koelkast pakken en zag dat deze in een plastic, transparante bak lag. Dit was nieuw voor mij. Ik wilde de kaas eruit pakken maar kwam in conflict met de ruimte die daarvoor was, de plank erboven zat zó in de weg dat op het moment dat ik de kaas in mijn handen had de bak bijna

Mijn knie voorkwam erger.

Op mijn vraag aan mijn vrouw waar die bak vandaan kwam kreeg ik enkel te horen dat deze zo handig was want nu konden we daar de kaas voortaan in doen. De dagen daarop bleef ik mij ergeren maar besloot er geen kamervragen meer over te stellen. Een motie indienen was nog een idee geweest maar ach, zoals ik al zei, liefde is accepteren. Daarbij is er al genoeg ellende in de wereld, wie ben ik om daar nog meer ellende aan toe te voegen.

Tot het volgende probleem zich ineens aanmeldde.

Dat was ongeveer een weekje later. Ik wilde een eitje bakken en zocht naar de eierdoos. Geen eierdoos te zien. Ik besloot nu actiever te kijken en waarachtig, ik had er finaal overheen gekeken! Er waren wél eieren maar die zaten niet meer in de bekende eierdoos maar in een bak.

Een transparant, hard plastic bak.

En dat was nog niet eens alles. Er zat namelijk een deksel op. Een los deksel. In de bak is ruimte voor maar liefst 12 eitjes wat mij toch even van mijn stuk bracht. Want wat was er mis met de meest gangbare, de 10? Ik pakte de bak er in zijn geheel uit, haalde het deksel eraf en pakte een eitje. Althans, dat probeerde ik maar het ei gleed uit mijn vingers want het lag te diep verzonken in de voorgevormde bodem.

Ook nu heb ik geprobeerd ermee te leven maar na weken van ongemak liet ik de dame hier in huis toch maar even weten wat ik ervan vond. In rake bewoordingen:

Die bak eruit of ik eruit!

Nou, die kwam binnen. Ik legde het probleem haarfijn uit, voegde eraan toe dat ik alle andere veranderingen accepteerde maar deze bak absoluut niet! Met succes, want van de week zaten de eieren weer in hun eigen, originele doos!

En we leefden weer lang en gelukkig!

Schudden voor (nieuw) gebruik!

Natuurlijk weet ik ook wel dat er in de zomervakantie periode het nieuws soms ver gezocht moet worden om onze honger naar nieuws te kunnen stillen. Inclusief roddel en achterklap want daar smullen we van, zie de opkomst van de zogenaamde juice-kanalen. Althans, dat denken heel veel media. Je zou ook een oude wijsheid erbij kunnen halen:

Geen nieuws, goed nieuws!

Maar daar denken ze toch anders over. Het valt mij op dat vanuit de sensatie hoek suggestieve berichten geplaatst worden, die schetsen dan rampspoed, met mogelijk dood en verderf als je de kop van het stuk geloven moet. Maar wanneer je dan verder leest wordt de soep toch niet zo heet gegeten als zij opgediend werd maar dat maakt de boodschapper niet uit.

Want het doel is bereikt, je hebt erop geklikt!

Het maakt ze niet uit dat de lezer daar wel eens last van zou kunnen krijgen. Dat al dat zogenaamde ‘nieuws’ niet meer verwerkt kan worden en dat er dan kortsluiting in het hoofd kan ontstaan. Steeds vaker zie je dat mensen doorslaan en vervolgens als ‘verward persoon’ betiteld worden, terwijl ze dat bij de basis eigenlijk niet waren.

We worden van al dat ‘nieuws’ moedeloos.

Ik heb inmiddels geleerd dit soort schreeuwende en opruiende koppen over te slaan want het voegt niks toe, enkel maar onrust. Het veroorzaakt alleen maar tijdverlies, terwijl je die tijd juist hard nodig hebt om iets moois van je leven te maken. Ook de tv-wereld mag zich wel eens achter de oren krabben. Sinds de eerste televisieprogramma’s gemaakt werden is het er echt niet beter op geworden. Vroeger was het nog wel bij te houden, dan had je maar twee netten en was er enkel in de avonduren een paar uitzendingen. Rond 1989 startte de eerste commerciële tv-zender en was het hek van de dam.

Tegenwoordig worden we overspoeld met zenders.

Prima hoor, dan is er altijd wat te kijken maar wie heeft bedacht dat wij, het volk, elke avond naar praatprogramma’s moeten kijken? En dan hebben ze het allemaal ook nog eens over dezelfde onderwerpen, besproken door deskundigen, betrokkenen, ex-voetballers, ex-voetbaltrainers, bekende Nederlanders in alle soorten en maten en met of zonder snor of een politicus van een kleine fractie die zegt te weinig tijd te hebben voor Kamerdebatten omdat zij of hij een kleine fractie heeft…Het voegt voor het overgrote deel niets toe en zijn vaak enkel maar proefballonnetjes.

Met enkel (gebakken) lucht als inhoud.

Het enige wat al dat gelul toevoegt is onrust bij de kijkers. En omdat het zich ook nog eens laat in de avond afspeelt een tekort aan nachtrust. Want het gaat om scoren, om de kijkcijfers. Dat ‘scoren’ is sinds de komst van de commerciële televisie totaal doorgeslagen en kent geen regels meer. Neem de reality-tv programma’s. Die zijn goed voor het leedvermaak en voeden onder andere het Twitterriool. Want niets is leuker dan met een grote groep een minderheid voor gek zetten. Pestgedrag waar enorm veel geestelijk leed mee veroorzaakt kan worden. En als het dan eens goed mis gaat dan zit men jankend in de rechtbank, dat het niet zo bedoeld was. Maar ja, via Twitter of facebook is het lekker veilig, of waant men zich veilig achter een nep-account. Ik kan maar één woord bedenken voor dit gedrag:

Laf.

Daarom begrijp ik ook dat steeds meer mensen enkel nog naar de streamingdiensten kijken. De jeugd kijkt al haast geen televisie meer want dat medium is allang haar doel voorbijgeschoten. Dat doel was ooit de hardwerkende burgers het dagelijkse nieuws te brengen en inhoudelijke opinies.

En enig entertainment om de geest wat te doen ontspannen.

Voor de knipoog in het leven want de boog kan niet altijd gespannen zijn. Ik ben liefhebber van de knipoog. Daarom heb ik het volgende bedacht, geïnspireerd door die glazen sneeuwbollen waarin een tafereeltje te zien is. Als we nou eens Nederland in zo’n bol stoppen en als we er dan met zijn allen inzitten gaan we schudden.

Heel hard schudden!

Naast dat het goed is voor het stof zul je zien dat het voor nog veel meer zaken goed is. Want we zijn een beetje de verhoudingen kwijtgeraakt in de loop der jaren. We weten ons niet meer te gedragen en dan raken die verhoudingen zoek. Zoals de verhoudingen tussen Randstad en de Provincies. Alles lijkt zich te concentreren in het Westen en dat geeft scheve verhoudingen. Wij, provincialen, zien de problemen daar zich opstapelen. De bekende stranden daar worden genegeerd maar dat is logisch want je wil niet uren in de file staan, de huizen zijn daar te duur (en te schaars), het dagelijkse fileleed ondanks de vele rijstroken begint op te breken, de vervuilde lucht maakt steeds meer mensen ziek, het individualisme groeit waardoor mensen niet meer weten wie hun buren zijn én de reden dat veel mensen vereenzamen, de luchthavens en zware industrie die te dicht bij dorpen en steden staan en het tekort aan personeel om die hele boel 24/7 draaiende te houden.

Het niet-Randstedelijke volk heeft met jullie te doen.

Niet dat het hier allemaal koek en ei is, oh nee, absoluut niet. Maar het verklaart wel dat er steeds meer mensen uit de Randstad vertrekken naar de provincies, net zoals bedrijven en industrie. En nu moeten we oppassen dat er niet opnieuw scheve verhoudingen zullen ontstaan. Daarom moeten we het land gewoon even oppakken en dan effe lekker gaan schudden, net als die sneeuwbollen. Dat is goed voor het (stik)stof en het kan zorgdragen voor een betere verdeling van alle voorzieningen. Want daar short het nog wel eens aan. Vervolgens zorgen we voor goede en snelle openbaar vervoer verbindingen zodat het aantrekkelijker wordt om de auto meer te laten staan, inclusief de Lelylijn. Zodra dat klaar is voeren we landelijk de burenplicht in en om de twee jaar moet elke burger een tolerantie-keuring ondergaan zodat we weer het land worden van vóór het links- en rechtse populisme.

Oh ja, het Binnenhof verplaatsen we naar Utrecht zodat onze politici weer tussen de mensen komen te staan!

 

Vakantiebaantje

Mijn eerste vakantiebaantje was vakkenvuller bij de plaatselijke Spar, 46 jaar geleden om precies te zijn. Toen mocht je als 12-jarige nog wat bijverdienen en naast dat het mocht was het ook heel normaal. Haast elke jonge jongen of meisje werkte om iets bij te verdienen, naast de vijftig cent zakgeld die je wekelijks kreeg. 

Althans, dat kreeg ik op die leeftijd. 

Er waren natuurlijk altijd leeftijdgenoten die meer kregen. Maar die waren op een hand te tellen. Mijn ouders’ motto was duidelijk: Als je heel graag iets wilde hebben dan moest je gewoon een baantje nemen. Op jongere leeftijd liep ik daarom dan ook met folders, van, jawel, diezelfde supermarkt. Elke woensdagmiddag ging ik op pad, door weer en wind en regen of sneeuw, met de daarbij horende ijzige temperaturen.  

Soms, als ik nu overvallen word door een regenbui, voel ik het weer. 

Dat gevoel van die eenzame fietser, kromgebogen over het stuur…Ik werd er zelfs een beetje verdrietig van omdat ik dit werk doen moest terwijl ‘iedereen’ lekker thuis zat. Gelukkig kon ik ermee ophouden toen ik vakken ging vullen bij de Spar. Ik leerde daar natuurlijk eerst de techniek van het vakken vullen. Oude producten naar voren en de nieuwe erachter. En ‘spiegelen’, alle producten netjes naar voren gericht zodat het leek of de vakken vol waren. Mijn inzet werd uiteindelijk beloond met een eigen schap, de koekjeshoek. 

En ik leerde om te gaan met een stukje verantwoording, om dit schap goed bij te houden. 

Maar ik leerde ook om op tijd op het werk te verschijnen, gesprekken te voeren met ‘ouderen’ in de pauzes en om te gaan met de klanten. Naast voorgaande kreeg ik, geheel spontaan, nog een mooie spiegel voorgehouden waar ik later nog veel aan heb gehad. Die les kreeg ik van de slager van die winkel. Hij had mij vanachter de vleesvitrine gadegeslagen toen ik in gesprek raakte met een vrouwelijke, hele knappe dame.  

Tegenwoordig noemen we zo’n dame een Milf.. 

Nadat het gesprek voorbij was en ik weer met mijn neus tussen de koekjes lag, kwam de slager naar mij toe. Hij zei: “Ik heb net naar je gekeken toen je met mevrouw de Vries sprak. En weet je wat mij opviel? Dat je niet stil kon staan! Je hele lijf, armen en benen bleven maar in beweging, alsof je bezig was met een warming-up!”   

Sinds die dag stap ik heel cool en relaxed op de dames af. 

Wat? Naar een dansfilm?!

Het overlijden van Olivia Newton John deed mijn DeLorean-tijdmachine even terugschakelen naar het jaar 1977. Onze voetbalclub, Quick’35, had geregeld dat ons voetbalteam een week naar Hoek van Holland mocht om daar mee te doen aan een KNVB-voetbalkamp. Dat was een hele belevenis want wij, een groepje 13-14 jarige eilanders, waren nog niet veel gewend. We sliepen in legertenten en er waren naast voetbalwedstrijden ook andere activiteiten, zoals tafeltennis- of volleybaltoernooitjes. Qua voetbal eindigde de hoopvolle verwachting van de club in een teleurstelling maar toen ik jaren later hoorde wat een van de oorzaken was, snapte ik het ook wel weer. Want één van die wedstrijden was tegen een Gronings team, ik vermoed GRC Groningen want dat was hun laatste club voordat ze doorbraken.

Het team met Erwin en Ronald Koeman!

We verloren die pot met 4-1 maar we werden uiteindelijk wel eerste met volleybal. En we wonnen de Vossenjacht. Nu is dat laatste logisch want de vossenjacht speelde zich af in bos en duin en ja, daar waren deze eilander jochies wel mee bekend waardoor we de anderen ver achter ons lieten.

Inclusief Erwin en Ronald!

We gingen ook een dagje naar Rotterdam en we begonnen op de Euromast. De leiding vroeg wie er van ons hoogtevrees hadden. Ik kon daar geen antwoord op geven want ik was nog nooit hoger geweest dan het Kaapsduin, het Seinpaalduin of, what’s in a name, het Arjen’s duin, drie bekende Terschellinger duinen. Nadat ik boven was en over de rand naar beneden keek wist ik het ineens wél! Gelukkig had de leiding mij in de smiezen en werd ik rustig de lift ingeduwd waarna ik mij enkele minuten later kon voegen bij de voetballertjes die het wel wisten.

Die zaten aan de voet van de Euromast stiekem te roken want dat deden we toen al een beetje.

Nadat iedereen weer veilig beneden was werd ons verteld wat we verder nog gingen doen. Dat was natuurlijk ergens wat eten maar daar heb ik totaal geen actieve herinneringen meer aan. “En we gaan naar de film!” voegde de leider eraan toe, “Naar Saturday Night Fever.”

Het zei ons niks.

Tot we voor de bioscoop stonden en de filmposter zagen! De hel brak nog net niet uit maar het scheelde niks. Want de filmposter met daarop een gladjanus in een wit pak en een meisje in een rood jurkje sprak ons niet echt tot de verbeelding:

‘Wát! Gaan we naar een dansfilm?’

Dit was effe een tegenvaller voor ons en we werden er zelfs chagrijnig van. Want wij gingen nooit naar dansfilms op het eiland. De bioscoop daar, Actania, draaide nooit dansfilms. Wij gingen daarheen voor films zoals bijvoorbeeld alles van Bud Spencer & Terence Hill, Monty Python’s Life of Brian, Star Wars, The Deer Hunter, Close Encounters of the Third Kind, Jaws, The Boys from Brazil, My name is Nobody, James Bond, Death Wish of Soldaat van Oranje.

Nou, dat waren films waar zeker niet in gedanst werd!

Chagrijnig namen we plaats in de overigens heerlijk zittende fauteuils van de filmzaal. Dat was wat anders dan die houten stoelen in Actania! Daar moet ik wel aan toevoegen dat ze daar houten stoelen gebruikten, om praktische redenen, want die zaal werd ook voor andere doeleinden gebruikt. Zoals de jaarlijkse schoolavond en de uitvoeringen van de muziek –gym- en toneelvereniging. Dan werd aan het einde van de avond de stoelen opgestapeld en verwijderd uit de zaal.

Zodat er gedanst kon worden…

Maar niet door ons. Oké, niet door de meeste onder ons. Want er waren wel jongens die op volksdansen zaten maar dat was anders. En toen we wat later in de puberteit kwamen waren er ook jongens die op stijldansen gingen of die de discovloer niet schuwden. Maar ik hield mij daar verre afzijdig van. Aan mijn lijf alleen maar de polonaise! Maar ook dan was het meestal onder invloed van (te) veel alcohol.

Waar ik overigens later toch wel spijt van had.

De film opende met het nummer Stayin’ Alive en we zagen die gladjanus op het ritme van de muziek met een blik verf in de hand door de New Yorkse straten lopen. Dat had wel wat dacht ik chagrijnig. Tijdens de twee uren die erop volgden werd mijn hele mening over dansfilms flink overhoopgehaald en kreeg ik zelfs visioenen waarin ik door de straten van mijn geboorteplaats loop, Midsland, op het ritme van Stayin’ Alive die via mijn walkman swingend mijn oren vulde.

Eenmaal weer thuis kocht ik ook alvast maar een pot gel, dat gebruikte die gladjanus ook.

Ja, deze film zette ons hele leven best wel op de kop. Er bleek dus meer te zijn dan vecht- of oorlogsfilms. En die gladjanus had een naam, John Travolta. En hij was best wel stoer, ondanks die stomme bloesjes en die hondenogen. Het jaar daarop gingen we weer naar de film, nu weer in onze eigen, vertrouwde bioscoop met in de voorste rijen de oudere en vaak wat luidruchtiger, jeugd. Het was een dansfilm en deze keer wisten we het en waren we zelfs benieuwd.

Grease!

En John Travolta speelde weer mee. Kennelijk had hij ons commentaar op zijn kleding gehoord want in deze film was hij voornamelijk gekleed in zwarte broeken en zwarte, strakke T-shirts. Een hele verbetering. Maar het werd nog stoerder door de zwarte leren jas met achterop ‘T-Birds’ gedrukt! Dat sprak tot de verbeelding en inspireerde mij en mijn vrienden om later een grijs luchtmacht-jasje aan te schaffen bij de Dumb. De achterkant lieten wij bedrukken, daar kwam de naam van onze band op te staan:

‘The Commotion’ Terschelling.

Nu is ‘band’ een groot woord want geen van allen had een gitaar of drumstel maar het was wel stoer. En we hoopten natuurlijk dat het stoer genoeg was om meisjes zoals Olivia Newton John te kunnen versieren! Want zij maakte in deze film diepe indruk op ons, als degelijk meisje maar ook als stoere chick van de ‘Pink Ladies’.

Andere tijden natuurlijk, tegenwoordig zijn er veel meer smaken.

Olivia Newton John zal nooit meer Hopelessly Devoted To Us zijn….

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Niet komkommer- maar doperwtentijd!!!

De doperwten zijn weer terug op het Groningen land na jaren van afwezigheid. Vorige week werden ze in een razend tempo met enorme machines geoogst. Dat moet snel want de erwtjes moeten binnen vijf uur thuiskomen (in de fabriek) waarna ze een paar uur later in de bekende glazen potten zitten.

Waarna de strijd begint wie er voor het raam mag.

Prachtig nieuws toch! Maar die strijd wie er voor het raam mag deed mij denken aan hoe wij momenteel met elkaar omgaan. Want steeds vaker lijkt het wel of de klaagzang regeert in dit land. Niks deugd meer lijkt het wel. Een klein deel van de bevolking is chronisch boos op alles en iedereen, Calimero’tjes die continue terugvallen in hun rol als slachtoffer van… van alles! Om vervolgens te wijzen naar anderen. Sinds een aantal jaren manifesteren ze zich op allerlei fronten, puur en alleen maar om onrust in de samenleving te veroorzaken.

Ze kapen zelfs de boerenacties.

Om moe van te worden. Deze klagers klaagden wellicht al langer maar sinds ze het social media platform gevonden hebben vervuilen ze het internet zodanig dat het steeds meer een A-social media platform aan het worden is. Het wordt beheerst door mensen met het doperwtjessyndroom: ze willen allemaal voor het raam zitten om gezien en gehoord te worden. Of, om maar even actueel te blijven, men wil allemaal als eerste geholpen worden en als dat dan door omstandigheden niet lukt, komt de agressie en brutaliteit om de hoek kijken zoals we zien in de rijen bij Schiphol. Daarnaast lijkt het ook steeds normaler te worden om mensen met een publieke functie bij voorbaat al te wantrouwen of, erger (lees: idioter) te bedreigen!

Dan is écht abnormaal gedrag en ben je niet geschikt!

Empathisch als ik ben hoop ik wél dat deze mensen uiteindelijk opgevangen worden en door goede begeleiding weer met twee benen op de grond gezet worden, alhoewel ik steeds vaker daar mijn twijfels bij krijg. Want we weten dat de geestelijke zorg in dit land door eerdere bezuinigen vanuit Den Haag al lange tijd achter de feiten aanloopt.

Daar gaan wel vaker zaken mis, daar kunnen we het wel weer over eens zijn met elkaar.

Maar dat geeft je niet het recht om via die platforms mensen af te zeiken of erger, te bedreigen. En helemaal niet anoniem of met een gejat account, dan ben je echt een sneu! Want naast de angst die daarmee gezaaid wordt zal het ook steeds moeilijker worden om mensen te vinden die zich in willen zetten voor de publieke dienstverlening, zoals bijvoorbeeld wethouders, raadsleden, leraren, politieagenten, handhavers, zorgmedewerkers en brandweerlieden. Maar ook in de vrijwilligers hoek zoals bij sportclubs zien we steeds meer agressie waardoor het steeds moeilijker wordt om mensen te vinden die in hun vrije tijd (!) ervoor zorgen dat jij of jouw kinderen mooie momenten kunnen beleven.

Wat is dat toch?

Want als we niet meer met elkaar overweg kunnen of als we niet meer met elkaar willen praten kunnen we net zo goed dit landje op marktplaats zetten en verkopen, inclusief de gehele inboedel. Van het geld wat dat oplevert krijgen alle bewoners een evenredig deel en kun je dat gebruiken om je in een ander land te gaan vestigen.

Want buiten Nederland is alles beter, toch?

Blijft wel de vraag of ze je daar willen hebben natuurlijk want ze checken je eerst even door, bijvoorbeeld, even je vrolijke fratsen op social media te bekijken. Of ze spitten nog even in wat andere privacy gevoeligheden want dat nemen ze daar niet zo nauw als in ons landje, waar haast over alles nagedacht is of nog nagedacht zal worden. Ik denk zelfs dat als je zou zeggen dat Nederland een ontzettend kolere land is om in te leven, dat ze van verbazing je keihard beginnen uit te lachen!

Nou, dan sta je echt voor paal!

Die kans is groot want ik zag van de week in het Journaal dat de fietsersbond alarm heeft geslagen. De fietsersbond, ook weer zo’n toegevoegde waarde in ons land maar toch werken die ook klagers in de hand, bijvoorbeeld de verstokte auto gebruikers. Daar kan ik mij wel iets bij voorstellen hoor, want veel fietsers maken er een potje van. Vooral het niet richting aan willen geven of door rood rijden is een grote ergernis.

Maar ik vergeet nu zelf even de richting aan te geven, ik wijk af van het onderwerp.

De fietsersbond sloeg dus alarm. Over de vele paaltjes die ooit voor de veiligheid van de fietsers op de fietspaden geplaatst zijn, om wellicht grotere voertuigen te weren. Dit is niet nieuw hoor, de bond vecht al jaren tegen die paaltjes maar omdat we midden in de vakantieperiode zitten en de media tóch zichzelf moet vullen, komt dit doperwtennieuws toch weer op de voorgrond.

Zelfs terwijl er vlak bij een hele vieze oorlog gevoerd wordt…

Maar ik ben het eens met de fietsersbond, vooral omdat nog niet zolang geleden een vriendin van ons heel lelijk ten val kwam tegen zo’n paaltje. Ze had hem visueel gemist door de laaghangende zon met alle vervelende gevolgen van dien. Terecht klaagde ze hierover, eerst bij de gemeente en die verwezen haar door naar de provincie want die had dit paaltje ooit geplaatst. De provincie medewerker, jazeker, ook een publieke functie, hoorde haar klacht aan en raadde haar aan een mail te sturen waarin haar fysieke én materiële schade duidelijk in vermeld werd. Want ze moest voor onderzoek naar de Eerste Hulp vanwege lichamelijk letsel waardoor haar eigen risico aangesproken werd en de fiets moest naar de fietsenmaker om weer gerepareerd te worden.

Daarna was het even een tijdje stil maar geduld is een schone zaak.

Dat geduld werd ook beloond. Ze werd gebeld door een aardige meneer die nog eens met haar de schade besprak. Plus zaken waar zij nooit aan gedacht had zoals gederfde inkomsten. Uiteindelijk kreeg ze een mooie financiële vergoeding, ze herstelde van het opgelopen letsel en ze fietst weer vrolijk rond.

Zonder te klagen!

 

Zó handig!

Mijn vrouw snapt mij soms niet en dat snap ik dan weer niet. Niet zorgwekkend hoor, we zitten voornamelijk op dezelfde golflengte maar er blijven altijd wel wat ‘losse eindjes’ dat we even niet op dezelfde frequentie zitten. Dat heeft vast ook te maken met het feit dat wij man en vrouw zijn want over het algemeen, uiteraard met uitzonderingen op de regel zoals bijvoorbeeld ANWB-stellen, verschillen die wel eens van gedachtes en bezigheden. Meestal gaat het om de bekende clichés maar zo nu en dan gaat het nét even ergens anders over.  

Zo las ik laatst een krantenartikel over een kaasschaaf.  

Niet zomaar een kaasschaaf, nee, dit was min of meer de ultieme kaasschaaf. En niet geheel toevallig had ik van dit merk een exemplaar in huis, gekocht bij de plaatselijke kaasboer. Dit was een kaasschaaf waar lang over nagedacht was (150 exemplaren ervóór werden afgekeurd!) volgens het artikel waarin enkele industriële ontwerpers aan het woord kwamen. In eerste instantie vroeg ik mij af waarom deze krant, bekend om haar serieuze berichtgeving en wars van sensatie of wat we steeds vaker zien, informatie over de belevenissen van Bekende Nederlanders, zich ging verdiepen in het tot stand komen van een voorwerp welke nou niet echt tot de verbeelding spreekt.  

Hooguit een handig voorwerp maar meer ook niet. 

Of was de schrijver van het artikel ooit beïnvloed geraakt door Van Kooten & De Bie? Dan doel ik op de scene met de Juinense ondernemer Frederik Weuring jr., kleinzoon van uitvinder Frederik Weuring. De scene is op YouTube terug te vinden en het gaat over de uitvinding van de eiersnijder (1911), ook een best wel handig hulpmiddel in de keuken.  

Want voorheen prakte iedereen nog de eieren op brood. 

Maar op een gegeven moment had elk huishouden op de wereld wel een eiersnijder en was de fabriek ten dode opgeschreven. Het bedrijf moest op zoek naar nieuw elan en vond dat in het volgen van een Training, onder leiding van Jappoloog Bob Westra. Deze spiritualist in de Japanse Leer leerde Weuring jr. en zijn personeel om weer in het product, de eiersnijder, te gaan geloven: ‘Akoea! De Weuring’s eiersnijder tot aan mijn dood!’ Met misschien wel een bonus in de vorm van een mooie opvolger van de eiersnijder. 

Zoals bijvoorbeeld de dubbele eiersnijder! 

Toch raakte het kaasschaaf- artikel mij. Letterlijk. Enkele dagen ervoor ondervond ik lijfelijk de perfecte werking van deze kaasschaaf. Dat gebeurde tijdens het brood smeren voor de volgende dag, voor onze broodtrommeltjes. Terwijl ik met mijn linkerhand het stuk extra belegen kaas vasthield, om met de kaasschaaf in mijn rechterhand enige plakjes kaas af te snijden, schoot ik plots van de kaas af omdat ik iets te onoplettend was. Eerst voelde ik niets maar anderhalve minuut later zag ik twee rode plekken verschijnen, respectievelijk aan de linkerzijde van mijn linker pink en op mijn meest linker knokkel.  

Vervolgens voelde ik een schrijnende pijn. 

Dat worden weer van die wondjes met korstjes die mij altijd triggeren om eraf te pulken. Dat is een van de zwaktes die ik heb. Er is zelfs een naam voor: skin picking oftewel huid plukken. Bij mij ontstaat dat vaak doordat zo’n korstje begint te jeuken en dan krab ik het open. 

De jeuk is dan weg maar ik krijg er bloed voor terug. 

Het blijft niet alleen bij wondjes openkrabben, skin pickers hebben ook een verhouding met een pincet. Zodra ze een haartje voelen op een plek waar normaal haren niet horen zoals in en op de oren, heb ik al een pincet te pakken om deze ongewenste haren te elimineren. Vorig jaar kreeg ik zelfs voor mijn verjaardag een eigen pincet omdat ik die van mijn vrouw ging gebruiken.  

Zij is geen skin picker maar een vrouw.  

Afijn, het is best wel sneu dat ik dat doe maar ik kan slecht tegen jeuk. Daarom heb ik ook overal rugkrabbers liggen, zoals op mijn bureau, naast mijn bed, op de bank tussen kussen en armleuning waar ik altijd zit wanneer we tv kijken, in de keuken in het bakje voor de sleutels en opladers en tot slot ook nog eentje in de auto.  

Uitschuifbare rugkrabbers, ook zo’n fantastische uitvinding! 

Maar goed, ik was zo ontzettend blij dat wij nou net dé perfecte kaasschaaf hebben en toen mijn vrouw van werk kwam wilde ik dat direct met haar delen. Maar ik had niet echt het idee dat het bij haar doordrong. Ik besloot er een schepje bovenop te doen: “Deze kaasschaaf heb je voor je leven, zo goed is hij!” Ze keek mij aan alsof ze water zag branden, begreep mijn enthousiasme totaal niet! En vervolgens begon ze te vertellen wat ze even daarvoor in de supermarkt meegemaakt had. “Ik heb net wat meegemaakt! Ik liep door de supermarkt en ineens werd ik aangeklampt door een voor mij onbekende vrouw. Ik schrok mij dood, ik dacht in eerste instantie dat ze mij aanklampte over dat mijn rok scheef zat, of erger..” 

Wat is er erg aan een scheve rok? Of wat kan er erger zijn? Was mijn eerste gedachte als man.  

Maar ineens schoot mij wat te binnen. Ooit wees ik een dame die net van het toilet kwam heel discreet op het feit dat ze haar vest deels in haar rok gestopt zat. Ze werd zo rood als een tomaat, viel op haar knieën en deed mij een huwelijksaanzoek. Daar ben ik natuurlijk niet op ingegaan, zo professioneel was ik wel.  

Maar ze was mij eeuwig dankbaar. 

Vrouwlief ging verder met haar verhaal: “Die vrouw vertelde mij dat ze mijn haar zo mooi vond zitten! Leuk hè!” En ze glom van trots en was helemaal hyper de pieper. “En weet je, op werk werd ik er ook al op aangesproken, zó leuk!”  

Ik begreep dat wel en het vervulde mij met trots dat ik elke dag naar dat mooie kapsel mag kijken.  

Maar het bevestigde de denkwijze tussen man en vrouw. Want mijn enthousiasme voor een kaasschaaf, een eiersnijder of een uitschuifbare rugkrabber was haar duidelijk een brug te ver! 

 

Rust in de tent

Het wordt steeds rustiger om ons heen want de vakantieperiode is begonnen. Vakantie die wij, vroege vogels, al achter de rug hebben. Wij, ‘de restjes’ zeg maar, blijven het land draaiende houden. Weliswaar op halve kracht maar net voldoende om de bazen tevreden te houden. Zodat straks, als iedereen weer terug is, zó de draad weer opgepakt kan worden. Tijdens de koffiepauzes luisteren we dan weer naar alle belevenissen en ervaringen die op zijn gedaan maar laten we afspreken dat we niet de vakantiekiekjes gaan bekijken.

Want dat kan tegenwoordig best wel veel tijd kosten.

Dat komt door het digitale tijdperk waar wij ons in bevinden. We hebben allemaal een camera op onze telefoons en we schieten erop los. Vroeger was dat anders. Dan moest je een camera meesjouwen, ervoor zorgen dat er überhaupt een filmrolletje van 24 of 36 opnames in zat, daarna moesten die rolletjes weer ontwikkeld worden en dat duurde ‘in mijn tijd’ ook nog eens een week! Dus de hoeveelheid foto’s viel wel mee, de koffiepauze was toereikend genoeg om ze aan je collega’s te laten zien.

Dat ging een stuk ingewikkelder dan tegenwoordig!

Zo heb ik momenteel 442 foto’s,17 video’s en 524 WhatsApp afbeeldingen op mijn telefoon staan. Dat valt best mee maar dat komt omdat ik deze telefoon nog niet zolang heb. Op de vorige stonden er een kleine 5000 maar dat is relatief laag omdat ik regelmatig de boel even opschoonde tijdens een verveel momentje omdat die hoeveelheid mij onrustig maakte.

Dat onrustige is nog het analoge in mij.

Voorheen lag die onrust bij die schoenendoos vol met mapjes ontwikkelde foto’s. Want die moesten eigenlijk in een fotoalbum geplakt worden, het liefst met een korte, als het even kon ook nog grappige, beschrijving van wat er te zien was. Dat deed ik ook wel eens maar dan had ik heel veel tijd nodig om mijzelf te motiveren om het daadwerkelijk uit te voeren.

Nu valt er weinig te plakken want alles zit ‘in de cloud’.

Een ander woord voor datacenter. Bij mij staan een heleboel foto’s op mijn computer én ook nog op externe harde schijven. Kopietjes van kopietjes zeg maar, voor als bijvoorbeeld de wereld vergaat. Want stel dat ik dat dan toch overleef dan kan ik zeggen:

“Gelukkig hebben we de foto’s nog!”

Maar ook hier voel ik een spanningsveld omheen hangen. Of misschien wel wat stress, stress of ik ooit orde krijg in die enorme hoeveelheden kiekjes die ik toch met regelmaat maak. Van vakanties of weekendjes weg, van natuurschoon of van gezellige momenten met fijne mensen of van mooie gerechten die er bij ons thuis of elders op tafel gezet worden.

Nee, er zitten geen ‘Overmarsjes’ tussen hoor!

Inplakken van foto’s doen we haast niet meer, dat is zó vorige eeuw. Tegenwoordig doen we het anders. Het is nu een kwestie van ‘slepen’, uploaden, bewerken en achtergronden kiezen. Ik had dat wel eens voorbij zien komen maar tot een paar jaar geleden er nog nooit wat mee gedaan, puur omdat ik mijzelf de tijd er niet voor gunde en misschien dacht ik nog te veel op de analoge manier. Tot vier jaar geleden, toen mijn broer had bedacht dat ik ‘even’ een fotoboek moest maken ter ere van het 60-jarig huwelijksfeest van onze ouders.

Toen moest ik min of meer wel aan de slag.

Hij had mijn vader ook aan het werk gezet door hem te vragen op een A-viertje hun levensloop te beschrijven. Voor later, voor het nageslacht zeg maar zodat de verhalen niet verloren gaan. Mijn vader is wel van de verhalen en dat deelde hij regelmatig met ons, maar zoals wel vaker bij ouders-kind relaties bleven al die verhalen niet altijd hangen op onze ‘harde schijven’, om maar even op het digitale voort te borduren.

“Ja Pa, goed verhaal! Ik ga voetballen hoor!” en weg was ik.

Maar nu we ouder worden en iets minder speels, wonnen die verhalen toch steeds meer aan gewicht en voelde ik er de waarde van. Mijn vader vond dat natuurlijk ook en hij kwam, gelukkig, met iets meer dan een A- viertje waardoor er genoeg te verwerken viel. Mijn zus dook in de vele fotoboeken die mijn ouders in de loop der jaren gemaakt hadden en maakte met haar telefoon foto’s van die foto’s en Appte mij dat weer door.

Het gemak dient de mens.

Toen moest ik wel aan de slag met het maken van een fotoboek én om het computerprogramma onder de knie te krijgen. Elk vrij moment besteedde ik aan het boek, ik sleepte, uploadde en bewerkte mij een ongeluk maar kreeg er steeds meer lol in en begon zelfs de voordelen van een digitaal foto bewerkingsprogramma te zien. Daarnaast kon ik via die digitale weg ook heel makkelijk, naast de informatie van mijn vader, aanvullende informatie lospeuteren bij neven en nichten of ooms en tantes.

Voor het perfecte plaatje!

Toen ik het boek af had viel ik in een gat. Dat had ik eerst niet in de gaten totdat mijn vrouw mij vroeg wat ik toch elke avond achter mijn computer aan het doen was. Ik zat daar maar naar een leeg scherm te staren. Uiteindelijk heb ik om mijn verslaving wat te stillen nog twee fotoboeken in elkaar geflanst, voor mijn zus en schoonvader.

En daarna bleef het stil én onrustig in mijn hoofd.

Want onze eigen foto’s liggen nog steeds op mij te wachten, te verstoffen op computer en externe harde schijven of hangend in een of andere cloud. Ik zou dat kunnen doen in een vakantie maar die hebben we al achter de rug. Aan de andere kant hou ik nu wel tijd over om crea-bea bezig te zijn met al die foto’s want als iedereen lekker op vakantie is zijn er minder verplichtingen. Misschien het juiste moment om wél het gevecht aan te gaan met de onrust.

En stel nou dat de wereld vergaat en ik overleef dat dan kan ik met een gerust hart zeggen:

“Gelukkig hebben we de fotoboeken nog!”

Het is weer voorbij… (slot)

Drie weken vakantie laat zich niet vatten in 1000 woorden en ik vraag mij af of ik het wel voor elkaar krijg in 2000 woorden. Want er kwam deze vakantie van alles bij elkaar, hand in hand.  

Met een lach en met een traan.  

Vorige week zondag hadden we weer de (vroege) boot terug naar huis. We waren bewust achter in de salon gaan zitten zodat we nog lang konden kijken naar de plek die ons zo aan het hart ligt. Zoals altijd maakte ik wéér een foto van de haven zodra de boot in beweging kwam. Die foto hoef ik eigenlijk niet te maken want het is een plaatje welke ik zo voor de geest kan halen. Daar heb ik geen foto voor nodig. Een tikkeltje weemoed vergezelde mij.  

Want achter mij ligt dat eiland, een eiland vol met herinneringen.  

De reden van de weemoed was natuurlijk de confrontatie met de situatie van mijn ouders. Die zijn sinds een week of vijf, na 64 jaar lief en leed met elkaar gedeeld te hebben, van tafel en bed gescheiden omdat mijn vader niet meer voor mijn moeder kon zorgen. Wij konden dit volgen vanaf een afstand maar nu we drie weken op het eiland onze vakantie gingen vieren, ook van nabij mee kunnen maken. 

Dat werd een flinke confrontatie met onze emoties kan ik hier wel zeggen. 

Het kwam perfect uit voor mijn vader dat wij er nu waren want hij wilde dat een en ander in zijn huis opgeruimd zal worden. Een opgeruimd huis is immers een opgeruimd hoofd en dat had hij wel even nodig om met de nieuwe situatie te leren omgaan. Er moest een en ander naar de stort en naar de kringloop. Zoals de logeerbedden die boven stonden, waar wij en onze kinderen jaar in jaar uit gebruik van mochten maken. Bedden waar mijn broer, zus en ik als jonge kinderen nog in geslapen hebben. Na een ochtend flink tekeergegaan te zijn was alles opgeruimd en schoon en herinnerden enkel de vele tekeningen aan de gordingen, ooit gemaakt door de kleinkinderen, nog aan vroegere jaren. 

Jaren waar mijn moeder nog voor de volle honderd procent deel van uitmaakte.  

Helaas heeft de dementie haar die herinneringen afgenomen, althans als zij wakker is. Daar kwamen we achter nadat we bij haar op bezoek gingen in het verpleeghuis. Ze was thuis al in de war maar sinds ze uit huis is werd dat alleen maar erger. En hoe meer prikkels ze kreeg van verzorging, medebewoners of haar eigen man en kinderen, hoe meer de verwarring de boventoon kreeg.  

Schrijnend. 

Dat waren heftige confrontaties voor ons en maakte veel emoties los. Tot die keer dat wij haar slapend aantroffen in haar kamer. We lieten haar lekker slapen en gingen er gewoon bijzitten. Het enige geluid wat we hoorden was het tikken van de klok en haar rustige ademhaling.  

“Ik ben een Zaankanter!” klonk ineens vanaf het bed. 

Ze droomde. Ze was even terug in haar jeugdjaren, in Zaandam. Weer iets later opnieuw, alsof ze met iemand aan het praten was: “Waar woon ik dan? Aan de Westerdam?” Ik besloot haar wat te helpen: “De Westerdam is op Terschelling Mam, daar heb je ook gewoond. En in Zaandam woonde je in de Vinkenstraat.”  

“Ja, daar woon ik.” En ze sliep weer verder. 

Het gaf ons een goed gevoel. Dat ze in haar dromen nog wél herinneringen had. Herinneringen aan een mooi leven, uiteraard met ups en downs zoals bij ieder mens. Het deed mij goed want het oneerlijke van haar ziekte is dat ze al dat moois vergat, alsof het er nooit geweest is.  

Zo verrekte oneerlijk. 

Maar niet als ze slaapt, die strohalm pakte ik met beide handen. Opnieuw riep ze in haar slaap: “Ik ben een Zaankanter!”  

“Ja Ma, dat klopt.” Zei ik.  

“Hoe weet jij dat?” vroeg ze en kwam iets overeind. 

“Nou, omdat ik je zoon ben, Arjen.” 

“Godsamme!” klonk er vanaf het bed en wij schoten in de lach.  

“Ga maar weer slapen Moedertje.”  

“Ja, ik ga weer slapen.” 

In de laatste week van onze vakantie kreeg ze, na overleg met de dokter, mijn vader en zus, medicatie die ‘de scherpe randjes er wat vanaf zouden halen. Het leek direct aan te slaan en ze werd rustiger en liever. Mijn vader kreeg weer een beetje de vrouw in zijn leven terug, wij kregen weer even onze lieve moeder terug, de kleinkinderen hun Omaatje en de verpleging en de medebewoners een inwoner die wat gezelliger mee ging doen. 

Zo zou het door mogen gaan tot het kaarsje langzaam zal doven. 

We konden nu in alle rust haar vertellen over onze belevenissen tijdens de vakantie. Over de fietstochten en wandelingen waarvan wij wisten dat zij daar zelf ook altijd fanatiek in was. Maar ook over de meeuwenkolonies die we regelmatig passeerden en waarvan het net leek of ze druk aan het vergaderden waren. Krijsend en schreeuwend om aandacht, alsof ze vochten om een goede plek aan het vaste land waar veel vuilniszakken lagen te wachten om opengescheurd te worden.  

Ze liet het nu toe, zo nu en dan een slokje nemend van haar thee. 

Ze reageerde zelfs met een grapje of ze moest oprecht lachen om wat er gezegd werd. We vertelden haar over onze vers gemaakte herinneringen omdat zij die van haar niet meer wist, dan hoefde ze zich daar niet meer druk over te maken. We vertelden dat we lekker uit eten zijn geweest met Pa en zus en dat Pa zelfs al twee keer bij ons in de caravan was wezen eten. En dat de rozen en hortensia’s er zo mooi bijstonden in de tuin, háár tuin waar ze altijd zo gek op was. En ik vertelde over al die ouwe bekenden van vroeger die ik deze vakantie weer gesproken had, jongens en meiden waar ik mee opgegroeid ben en jaren niet meer gezien had. 

Zoals Jurjen, Jaap, Arjen en Marlies, Anneke en Linda.  

Dat waren de gezichten die ik nog herkende, naast de vele gezichten waar ik wel iets in herkende maar waar ik geen namen meer bij kon plaatsen. Want hoe ouder we worden hoe beter we vergeten, een menselijke en best wel een hele vervelende eigenschap waar we allemaal wel eens mee te maken hebben.  

Behalve mijn vader denk ik wel eens. 

Want tijdens ons verblijf konden we veel met hem praten. Over de huidige omstandigheden maar ook over het verleden. Hij heeft een ijzersterk geheugen denk ik wel eens, vergist zich hooguit in een jaartal of naam maar een beroep doen op de MAX geheugentrainer hoeft hij nog niet. Tijdens het opruimen van het huis had hij bij elk voorwerp dat ik tegenkwam wel een verhaal, zoals bij het eerste houten bijzettafeltje welke hij ooit zelf gemaakt had. En van datzelfde hout had hij ook de kapstok gemaakt die, zo doet deze generatie dat nu eenmaal, tot op de dag van vandaag dienstdoet als kapstok. 

Haast een onwerkelijk verhaal in deze wegwerpmaatschappij.  

Ook tijdens het fietsritje vanaf West na ons gezamenlijk etentje wees hij naar plekken in bos en duin waar hij herinneringen maakte met zijn geliefde. Zoals de Van Hunenplak, een klein meertje tussen bos en duinen. Daar verbleven ze regelmatig en ze waren kennelijk zo onder de indruk van zoveel natuurschoon dat het zelfs Bijbelse vormen kreeg.  

Zo noemden het verliefde stel dit meertje voortaan het Meer van Genezareth. 

We namen afscheid van mijn moeder en kregen allebei een kus. Een kus die ik eigenlijk al vergeten was omdat corona ons daarvan de laatste jaren weerhield maar ook omdat haar randjes nog te scherp waren denk ik dan maar.  

Die kus deed ons erg goed. 

Inmiddels hebben we er weer een werkweek opzitten en moeten we het doen met de herinneringen aan een mooie vakantie. Gelukkig hebben wij nog geen gaten in ons geheugen en kunnen we er weer even op teren. Gisteren heb ik Pa nog even gebeld over hoe het met Ma ging en toen kregen we te horen dat ze weer erg in de war is. Vervelend nieuws want iedereen om haar heen heeft hier last van zei mijn vader. 

In gedachten vloekte ik en vroeg ik mij af waarom: ‘Die Alzheimer is een grote klootzak. Hoe durft hij mensen zo te laten lijden, ze hun dierbare herinneringen af te nemen en een mooi mens uiteindelijk haar waardigheid af te nemen! Nooit heeft ze een vlieg kwaad gedaan en is dan haar straf?’ 

Machteloos noemen ze dit ook wel. 

Ik zie nu dat ik de grens van 1000 woorden ruim overschreden heb maar dat maakt mij nu niets uit.  

Want zoals ik al zei: drie weken emoties laten zich niet vatten in 1000 of zelfs 2000 woorden. En misschien doe ik het ook wel om te bewijzen dat mijn moeder het grootste gedeelte van haar leven een lief en goed mens was.  

En dat zal ze voor ons en iedereen die haar kent of gekend heeft echt wel blijven! 

 

Het is weer voorbij… (deel 1)

De afgelopen drie weken zijn omgevlogen en als ik uitleg wat de reden daarvan was, snapt iedereen mij.  

Het was onze jaarlijkse vakantie! 

En die vierden we dat dit jaar heel intens, om diverse redenen. Waarschijnlijk vlogen daardoor die weken extra hard voorbij, het was ‘zo om!’ zoals een collega mij altijd grappend even inwrijft als ik vertel wat leuks in het verschiet te hebben. En leuk was het! 

Ondanks dat we voor de honderdduizendste keer naar dezelfde bestemming gingen: Terschelling. 

Maar dat geeft niks want wij vermaken ons hier altijd, vooral omdat we dan tijd hebben om te bewegen want dat is voor ons beiden heel belangrijk. We wandelden en fietsten erop los, kilometer na kilometer en van polder tot bos, van strand tot Wad en van duin tot dijk. Maar daarnaast deed mijn vrouw er nog een schepje bovenop, namelijk zwemmen. Elke morgen dook ze (haast zonder aarzeling) in het koude water van het Duinmeertje bij Hee, het meertje dat ruim 60 jaar geleden gegraven werd om met dat zand de dijken te verhogen. Ik bleef veilig aan de kant. Veilig omdat ik iets wist wat zij niet wist, namelijk dat er naast alle sportieve dames en heren die er dagelijks zwommen, er nog iets zwom. 

Een snoek van ruim 120 cm! 

Het Monster van Hee zeg maar. Ooit gevangen door Terschellinger Albert maar ook weer losgelaten. Nu weet ik ook wel dat dieren banger zijn voor mensen maar voor mij was het reden genoeg om aan de kant te blijven of de afwas van het ontbijt te doen in de caravan. Daar voelde ik mij dan ineens heel verantwoordelijk voor. De eerste dagen zwom ze wat baantjes overdwars maar op een gegeven moment ging mijn eigen Ranomi Kromowidjojo het hele meertje rond. 

Twee keer achter elkaar! 

En tijdens dat zwemmen raakte ze regelmatig in gesprek met andere zwemmers, rondlopende boswachters of vissers. Dat vertelde ze dan aan mij en ik hield dan weer wijselijk mijn mond toen ze het over die visser had die last had van een loslopende haan, achter zijn stekkie. Want ze zou zich kunnen afvragen wat die visser daar deed was mijn gedachte.  

Maar dat kwartje viel later, toen we net begonnen waren aan onze laatste week.  

“Ik ben mij doodgeschrokken!” was het eerste wat ze zei toen ze nog druipend van het water met handdoek omgeslagen de caravan betrad. “Ik zwom ter hoogte van die visser waar ik het van de week over had en ineens voelde ik wat langs mijn lichaam ‘glijden’. Eerst langs mijn armen, buik en toen langs mijn benen.”  

Ze had nu mijn volle aandacht! 

“Ik gaf een enorme gil en daar schrok die visser weer van.” vertelde ze. Het was haar aan te zien dat ze flink geschrokken was. Voorzichtig vertelde ik wat ik wist, dat Iemke jaren geleden een dikke snoek eruit gehaald had. “Maar dat beest is banger voor jou dan jij voor hem (of haar, of het of hen). Ik denk dat het gewoon wat waterplanten zijn waar je tegenaan gezwommen ben. Die snoek is vast al dood.” 

Of nu misschien wel een metertje of twee! 

Maar dat dacht ik. Ik wilde haar dagelijkse zwempartijtje niet bederven omdat ik het heel knap vind dat ze dit elke dag deed. Mijn zwempartij beperkte zich tot een dagelijks bezoekje aan de douche in de caravan. Ook best knap want een douche in een caravan is niet altijd de ruimste en vooral niet met mijn postuur. Vooral het afdrogen is een hele toer… 

Gelukkig kon de douchedeur tegen een stootje. 

Het leven met een sportvrouw is daarom voor mij ook goed. Zij zet mij in beweging en die bewegingen hebben mij alle hoeken van het eiland laten zien. Samen met nog zo’n fanatiekeling, vriendin Marianne, liepen we kilometer na kilometer over polderweggetjes tussen weilanden met heel veel diversiteit(!), mul getrapte duinpaadjes, verkoelende bospaden en zoute strandwandelingen. Want ook het weer was ons goed gezind en alles aan mijn lichaam wat ik onbedekt liet, heeft een gezond bruin kleurtje gekregen. Maar het hoogtepunt was toch wel de wandeling over de Boschplaat. Daar was ik al even een tijdje niet geweest (decennia’s!) en we hadden besloten om dit prachtige Europese natuurreservaat wandelend te overbruggen.  

Acht kilometer over oneffen paden en acht kilometer terug langs de vloedlijn over het strand. 

Zo kom je nog eens wat tegen en beleef je het intenser. Als kind heb ik het gefietst. Mijn broer wilde halverwege omkeren want hij was er klaar mee. Mijn vader sprak toen de legendarische woorden: “Hier komen en door fietsen! De Boschplaat móet je eens in je leven gezien hebben want je bent een van de gelukkigen die op dit eiland geboren is!”  

En zo is het ook. 

Het moment dat we de vuurtoren van Ameland zagen zette ons in vervoering. Het gaf ons extra energie en voelde aan alsof we naar de Oostpunt van Terschelling gezógen werden. En dat alles onder muzikale begeleiding van de vele vogelsoorten die hier in de loop der jaren hun paradijs gevonden hebben, een paradijs waar wij stil van werden. Vooral nadat we de Oostpunt bereikt hadden wist niemand even niks meer te zeggen.  

Lamgeslagen door de natuurpracht. 

En de harde ruis van de ruwe Noordzee die zich, opgestuwd door een pittige Westelijke wind, zich tussen de eilanden perste om zich te vermengen met de Waddenzee. Wat kun je je dan als mens toch nietig voelen en dankbaar, dankbaar om daar nog oog voor te hebben.  

Nog niet verblind door onze consumptiemaatschappij. 

De weg terug, via het strand en kop dik in de wind, werd een confrontatie met je eigen gedachten. Gedachten met herinneringen uit het verleden die wij wel alle drie met elkaar deelden, elk op eigen wijze. Nu liepen we in eigen tempo maar je hoefde niet bang te zijn uit het oog verloren te worden want de weidsheid van het spierwitte strand voorkwam dat.   

Bij het drenkelingenhuisje hielden we even een stop en bewonderden we de beschreven muren van voorbijgangers uit het verleden. Daarna maakten we weer nieuwe voetstappen in het ongerepte zand, voetstappen die door de getijden weer verdwijnen zullen om plaats te maken voor de mensen die na ons komen.  

Zodat die weer herinneringen kunnen maken. 

Tijd, daar zit zoveel meer in!

Mijn vader vroeg na het eten van de nasi die ik voor hem gemaakt had, hoe ik dat vlees (‘die brokken’) zo mals kreeg. Mijn antwoord: “Door er een extra ingrediënt in te stoppen.” Hij keek mij vragend aan. 

“Tijd!” antwoordde ik. 

“Daar draait het allemaal om. En wanneer je de tijd ergens voor neemt kun je rustig stellen dat er ook aandacht voor is waarmee het eindresultaat haast niet meer kan mislukken.” Daar was mijn vader het wel mee eens want in zijn werkbare leven als aannemer was tijd een belangrijke factor om een goed product af te kunnen leveren. Tijd was nodig om goed doordachte plannen te maken waarna vervolgens gebouwd kon worden, het liefst zonder mogelijke ‘kinderziekten’ die we tegenwoordig nog wel eens tegenkomen. 

Ergens tijd insteken is een beproefd recept. 

Zoals in koken. Of beter gezegd, in de voorbereidingen. Het vlees voor de nasi marineer ik ‘s ochtends en ondertussen kook ik de rijst zodat die mooi droog kan afkoelen. Je kan ervoor kiezen om er kant en klare marinades tegenaan te gooien maar zelf marineren is veel leuker, vooral als je ook tijd vrij gemaakt hebt om een mooi kruidenassortiment bij elkaar te verzamelen. De Indische keuken heeft een heleboel kruiden en ik leerde daarmee te koken toen ik nog in Den Haag kokkerelde. Een betere plaats kon ik mij misschien wel niet wensen want de Indonesische cultuur is volop te vinden in Den Haag. Mijn leermeester wat betreft Indisch koken was Hagenees Eddie. Toen ik hem vroeg wat nou het geheim was kwam hij met de volgende tip: Van de Laos en Djahé niet te weinig en de andere kruiden gewoon wat minder.  

Tot op de dag van vandaag doe ik het op die manier! 

De enige klacht die ik wel eens hoorde was dat het iets te pittig was omdat ik iets te royaal met de sambal was geweest. Maar steeds vaker hoor ik dat er geen tijd is om te koken. Steeds vaker kiest men voor thuisbezorgen of uit eten gaan. Want dat is makkelijk. Maar het is ook een bevestiging dat wij in dit land zoveel welvaart hebben dat we met minder geen genoegen meer nemen. Terwijl de nadelen van die welvaart ook steeds duidelijker vormen beginnen aan te nemen, kijk maar naar de huidige problematiek die ons land (en de wereld) in haar greep houdt. Natuurlijk hebben al die mensen die erop los bestellen mijn zegen hoor, alleen ben je dan wel afhankelijk van de smaak van een ander en moet je maar hopen dat het lekker is.  

Feit is wel dat je véél duurder uit bent. 

Ik besteed dat geld veel liever uit aan een goed stukje vlees, vis, kaas of als je daar niet meer van de beesten bent, groente en fruit. En nog mooier is om dan lokaal te kopen zodat de slager, vis-groente-of kaasboer er ook nog wat aan verdienen en ze niet ten onder gaan aan grote supermarktketens. Oh ja, je helpt de lokale boeren er ook mee mocht je die een warm hart toedragen. 

Daar help je ze pas écht mee! 

Dan krijgen ze weer eerlijker prijzen en jij krijgt een eerlijker én gezonder product. En geloof mij, het is veel lekkerder! Want het komt niet van de massaproductie af en het bevat minder ‘goedjes’ die wij mensen eigenlijk niet in ons lichaam willen hebben. Ik zou mij daar drukker over maken dan, ik gooi ‘m er nog maar eens even in, een prikje tegen een virus waar je heel erg én langdurig ziek van kan worden.  

Maar je kan tegenwoordig alles kant en klaar kopen waardoor er straks een generatie is die niet meer weet zelf iets te maken. Terwijl we juist zo goed op weg waren nadat wij mannen steeds vaker de keuken ingingen, met verrassend resultaat. Deze kerels maakte zich los van ouderwetse gedachten zoals dat de vrouw in de keuken hoort, de was moet doen en de man ‘dienen’ moet. Gedachten die vandaag de dag nog steeds zo nu en dan de kop opsteken zoals we onlangs weer in Amerika zagen gebeuren omtrent het afschaffen van het recht op abortus. 

Stuiptrekkingen van conservatieve, bange mannen. 

Maar wat ik wel een leuke ontwikkeling vind zijn die vers-pakketten waar alle ingrediënten al inzitten. Zoals bijvoorbeeld het groentegerecht ratatouille. Of Chinese tomatensoep of Marokkaanse Couscous. Dat scheelt weer een recept uitlezen voor het boodschappenlijstje en geeft min of meer een garantie dat je lekker gaat eten. En ook nog het voordeel dat je niks weg hoeft te gooien want alles is al afgewogen en gesorteerd. 

Er hoeft niks ‘over’ te blijven. 

Toch doe ik ook wel eens makkelijk. Doperwten die bij ons op tafel verschijnen komen of uit een potje of uit een diepvrieszak. Of in het verleden kwam de spinazie á la crême uit de diepvries. En tot een paar weken geleden kwam de rode kool uit een glazen pot.  

Maar das war einmal! 

Want sinds ons bezoek aan Limburg werden mijn ogen werden geopend, dé provincie van de asperges. Wij waren uitgenodigd door vrienden van ons om asperges te komen eten en zoals ik wel vaker doe nam ik een kijkje in de keuken. De gastvrouw was aan het koken maar dat was toeval want de gastheer kookte ook regelmatig. Ik gluurde in de pannen en zag tot mijn verrassing naast de pan asperges een pannetje rode kool. 

Een tijdrovende groente! 

“Dat zie je niet vaak meer!” Zei ik, blij verrast. Voor haar was het niet zo bijzonder, ze kookte altijd de rode kool vers maar daarentegen kwamen de rode bietjes wel weer uit een potje. Ik vertelde haar dat die ik die weer vers kookte want dan zijn ze echt veel lekkerder.  

“Met een beetje rode wijnazijn en zonder toegevoegde suikers!” 

Eenmaal weer thuis stortte ik mij op de rode kool met een halve ui met enkele kruidnagels, laurierblaadjes, kaneel, stukjes appel, iets suiker, rode wijnazijn, peper, zout, stukje gezouten roomboter. 

En tijd.  

Want daar maak je álles lekker mee! 

 

Vlekkenkampioen

Het is mij gelukt! Ik ben mijn vrouw voorbijgestreefd op het gebied van kleding wassen. Of beter gezegd om een bijkomende randzaak op te lossen, letterlijk! Ik heb het voor elkaar gekregen een halsstarrig vlekje welke op mijn favoriete (Terschelling) hoodie zat, ervanaf te krijgen. Al maanden was dat vlekkie haar én mij een doorn in het oog. Het vlekkie leek ook steeds groter te worden, net zoals Toon Hermans ooit zong in het liedje ‘Vader gaat op stap: ’Vader denkt: ‘Nou ja, een vlekkie..Maar hij krijgt een hekel aan dat nekkie, net of het vlekkie steeds groter wordt!’ 

Dat hadden wij met mijn vlekkie.  

Nu is wassen het koningsnummer van mijn vrouw. Dat is haar expertise waar ze heel veel genoegen uit kan halen. En dat weet iedereen om haar heen ook want van heinde en ver benaderen ze haar voor tips en tricks als het om wassen gaat. En nooit is het haar te veel, voor ik het weet is het gewassen, gestreken en ligt het weer in de kast.  

Als er was-kampioenschappen gehouden zouden worden dan pakte zij alle prijzen! 

Randzaken zoals vlekkies had zij ook altijd onder controle. Toen ik nog in mijn flatje in Den Haag woonde knoeide ik wat af waardoor mijn garderobe het flink te verduren kreeg. Via Skype smeekte ik om advies. Want als zij een weekendje naar Den Haag kwam wilde ik er wel netjes bijlopen. 

“Ossengal! Je moet even ossengal halen.” Ik had daar wel eens van gehoord:  

“Oké, dan ga ik zo even naar de dierenspeciaalzaak.” Ze negeerde mijn ‘grap’ stoïcijns: “Je wrijft die zeep op de vlek en dan met een hard borsteltje extra inwrijven.” Een uur later lag ik voor de wasmachine shirts en broeken in te wrijven met ossengal en moest ik toegeven dat het werkte. Ik werd zelfs nonchalant, lette niet meer zo op om vlekkies te voorkomen. Soms zelfs expres, om haar een beetje te plagen. 

Maar dat vlekkie in mijn hoodie was toch wel van een andere orde! 

Vrouwlief herinnerde mij er steeds aan wanneer ik hem aantrok. Ze had er alles maar dan ook alles aan gedaan om het vlekkie te verwijderen maar niets hielp en dat ventileerde ze, logisch, op mij. Dat ik toch eens beter moest opletten met koken. En eten! Ze vond het zonde van die mooie trui en weet je, ze had daar helemaal gelijk in! Ik kreeg acuut vlekkenschaamte en begon ontwijkend gedrag te vertonen door, als ik de trui aan had, niet ermee naar buiten te gaan.  

Of ik deed er een jas overheen, nog infantieler. 

Op een mooie dag was ik er helemaal klaar mee en beloofde haar plechtig dat ik mijn leven zal beteren. Dat ik voortaan tijdens het koken een schort zal dragen. En dat ik dat schort gewoon aanhoud bij het eten. En als dat schort op een schilderij van Picasso begint te lijken en in de was moet, dan beloofde ik om een slabbetje om te doen. Dat draagt mijn kleindochter ook en het is best wel handig. En ja, ik had dat pas op latere leeftijd verwacht te moeten dragen maar helaas, mijn krediet was verspeeld. 

Het roer moest om! 

Want ik verpestte haar meesterwerkjes en ik begreep volkomen dat zij daar erg mee zat. Als ik gekookt heb hoor ik ook liever dat het eten lekker is in plaats van niet te kanen. Dat koken is trouwens wel een dingetje. Het gaat er soms nogal ruig aan toe. Zowel op het aanrecht, in de gootsteen en op het laminaat ligt wel iets van die chaos. Wanneer ik daarmee geconfronteerd werd gaf ik steevast onderstaand antwoord:  

Het gaat niet om de kwaliteit maar om de kwantiteit! 

Sinds het maken van die belofte durf ik wel te beweren dat het goed gaat. Heel goed. Misschien was het daarom wel dat ik eens ging nadenken over dat vlekkie in mijn lievelingstrui. Maar iets in mij zei dat ik dat nog even niet hardop moest zeggen tegen mijn vlekkenkampioen want het is natuurlijk niet leuk als je ergens goed in bent en een ander zegt dat die het beter kan. Ik bladerde wat rond in Libelle’s en andere vrouwvriendelijke bladeren. Maar naast artikelen over familieruzies, mode, niet vaak voorkomende seksuele voorkeuren of aanverwante escapades en reacties van lezers op de vorige onderwerpen van deze bladen kwam ik nergens de Gouden Tip tegen hoe een vlek ontvlekt kon worden.  

Dan maar even Googlen in mijn mancave! 

Er kwamen maar liefst tien tips naar voren. Notabene van een kledingwinkel en best wel duurzaam. Want naast dat ze kleding wilden verkopen kwamen ze ook met adviezen om vlekken te lijf te gaan. En niet met spuitbusjes Wondermiddel om daar weer aan te kunnen verdienen. Dat is heden ten dage best wel bijzonder te noemen want er wordt heel wat (goede) kleding zomaar weggegooid wanneer er bijvoorbeeld een knoop mist, een naadje loszit of wanneer er onuitwisbare vlekkies opzitten.  

Waardoor de kledingkast van Moeder Aarde aardig vol begint te raken. 

Trouwens, die scheuren in (spijker)broeken die we tegenwoordig veel zien, dat hoort zo hoor. Dat is niet uit armoede of dat de opvoeders niet meer weten met naald en draad om te gaan.  

Nee, dat is mode.   

Afijn, ik las de eerste optie van de tien tips en voerde deze uit: Wrijf de vlek in met afwasmiddel, laat dit intrekken en stop het dan in de wasmachine. Schoorvoetend vertelde ik mijn geliefde wat ik gedaan had en in plaats dat ze boos werd omdat ik haar expertise in twijfel had getrokken, schoot ze in de lach. En even later draaide de wasmachine en kwam het geduld om de hoek kijken want het betrof een donkerblauwe hoodie en die moest eerst goed droog zijn wilden wij het resultaat zien. 

Twee dagen later hoorde ik enthousiaste kreten van boven: “De vlek is eruit!”  

Vrolijk dansten we elkaar tegemoet en knuffelden elkaar. Blij als een ei deed ik mijn hoodie aan en keek ik in de spiegel:  

“Zit mijn dasje goed? Zit mijn hoodie goed? Vader gaat op stap!”  

Een avond uit duizenden!

Nooit eerder had ik er zo naar uitgekeken. En nooit eerder deed ik mijzelf doen verbazen dat ik hier zo naar uitkeek. Eerst dacht ik nog dat het kwam door mijn leeftijd. Dat zie je wel vaker bij 50-plussers. Dat ze milder, rustiger én sentimenteler worden. Eigenlijk wel een logisch gevolg want je hebt al van alles meegemaakt in het leven en kent inmiddels wel de meeste klappen van de zweep. Maar deze keer voelde ik mij als een kind in afwachting van….

De Avondvierdaagse van Winschoten en omstreken!

Na twee jaar mocht het weer! Het voelde als de weidegang van de koeien die weer naar buiten mogen na een lange winter op stal. Het mocht weer! Want de Avondvierdaagse van Winschoten en omstreken is een heel bijzonder evenement omdat het voor iedereen, van jong tot oud, tot de verbeelding spreekt. En dan met name voor de laatste avond want dan worden alle toeters en bellen uit de kast gehaald om er een écht feestje van te maken.

Een geweldig feest!

Daar kwam ik enkele jaren terug al achter toen ik dit evenement voor het eerst mee mocht maken. Er werd mij aan alle kanten verteld hoe leuk deze intocht wel niet was. Maar ja, ik had ruim 30 jaar in Den Haag en omstreken gewoond en was, na wat avondvierdaagse ervaringen aldaar, nogal sceptisch over hun enthousiasme. Want de vierdaagse die ik daar gewend was voelde nu ook weer niet zo spannend en spectaculair zoals mij hier in Groningen beloofd werd. In mijn beleving liepen we met een paar scholen mee en was de intocht wel wat feestelijker dan de dagen ervoor maar ook niet zo heel bijzonder.

Maar die paar honderd kinderen hadden wel lol hoor, daar zal ik niks van zeggen.

Mijn verwachtingen waren waarschijnlijk daarom niet hoog. Tot ik samen met mijn dame naar het centrum van Winschoten fietste. Want daar was het druk, superdruk. Overal stonden mensen langs de weg en allemaal in afwachting van wat er komen zou.

Ik heb een uur lang met open mond van verbazing en bewondering aan de kant van de weg gestaan!

Wat een deelnemers! De schatting was toen enkele duizenden enthousiastelingen die aan het lopen waren plus dan al die mensen die hen aanmoedigden waarmee het aantal aanwezigen nog veel hoger werd. En hoe leuk was het om te zien hoe al die deelnemers ‘versierd & beloond’ werden met snoepjes of chocolade medailles, omgehangen door familie en vrienden.

Vanaf die avond was ik liefhebber van dit evenement.

Helaas mocht het twee jaar niet georganiseerd worden en daarom keek ik er ook zo naar uit. En volgens mij was ik niet de enige die ernaar uitgekeken had. Want het viel mij al op dat het op de voorgaande avonden, wanneer ik na het eten naar mijn schoonvader fietste om de hond uit te laten, al gezellig druk was in de stad. Overal zag je jong en oud rondlopen, uitgelaten, zingend, lachend en vrolijk. En overal stonden tuinstoelen langs de straten, zo nu en dan zelfs een bankstel met daarop toeschouwers van de wandeltocht. Of, als er geen wandelaars voorbijliepen, werd er gezellig met elkaar bijgepraat. Of met een bekende die voorbijfietste.

Het bewijs dat dit soort evenementen daadwerkelijk verbindend zijn!

Afgelopen vrijdag was het dan eindelijk weer zover. Het beloofde weer een mooie avond te worden want het weer werkte ook nog eens mee. Het was wel broeierig maar niet genoeg om ook nog af te sluiten met een flinke onweersbui, zoals we enkele jaren terug meemaakten. Nee, de Goden waren ons goed gezind kunnen we wel zeggen en mijn humeur was in opperbeste stemming. Tegen acht uur die avond fietsten we naar de plek waar het defilé starten zou. Alle deelnemers hadden zich, na het lopen van de vierde afstand, verzameld op het sportveldencomplex van WVV. Een gevarieerd gezelschap van schoolkinderen en begeleiders, verengingen en iedereen die zich maar presenteerde wilde, van heel jong tot heel oud en met of zonder rugzakje. Om acht uur was de start van hun finalerondje, onder vrolijk gekleurde muzikale begeleiding van harmonie en fanfares uit de omgeving en opgeleukt door dansmariekes en jantjes.

Een feest voor hen maar ook voor ons die langs de kant stonden.

En dat waren veel mensen. Heel veel mensen! En ik durf hier wel te beweren dat ook zij er erg naar uitgekeken hadden want er was geen zuur of chagrijnig gezicht te ontdekken. Zelfs de categorie ‘korte lontjes’ waren afwezig, er was geen wanklank te horen.

Een verademing haast in deze tijden.

We zagen veel rood aangelopen koppies, zowel bij de allerkleinsten als sommige ouderen. Logisch, want ze hadden kilometers in de benen en kregen het extra zwaar door de warmte maar ook door alle zoetigheden die om de nekken gehangen werden door enthousiaste Oma’s, Opa’s, vaders en moeders. Maar bovenal zagen we hele blije gezichten, blij omdat ze het voor het eerst mee mochten lopen. Of blij omdat ze als kind ook al meeliepen en nu als vader of moeder die herinneringen tastbaar konden delen met hun nageslacht.

Dit was de 74ste editie van de avondvierdaagse! (Dankzij vele vrijwilligers!)

Na ruim een uur hadden de laatsten van de stoet ons gepasseerd en stapten we snel weer op de fiets om bij het Oldambtplein verder te kijken naar de wandelende en rollende deelnemers. Ook hier was het erg druk en zag je iedereen erg genieten van zoveel gezelligheid bij elkaar. Maar ook van het aanwezige straattheater, twee vissers in gele regenpakken mét gele zuidwester op die met snoepjes visten, boven de hoofden van de gillende en plezier makende kinderen.

Véél leuker dan met je snufferd de hele dag naar een schermpje turen toch!

Vanaf een muurtje bij Theater de Klinker hadden we goed zicht en zagen we zelfs mensen staan op de stelling staan van de versierde, draaiende ‘Edens’ molen. Feestelijk. En de kers op de taart voor dit prachtige evenement.

Tegen half tien waren we weer thuis en ja:

Het was een avond uit duizenden!

 

 

In goede en kwade tijden..

Gisteren, 64 jaar geleden, gaven mijn ouders elkaar het ja woord voor de wet. Dat was in 1958. Op 27 november van datzelfde jaar deden ze het nog eens dunnetjes over en werd het kerkelijk huwelijk ingezegend. Dat was toen voor hen en alle familie een belangrijk moment. Met beide keren de rode draad:

‘Tot de dood ons scheidt.’

Zij hadden besloten om op Terschelling te gaan wonen en werken, ver van hun ouders en andere familieleden in Jutphaas (Nieuwegein) en Zaandam. Dat was een hele stap in die tijd en had zeker een hele mooie aflevering van ‘Ik Vertrek’ opgeleverd. Niet lang daarna kregen ze een dochter en of het nog niet genoeg was, een jaar later een zoon.

Een Koningspaar.

Binnen twee jaar verhuisden ze twee keer, van een appartement naar een iets groter huis maar wel een met een ruime tuin waar gespeeld en groente gekweekt kon worden. Mijn vader, Timmerman van beroep, maakte voor de kinderen een schommel, een wip en van een houten karrenwiel maakte hij een draaiend rad.

In ’64 kwam ik ter wereld en had ik ineens een grotere broer en zus, hoe leuk was dat.

Onze opvoeding was een waar de eenvoud van afspatte maar we waren gelukkig. Pa was zes dagen per week aan het werk en Ma verzorgde ons. Toen we wat ouder werden hielp ze wel eens achter de kassa bij enkele winkels in het dorp en op zondag gingen we erop uit met het gezin. Dan gingen we naar het strand, bos of duin en toen het eiland een prachtig openluchtzwembad kreeg, waren we haast elke zondagmorgen wel aan het zwemmen.

Onder fanatieke aanmoedigingen van onze moeder.

Want zij was van de categorie ‘sportief’. Ze gymde fanatiek en ze liep met ons zo’n beetje alle Brandaris Wandeltochten die er in die jaren georganiseerd werden. Ik was nota bene 2,5 jaar toen ik al mee mocht lopen!

In ons gezin was een duidelijke structuur.

’s Morgens werd er ontbeten, stipt om 12 uur kregen we warm eten en ’s avonds om 6 uur brood. Zaterdags werd daar iets van afgeweken omdat er door drie kinderen gesport moest worden maar die ruimte was er ook gewoon. Tussendoor verwende moeder ons met wentelteefjes, pannenkoeken of gebakken vis en ze maakte voor haar hardwerkende man zo nu en dan een pannetje snert. Dat was echte liefde want zij kon, sinds de oorlog, geen peulvruchten meer verdragen.

Zij gruwelde daarvan.

Wanneer zij naar de Wal moest met een van ons, voor ziekenhuisbezoek of zoals met mij, voor de logopedie lesjes naar Leeuwarden, zorgde ze altijd dat er eten klaar stond voor mijn vader en eventueel andere gezinsleden. Zij cijferde zichzelf weg zodat mijn vader zich kon concentreren op zijn werk maar dat gebeurde op een gezonde manier. Alles was in evenwicht, met respect voor elkaar. En samen waren ze in hoge mate bewust van het hebben van een gezin, die verantwoordelijkheid droegen ze samen, schouder aan schouder. Een van hun lijfspreuken was altijd:

“Het huwelijk is geven en nemen maar meer géven dan nemen.”

En zo is het natuurlijk ook. Maar het was niet altijd zo hoor. Regelmatig waren er wel hobbels of valkuilen te nemen maar doordat er een evenwicht was tussen hen werden stormen getrotseerd en vuurtjes tijdig geblust. Daarmee leerden ze, bewust of onbewust, ons belangrijke levenslessen. Levenslessen die, hoe ouder we werden, steeds meer gewicht kregen en ons richting gaven. Dat hielp bij lastige keuzes maken. Maar de rode draad was dat ze ons altijd steunden, ook in mindere tijden.

Ook al waren ze het niet altijd eens met onze keuzes.

Mijn moeder was altijd erg talig en zij hield ervan om mooie spreuken te bewaren. Die knipte ze dan uit en die plakte ze dan ergens in huis op de muur, meestal in haar ‘womencave’ waar ze tekende of iets naaide of even televisie ging kijken zodat Pa beneden voetbal kon kijken. Er was ook altijd muziek om haar heen, via de radio luisterde ze graag naar bijvoorbeeld ’50 pop of een envelop’, Arbeidsvitaminen of Jan Veen met zijn Candle Light en haar favoriete artiesten waren Boudewijn de Groot, Connie van den Bos of The Cats.

Een van die spreuken aan de muur bleef bij mij hangen: ‘Zelfvertrouwen is de basis van je kunnen.’

Vanaf ongeveer ons 15e jaar vlogen wij al een beetje uit. Zus en broer gingen naar school in Harlingen en ik kwam in Leeuwarden terecht. Daar kregen we te maken met zogenaamde Kostouders waar we van maandag tot vrijdag verbleven. Op vrijdagavond kwam het hele zooitje weer thuis en konden ze niet meer tegen elkaar zeggen:

“We zijn weer onder ons.”

Weer enkele jaren later vlogen we echt uit. Broer en ik zochten het in het Westen van het land en zuslief deed het tegenovergestelde: Zij kwam weer terug op het eiland en bleef daar tot op de dag van vandaag. Dat vonden mijn broer en ik wel fijn want zo was er altijd een back-up voor onze ouders, voor als er met eentje wat loos was.

Mijn ouders kenden vele mooie momenten. Ze genoten van het eiland, hadden daar zelfs een eigen plekje waar ze op mooie dagen een rustpunt vonden in de drukte van de week. Ze noemden dat ook ‘hun paradijs’ en tot op de dag van vandaag ben ik er nog niet achter waar dat was. Maar ze beleefden ook prachtige (fiets) vakanties en ze stonden midden in het leven, tussen de eilanders en in het verenigingsleven. Later werden ze trotse oma en opa van acht kleinkinderen en inmiddels vier (bijna vijf!) achterkleinkinderen.

“Wat zijn wij toch gelukkig maar waar hebben we het aan verdiend.”

Dat hoorde ik ze ook vaak tegen elkaar zeggen. Maar zoals het in menig leven gaat ontstonden er toch kleine scheurtjes. Moeder begon, tegen haar wil, steeds meer te vergeten. En wij zagen hoe Pa, na al die jaren zorg die ze mijn vader en ons gegeven had, nu haar taken overnam. Hij leerde zichzelf koken, deed de was en boodschappen en andere huishoudelijke taken, duwde haar rolstoel zodat ze toch nog wat buiten kwam en organiseerde ondertussen feestjes ter ere van hun huwelijk:

50 jaar, 55 jaar en 60 jaar.

Plus de nodige verjaardagen. Hiermee oogstte hij diep respect. Van ons, maar ook van de mensen om hun heen. En als mijn moeder ineens een helder moment had riep ze vrolijk lachend “Vergeten gaat steeds beter!” Je mocht je gelukkig prijzen zo’n helder moment mee te maken want daar had je dan weer even je vrouw of, in ons geval, onze moeder of oma mee terug zoals we haar het grootste deel van ons leven meegemaakt hebben.

Goedlachs, soms best wel streng maar wel een moeder om trots op te zijn.

Zij is nu 93 lentes en sinds twee weken ging ze ook ineens fysiek achteruit. Pa, bijna 88 jaar, was altijd al heel helder naar ons toe: “Ik verzorg haar en zolang ik dat zelf kan doen dan doe ik dat.” Maar hij weet ook wat zijn grens is en die is nu bereikt. Ook nu weer zo helder als glas:

“Ik kan haar niet meer verzorgen. Ik durf het niet meer aan.”

Hierop werd er zorg aan huis aangevraagd, in samenwerking met mijn zus. En toen moest die ontzettend zware beslissing genomen worden. Zodra er een kamer vrij zou komen in het verpleegtehuis zou Moeder daar opgenomen worden.

Dat moment ligt inmiddels enkele dagen achter ons.

Moeder is woensdag opgenomen waarmee het grootste gedeelte van de verzorging door mijn vader vervallen is. Dit was een verdomd moeilijke en zware beslissing voor mijn vader maar wel de beste beslissing. En velen zullen dat beamen want wij zijn echt niet de enige die hiermee te maken krijgen en dat maakt het draagbaar. Pa heeft er alles aan gedaan om haar zo lang als mogelijk bij zich te houden en hem valt niks maar dan ook écht niks te verwijten! Want hij ging door, hij steeg boven zichzelf uit want dat had hij immers 64 jaar geleden beloofd.

“Dat is toch vanzelfsprekend!” zegt hij dan als ik hem zeg dat ik hem daarin om bewonder.

Er is een nieuwe fase aangebroken in onze familie, een fase waar we allemaal doorheen moeten. Een fase die ik wil delen omdat het veel mensen overkomen is.

Liefde is loslaten.

Hij gaat nu elke dag naar haar toe om haar gezelschap te houden. Ik denk aan het liedje van Maarten van Roozendaal, ‘Het te late einde’:

In dit te late einde:

Soms leest hij dan gewoon een krant

Soms vertelt hij weer over vroeger

Streelt haar eindeloos de hand

Maar het is nog geen einde! Het is ‘gewoon’ en nieuw begin.

Potverdomme wat zijn wij trots op hem!

De confrontatie met Berg & Dal 2

Na het midweekje in Limburg zitten we alweer midden in het dagelijkse leven, staat de wekker weer op standje ‘vroeg op’ en zullen de herinneringen onderdeel worden van onze toekomst. Voor mij blijft het een bijzondere ervaring, waarschijnlijk omdat ik er nog maar twee keer eerder geweest was.

Dat was in Noorbeek en in Valkenburg.

Die keer in Noorbeek was omdat ik mee mocht met de familie van een vriend. We waren een jaar of 16. Twee gebeurtenissen zijn mij altijd bijgebleven. Het eerste was de gang van zaken na een kerkdienst die we mee mochten maken. Want na de dienst liep de kerk leeg en de kroeg ernaast vol en dronken we nog vóór het middaguur een heerlijk Gulpens biertje! Het tweede dat mij bijgebleven is werd een nogal bloederige toestand. Ik heb mij daar namelijk voor het eerst ‘nat’ geschoren, met het mes van de vader des huizes.

Er moest een flink stuk aluinblok tegenaan gegooid worden!

Maar beide keren was gewoon met de auto dus heb ik de bergen alleen maar mentaal gevoeld, niet fysiek. Het zijn heuvels hoor, menigeen heeft mij de afgelopen twee weken wat dat betreft gecorrigeerd. Maar wel heuvels waar ik, al fietsend, als een berg tegenop zag. Naar beneden ging best wel goed, we tikten soms de 40 km/u aan en ik begreep nu wel waarom men steeds vaker begint over helmplicht op de fiets.  

Ik kneep, naast mijn samengeknepen billen, mijn remmen kapot!

Want je zou maar vallen, ken inmiddels genoeg verhalen van bekenden die dat hebben ervaren. Vooral als we de laatste afdaling naar onze B&B namen, de Snijdersberg, inclusief een haarspeldbocht. Dan werd het echt wel even spannend.

Och, nu noem ik ons verblijf weer een B&B en dat klopt niet helemaal.

Want alleen de eerste B van Bed klopte. Die tweede B stond niet voor Breakfast maar voor Bakkerij. Dat heb ik zelf verzonnen want die Bakkerij zat aan de overkant van de weg. Daar haalden we onze broodjes voor het ontbijt. Van die lekkere Kaiser- en Schnittbroodje. Dat laatste broodje werd steevast door de verkoopster ‘Sneetjes’ genoemd, ook al vroeg ik om Schnittjes.

Het beleg verzonnen we ook maar zelf.

Mijn vrouw wist dit. Zij had dit ook aan mij verteld. Maar ja, om maar even het cliché te bevestigen, die informatie is op de een of andere manier niet blijven hangen. We moesten het dus doen zonder ontbijt zoals we altijd zagen in het tv-programma ‘Bed & Breakfast’. Dat beeld had ik voor mij maar de werkelijkheid was dus anders. Ik ging nog wel op zoek naar het missende haakje of plankje in de badkamer maar de teleurstelling was groot.

Het was er gewoon.

Uiteindelijk had ik toch nog iets gevonden en na ontvangst van ons envelopje (“Exact het gevraagde bedrag.”) kwam de vraag van de eigenaar of we nog tips hadden. Mijn antwoord was dat ik geen raam kon ontdekken welke open kon. Een gemis voor ons want wij slapen altijd met een open slaapkamerraam. Maar goed.

Er moet altijd wat te klagen overblijven toch?

Woensdag stond in het teken van Maastricht want op het programma stond een bezoek aan de Sint Jan kerk en de Basiliek Sint Servaas. En verder een heleboel winkels met als tussendoortjes enkele terrasjes aan het Vrijthof, deze keer zonder André Rieu en walsende 60 plus echtparen. We tikten die dag de 14000 stappen aan en toen we weer in de auto stapten slaakte ik een zucht van verlichting omdat we niet naar huis hoefden te fietsen.

Die avond vulden wij met bankhangen en Feyenoord aanmoedigen.

De voorlaatste dag van ons midweekje bestond weer uit een fietstocht van om en nabij de 35 km. Nu wel met volledige ondersteuning van onze accu’s op mijn verzoek. Van Geulle via Ulestraten en nog een heleboel leuke plaatsjes naar Valkenburg alwaar wij op zoek gingen naar aardbeienvlaai, daar hadden we al de hele week zin in maar konden het nergens krijgen. Ik spotte uiteindelijk op een terrasje een aardbeienvlaai maar dat terras zat vol. Dan maar naar het volgende terras waar een bord op straat ons lokte met de boodschap ‘Koffie met diverse soorten vlaai’. De ober noemde de soorten in rap tempo op maar aardbeien hoorde ik niet. Dat was volgens hem vloeken in de kerk.

Dan maar de rijstevlaai.

En over de rest van de week kersen-, abrikozen- en appelvlaaien. Je moet toch wat en ach, we fietsen die calorietjes er wel weer af. En je moet ook van het leven genieten anders verzuur je. En zure en zeurende mensen hebben we de laatste jaren genoeg gezien.

Die avond kregen we dan toch eindelijk aardbeien maar dan zonder vlaai en mét ijs!

We gingen namelijk op bezoek bij vrienden van ons, Jan & Jans en de kinderen. Jan komt uit Stadskanaal en Jans uit Gasselternijveen. Zij zijn 33 jaar geleden geëmigreerd naar Limburg alwaar zij een gezin gesticht hebben. Wat mij direct na binnenkomst opviel was dat de beide dochters meer Limburgs bloed in zich hadden dan hun ouders.

Zij zongen, wij vertelden.

Er was veel bij te praten natuurlijk. Laat in de avond en na een heerlijke maaltijd met onder andere verse asperges en verse rodekool namen we hartelijk afscheid:

“De volgende keer bij ons!”

De volgende dag reden we weer noordwaarts, met een bezoekje aan het ‘Witte Stadje’, Thorn. Ook hier waren we onder de indruk van een bouwsel uit het verleden, de Abdijkerk of de Sint- Michaël kerk van Thorn. Hoe hebben ze dat toch kunnen bouwen als je kijkt hoe we tegenwoordig bouwen. Het stadje was ook prachtig en zeer de moeite waard om te bekijken. Je moest wel een zonnebril op want de zon weerkaatste op al het witte om ons heen.

Even later reden we weer verder, nu richting Den Haag alwaar wij met kinderen en kleindochter uit eten gingen, ouderwets in een vol en gezellig restaurant.

Dat was weer een fijn weerzien.

Tegen middernacht waren we weer thuis en ik droomde weg met Jacques Brel:

‘Dan wacht mijn land, Mijn vlakke land’.  

 

 

De confrontatie met Berg & Dal

Het is goed om in je leven zo nu en dan even stil te staan bij jezelf. Even frontaal botsen met je ikke, jezelf eens goed onder de loep nemen. Die confrontatie had ik afgelopen week toen wij een paar dagen elders doorbrachten.

Dat elders was Geulle, een plaatsje in Zuid-Limburg.

Ver van mijn comfortzone kan ik wel zeggen. Eigenlijk hadden we deze week op Terschelling moeten zitten, zouden we een week een B&B runnen van een goede vriendin van ons maar door miscommunicatie hadden wij de verkeerde week vrij genomen. Het B&B ging daardoor niet door en toen hadden we een week ‘over’ zeg maar.

“Waar wil je nu heen?” vroeg mijn vrouw.

Dat was de eerste confrontatie met mijzelf want ik wist mij geen raad met die vraag. Waar ik nu heen wilde? Die moest ik even laten landen want mijn gedachte om ergens heen te gaan bleef meestal steken tussen Den Haag, Groningen en Terschelling.

Meer heeft een mens niet nodig in het leven.

Maar dat is mijn beleving en die is niet almachtig natuurlijk. En zo zijn we ook niet getrouwd waardoor de relatie tussen mij en mijn vrouw in evenwicht is. Maar dat wil niet zeggen dat onze beider belevingen wel eens botsen. Voorzichtig en redelijk veilig voor mij stelde ik voor om dan ‘maar’ naar Texel te gaan. Omdat zij daar nog nooit geweest was. Ze twijfelde even.

“Of naar Limburg!” riep ze.

Wow! Even stokte mijn adem. “Limburg? Maar dat is helemaal beneden..” zei ik, terwijl ik de kaart van Nederland even visueel voorbij liet trekken én mijn vooroordeel over het zuiden liet oprispen. “Limburg?”

“Ja, Limburg!”

“Ik weet daar een leuke B&B.” Mijn zwijgen op deze mededeling stond gelijk aan groen licht voor deze actie en niet lang daarna kwam de uitslag: “We gaan naar Geulle, dat ligt vlakbij Maastricht. Het is een appartementje.” riep ze super enthousiast en vervolgens: “Oh heerlijk, ik zie mij al zitten op een terrasje met een wijntje. Of met een cappuccino met aardbeienvlaai!”

Ik was om.

Want het duurde toch nog wel even voordat het zover was waardoor ik een beetje wennen kon aan deze plannen. En op een gegeven moment begon ik er zelfs naar uit te kijken en durfde ik er zelfs vooruit te komen naar de mensen om mij heen:

“Ja, wij gaan een midweekje naar Limburg!”

Waarop vaak met ontzag en bewondering gereageerd werd. Toch kwam er een klein, ieniemienie oprisping mijnerzijds. Dat kwam nadat mijn vrouw mij halverwege die gewenningsperiode nog iets opbiechtte:

“We nemen de fietsen mee!”

Die had ik niet zien aankomen. “Fietsen mee?” zei ik, stomverbaasd en vervolgde mijn verbazing met een stomme vraag: “Waarom moeten de fietsen mee? Je kan daar toch niet fietsen?” Nu reageerde mijn vrouw met verbazing: “Natuurlijk kan je daar fietsen! Waarom kun je daar niet fietsen?”

“Omdat daar allemaal bergen zijn natuurlijk!” antwoordde ik geërgerd.

Dat ze dat niet snapte. “Daarom wielrennen ze daar altijd want met een gewone fiets kan het niet. Die bergen zijn zo hoog dat je er halverwege afvalt.” Terwijl ik dat zei zag ik al aan haar blik dat ik volledig de plank aan het misslaan was en dat de fietsen gewoon meegingen.

Afgelopen maandag was het dan zo ver.

Via Duitsland zakten we naar beneden en na een kleine vier uurtjes rijden zaten we in onze B&B te Geulle, een dorpje net boven Maastricht en beneden de Snijdersberg lag. Deze berg heeft een hoogte van 110 meter en een hellingspercentage van 13,8% en een lengte van een kleine kilometer.

Waarmee mijn vooroordeel maar eventjes bevestigd werd!

Die avond bereidden wij ons voor op de volgende dag, de dag dat er een fietstocht op het programma stond. Een onderdeel waar ik nog steeds mijn twijfels over had. De accu’s van onze fietsen hingen die avond aan de stroom en ik hing al in gedachten aan al die klimpartijen al aan het zuurstof. Stiekem verlangde ik al een beetje naar die fietstocht want ik was behoorlijk overtuigd van mijzelf dat het niet fijn fietsen is in de bergen van Limburg.

We begonnen vlak, de Snijdersberg lieten we links liggen.

In standje eco om de accu te sparen. Het ging best wel goed en we genoten van alles om ons heen, Limburg is mooi, dat kon ik niet ontkennen. Maar in de loop van de 50 km die we die dag fietsten had ik toch regelmatig momenten om op te geven, zulke venijnige beklimmingen én vals plat moesten er getrotseerd worden. Ik raakte zelfs wat geïrriteerd. Dat kwam voornamelijk omdat mijn lieverd steeds van mij wegfietste. Niet omdat ze van mij af wilde maar omdat zij voorwielaandrijving heeft.

En ik een midden motor.

Het moment dat we beiden stuk gingen was toen we van Gulpen naar Margraten fietsten, aan die helling leek geen einde te komen en het was alsof we boven water kwamen want we kregen ook nog eens dikke wind en regenbuien te verwerken. Mijn gemoed was inmiddels in mijn schoenen gezakt maar na de bezichtiging van de Amerikaanse begraafplaats in Margraten was ik zó onder de indruk dat ik mijzelf even flink toegesproken heb.

Ik heb het recht niet om te klagen!

De volgende dag brachten we door in Maastricht, een ‘rustdag’. Met twee keer koffie op het Vrijthof met vlaai. De dag erna zaten we weer op de fiets en nu wist ik er beter mee om te gaan. En we hadden besloten om meer gebruik te maken van onze ondersteuning dus standje eco kon in de fietstas. Daarmee werd het laatste restje van mijn eigen verzet tenietgedaan en moest ik wel bekennen dat het mooi fietsen is in Limburg. En dat die vlaaien best lekker zijn.

Wat mij wel opviel waren de honden daar.

Ik zag maar twee soorten: Of Keeshondjes met de daarbij horende zonnebank gefrituurde meiden of Labradoodles. Die laatste soort snap ik wel, dat zijn lieve honden.

En eerlijk is eerlijk, dat zijn die Limburgers ook!

 

Wat voor stel?

Kan ik het nog terugdraaien? Ik heb geen idee en daarom schrijf ik het maar van mij af, dat werkt therapeutisch. Want waar ik ooit bang voor was lijkt inmiddels toch waarheid te worden. Waar ik altijd afstand van heb proberen te houden lijkt nu toch te gebeuren. Noem het karma of eigen schuld dikker bult, links of rechtsom zijn wij gewoon de sjaak en zullen wij de hoon moeten dragen.

Mijn vrouw en ik zijn (bijna) getransformeerd tot ANWB stel!

Althans, we zijn aardig op weg. Ik realiseerde mij dat toen wij gingen fietsen, een rondje Dwingelderveld. Deze route had de dame hier in huis gevonden via ‘die handige App’ van de ANWB en toen ze dat zei, zette zij mij daarmee, onbewust weliswaar, aan het denken. Want ik besefte ineens hoe gevangen ik al zat in het web van deze Algemene Nederlandse Wielrijders Bond.

Hellup!!

Jarenlang heb ik mij verzet tegen deze club want ik vond het allemaal maar oubollig, saai en zeurderig. Vooral dat eeuwige zeuren, zoals bijvoorbeeld een weg waar wat hobbels inzaten. Als ze er dan overheen reden dan stoten ze het hoofd tegen het dak van de auto. Ik dacht dan altijd:

Dan zul je wel te hard gereden hebben!

Of dat blad van ze! Dat blad bestond volgens mij al ver voor de boekdrukkunst en is niet weg te denken uit ons leven. Het is het blad dat altijd overal rondslingerde in de kamer en niemand las het in mijn beleving. Het is net zoiets als die irritante mug die ’s nachts je slaapkamer terroriseert. En juist op dat moment kun je dit blad niet vinden om die mug mee dood te slaan!  

En dan noemen ze het ook nog, heel bescheiden, ‘de Kampioen’!

Toen er in 2004 een concurrent voor de ANWB werd opgericht was ik de eerste die lid werd. Deze club heeft twee keer een auto van mij mogen afslepen en ik moet zeggen, tot volle tevredenheid hoor. Alleen is alles aan verandering onderhevig en werd ik vermoedelijk milder in mijn antipathie tegen deze club. Hoe dat kwam? Nou, bijvoorbeeld toen ik wandelschoenen nodig had.

Dertig procent korting!

Dat trok mij toen over de streep. En ze hadden eigenlijk best wel mooi spul in die winkels, met sokken die gemerkt waren met een R en een L zodat je ze nooit verkeerd aan kon doen. En die meneren en mevrouwen van de Wegenwacht zijn toch wel hele aardige én kundige mensen, daar kwam ik ook achter in de loop der jaren want mijn dame was al langer lid.

Ik werd uiteindelijk ook lid.

Nadat ik zag dat je enkel een vinkje hoefde te zetten of je wel of niet de Kampioen wilde hebben! Dat trok mij over de streep. Toch bleef de Kampioen onze mat bevuilen want hij stond nog op naam van mijn vrouw. Dat werd even een discussie. Ik vertelde over mijn traumatische herinneringen maar zij vertikte het om ook het vinkje weg te halen want zij vond het een gezellig blad. “En er staan altijd hele leuke onderwerpen én fiets- en wandelroutes in!”

Daar had ik niks tegen in te brengen.

We kochten een fietsendrager voor de auto en die bleef onuitgepakt in de schuur liggen want ik ben niet zo avontuurlijk ingesteld. Het fietsten en wandelen in de voor mij veilige omgeving van Oldambt vond ik best genoeg. Maar na het zoveelste rondje bemerkte ik wat sleur en toen hoefde mijn vrouw alleen nog maar dat laatste duwtje te geven: “Ik heb een leuke fietsroute gevonden, een rondje Dwingelderveld. Een route van 36 km en we starten in Spier.”

Dwingelderveld, dat kende ik wel.

We hadden daar al eens gewandeld toen we aan het trainen waren voor de Fjoertoer Terschelling. En ik ben daar ooit met mijn hospita en hospes tijdens mijn middelbare schoolperiode geweest. De hospes was een Drenth en de hospita een Fries en zij vertelden over de krentenbossen van Dwingeloo. Ik, puber van kop tot teen, vond dat maar raar want krenten zijn gedroogde druiven en die hangen niet in bomen. Daarom namen ze mij mee naar Dwingeloo zodat ik het met eigen ogen kon zien. En waarachtig! Ik heb toen een stekkie meegenomen en bij mijn ouders in de tuin gepland en sindsdien (mijn fantasie hè) groeit de krentenboom ook op Terschelling. Afijn, ik heb aan Dwingeloo mooie herinneringen overgehouden.

Zondag werd de fietsdag.

Nadat ik de fietsendrager redelijk makkelijk (en tot mijn grote verwondering dat ik dat kon) op de trekhaak gezet had en de fietsen zo vast als een huis stonden, vertrokken wij naar Spier in het mooie Drenthe. Even later volgden we al fietsend de bordjes, ja de ANWB bordjes. En we genoten. Maar wij niet alleen, het was gezellig druk op de fietspaden. Alleen viel het mij op dat wij wel erg veel tegenliggers hadden. En die keken niet echt blij en op mijn ‘Moi’ of ‘Hoi’ kreeg ik bij hoge uitzondering een groet terug.

Of een soortgelijk gebrom.

“Allemaal ANWB stellen!” grapte ik naar mijn vrouw, “De een nog chagrijniger dan de andere!” Ze reageerde niet. Misschien wel omdat ze bij zichzelf dacht: de pot verwijt de ketel. Want wij hebben min of meer dezelfde fiets en, ik durf het hier haast niet te zeggen, allebei dezelfde snelbinders! En niet zomaar snelbinders, nee, in de kleuren van de Terschellinger vlag: rood, blauw, geel, groen en wit.

‘Zwijgen Veldmuis, nu zwijgen en gewoon achter je vrouw aanfietsen’ zei ik tegen mijzelf.

De route was erg mooi, we fietsten langs allerlei landschappen, door bos en heide of polder. En de bordjes die we moesten volgen klopten als een bus. We hebben maar twee keer verkeerd gereden maar dat was mijn schuld omdat ik weer te moeilijk dacht. Aan het einde van de rit kwamen we erachter dat wij tegendraads de route gefietst hadden en begreep ik de soms dodelijke blikken en gebrom.

Ach ja.

Daarom zijn wij natuurlijk nog nét níet een ANWB stel!

Een goed gesprek

Mijn vrouw heeft eigenlijk altijd wel een goed humeur maar soms doet ze er nog een schepje bovenop. Afgelopen zaterdag kwam ze tegen het middaguur vrolijk thuis na een ochtendje bij de kapper gezeten te hebben. Ik keek haar glimlachend aan want een vrouw die net terugkomt van de kapper is een gelukkige vrouw.

Dat is een feit.

Eigenlijk waren we allebei extra goed gehumeurd deze dag want ik had genoten van mijn ochtendje schrijven en van de begeleidende muziek. We aten een door haar meegebrachte broodje haring en toen stelde ze voor om even ‘de Straat’ in te gaan, de winkelstraat van Winschoten.

De koopgoot zeg maar.

“En dan gaan we lopend, kunnen we weer wat conditie opbouwen!” Nou, daar zei ze wat. Want ook bij ons kwam de corona dan toch nog aan de deur. Door de prikjes hebben we gewoon uitstel gekregen en daardoor hebben we precies volgens de gedachte achter de inentingen, de maatschappij niet ontwricht. Toch had het virus flink aan onze conditie gevreten en daarom reageerde ik enthousiast: “Goed plan, we gaan lopend!” Even later liepen we die kant op en dat viel niet mee. Dat kwam vast doordat we 14 dagen binnen gezeten hadden.

Even acclimatiseren.

Licht hijgend bereikten we de finish, het begin van ‘de Straat’. Nu kwam, althans, zo denk ik erover, het allerergste: Namelijk lopen, stilstaan, winkel in, winkel uit, praatje hier, praatje daar et cetera, et cetera. Op zich wel weer eens leuk hoor, op een zaterdagmiddag even door de straat lopen. Maar in dit geval hebben we het over een winkelstraat die ooit de langste was van Nederland en dan is het best een pittig stukje lopen als de conditie je een beetje in de steek aan het laten is. Ik was dan ook blij dat we redelijk snel een winkel binnengingen, een winkel in woonaccessoires.

Want daar stond voor bij de ingang een bank!

Ik hoefde niets te zeggen. Vrouwlief liep direct door en ik zetelde mij op de bank van om en nabij de 3000 eurootjes. Ze weet dat ik mij niet zo met accessoires bezig hou en nu kon zij rustig rond gaan neuzen, zonder zuchtende man. De bank zat best lekker voor een bank en ik pakte mijn telefoon om het nieuws even door te nemen.

Tot er een oudere heer en dame de winkel binnenliepen.

“Ga daar maar zitten.” zei de dame en wees mijn richting op. Ik kreeg gezelschap. Na elkaar begroet te hebben begon het gesprek natuurlijk over ons lot, het lot waar de meeste mannen mee leerden leven: of je blijft voor de winkel staan als je partner naar binnen wil of je gaat binnen aan de stamtafel zitten.

Stamtafel?

Ja, vroeger had je in elke kroeg een stamtafel maar sommige winkels hebben dit gekaapt en lokken nu de mannen binnen door een stamtafel-gevoel te creëren. Meestal op een strategische plaats in de winkel en vaak voorzien van koffie en thee of een lekker wijntje. En dat is nog niet alles, want voor de inwendige mens ligt er ook genoeg alleen blijf ik daar altijd af want anders gaan ze wijzen:

“Kijk, die is zijn gewicht op peil aan het houden!”

Ik sla daarom altijd beleefd af als er weer een van de dames op mij afkomt om mij te verleiden met zoete koekjes of hartigheidjes. En dan denk ik hardop om mijzelf te overtuigen dat als ik wat wil eten of drinken, ik wel naar een horecagelegenheid ga!

Flauwekul allemaal!

Maar ja, we leven nu eenmaal in een welvarend land en dan zal dit er wel bij horen. De man, 82 lentes jong, was het met mij eens dat we in een prachtig land wonen. “En nog durven enkelen te klagen over hoe wij het hier doen,” zei hij tegen mij, “terwijl wij mogen leven in vrede en alles hebben om ons leven nóg aangenamer te maken. Ik begrijp dat niet. De wereld wordt er daardoor niet beter op. Het lijkt wel of men gewoon vergeet in wat voor weelde wij eigenlijk leven. Iedereen is boos op elkaar. In de Tweede Kamer heeft het fatsoen en het respect plaats gemaakt voor schelden en elkaar vernederen, ‘Bekende Nederlanders’ willen continue aandacht en zodra je de televisie aanzet of de kranten leest dan is het één en al ellende waar men over bericht. Wat is dat toch?

“Die onvrede?”

“Ja,” zei ik, “ik hoor ook steeds vaker om mij heen, jong én oud, zeggen dat ze liever niet meer het nieuws volgen of naar praatprogramma’s kijken. Ik neig ook steeds meer die kant op te gaan. Wij streamen tegenwoordig liever series of tv-programma’s dan dat we naar actualiteiten of naar het nieuws kijken. Want er hoeft maar iets te gebeuren en al die programma’s willen er dan een plasje over doen. Het liefst met bekende Nederlanders..”

“En dát trek ik niet meer!”

“Inderdaad,” zei de man naast mij en hij ging even verzitten zodat we elkaar goed konden aankijken. “En ze blazen alles op! We vliegen van hype naar hype en ik zeg U eerlijk, het maakt mij onrustig. Want de waan van de dag regeert lijkt het wel en dat lijkt sinds we het internet hebben alleen maar erger geworden te zijn. En weet U, ik kom uit een rood nest hè, maar het sociale lijkt wel helemaal weg uit de maatschappij. Zo zijn wij niet opgevoed.”

Ineens een lach op zijn gezicht:

“Weet U waar ik wél graag naar kijk? Naar de serie met die drie vrienden, ‘Dwars door de Lage Landen.’ Dat is gewéldig! Die wandelen van België naar Pieterburen, via het Pieterpad en ontmoeten allerlei mensen die allemaal wel iets te vertellen hebben. Daar zouden al die boze mensen eens naar moeten kijken, dan ontdekken ze misschien wel weer hoe mooi van eenvoud het leven kan zijn!”

De man stond op, hij moest weer verder.

“Bedankt voor dit gesprek,” zei ik, “en ik ga kijken! Ik stream het wel. Dát is weer het mooie van Internet!”

 

 

 

Omdenken, dé toekomst!

Er wordt nogal wat gevraagd van onze gewoonten. Voor een paar jaar terug was vliegen heel normaal. We vlogen overal heen waar we maar wilden. Voor een vakantie, een weekendje weg, een zakelijke bijeenkomst of gewoon even om een terrasje te pakken in de zon of een voetbalwedstrijdje in Camp Nou. Totdat begin 2020 de wereld stopgezet werd.

Dat was nog eens een gewaarwording!

Ineens waren de luchten weer blauw, zonder de bekende ‘krijt’ strepen. En de stilte deed ons weer de vogels doen horen. Daarnaast werd waarneembaar dat er minder uitstoot was, de lucht werd schoner en de verdwenen smog gaf een heldere blik op onze omgeving én een heldere geest. Een bewustwordingsproces welke ons deed beseffen dat hoe we leefden misschien toch allemaal iets téveel van het goede was geweest, en ja, dat gezegde: ‘Overal waar ‘te’ voor staat…’.

Daar zat best wel veel waarheid in.  

Het leverde een hoop discussies op maar over het algemeen waren de meeste mensen het er wel over eens dat er iets aan gedaan moet worden. De grenzen van onze welvaart waren bereikt en het roer moest om. Voor onszelf maar ook voor alle generaties na ons. Doorpakken nu. We hadden daar kennelijk een pandemie voor nodig om dit te beseffen maar goed, het doel heiligt de middelen en ja:

Het is een kwestie van omdenken.

Quotes over dat zogenaamde Omdenken zag ik al regelmatig voorbijkomen op het sociale circuit. Zoals ‘Als de moed je in je schoenen zakt, ga dan eens op je kop staan (-Loesje’). Of deze: ‘Als een ongeluk in een klein hoekje zit, dan zit geluk dus overal!’ Of die van Kiki Toll, dat meisje van 16 jaar uit ‘Over mijn lijk’: “En als het leven je laat struikelen, maak er dan een salto van!” Of ‘Geloof niet alles wat je denkt.’ Vooral deze laatste legt weer een ander probleem in onze maatschappij bloot, het probleem van het eigen gelijk. Maar goed, nu doorpakken met zijn allen en niet alleen maar naar de boeren en de industrie wijzen met het bekende vingertje.

Nee, ook naar jezelf kijken.

Door bijvoorbeeld bewuster te gaan vliegen. Of sowieso bewuster na te denken of bepaalde gewoontes die er in de loop der jaren ingesleten zijn, eigenlijk nog wel van deze tijd zijn. En waarom moeten we eigenlijk om de acht weken op vakantie? En verrek, ons eigen land is eigenlijk ook best wel mooi. Of stel jezelf eens de vraag waarom je elk weekend de deur uit moet? Vooral wanneer je je woonplek ‘gezellig’ hebt gemaakt of zodanig ingedeeld hebt zodat je je daar erg thuis voelt. Want dan is het toch wel heel raar dat je steeds maar de deur uit moet, toch?

Dan komt ook weer het ‘heilige moeten’ om de hoek kijken.

Ja, er werd lekker op los geluld in alle praatprogramma’s tijdens ons ‘gevangenschap’ en even leek het erop dat we snapten dat het anders moest. Even, want sinds alle maatregelen weer ingetrokken werden lijken de beloftes die we onszelf deden als smog boven onze steden verdwenen te zijn.

Met als dieptepunt de lange rijen in de vertrekhallen van Schiphol.

Ontzettend dik aangezet door de media, hoor, dat sloeg nergens op. Ze maakten van iets wat je hooguit vervelend mag noemen, iets dramatisch. Want elk weldenkend mens moest van deze berichtgeving op de pot omdat er niet zover hier vandaan ook rijen stonden. Met dat verschil dat die mensen aan het vluchten waren voor hun leven, bang voor al het geweld van een doorgeslagen dictator. En elk weldenkend mens snapt die rijen op Schiphol ook wel want ja, personeelstekort, daar hoef je geen wiskunde voor gestudeerd te hebben. In heel veel branches is er personeelstekort. Zoals hier in de facilitaire hoek. Het is de nek die het hoofd doet draaien zeg maar. En ook nu weer moeten we naar onszelf kijken.

Want we willen niets.

We willen niet meer zwaar – of onderbetaald werk uitvoeren. En we willen ook niet extra betalen voor een vliegticket. En we willen dat ons kroost de beste banen krijgen met het beste salaris en het liefst met werkzaamheden die niet te zwaar zijn. En zo voeden we onze kinderen ook op, wennend aan een ‘rijk’ leven. Pap en Mam betalen wel als ze iets willen en de auto brengt ze wel naar school wanneer het regent.

En een limiet aan zakgeld was er wel maar uitzonderingen evenzoveel meer.

Ik snap de tegenstand tegen dit soort gedachtes, dat we moeten veranderen. Voor mij niet in dit geval want ik ben niet zo reislustig ingesteld en ik weet dat ik daarin niet tot de meerderheid behoor. En de gunfactor in deze is enorm, ik gun iedereen de hele wereld. Maar het mag best wel iets minder allemaal, dat lijkt mij niet een hele grote opoffering.

En willen is kunnen.

We moeten ook eens ophouden met, wanneer er stront aan de knikker is, naar anderen te wijzen. Gewoon niet meer doen. Ga eerst eens bij jezelf te rade. Wees eens oprecht eerlijk over jezelf. Klopt het wel wat ik hier beweer? Lag het ook niet een beetje aan mijzelf? Ging ik er misschien met twee gestrekte benen in? Heb ik wel goed geluisterd?

‘Luisteren kan zoveel zeggen.’

Daarom omdenken. Zo las ik van de week over een andere, ingesleten gewoonte: grasmaaien. Wij Nederlanders houden het graag kort, dat deden onze voorouders en daarom doen wij het ook. Daar is op zich niks mis mee maar het is beter om het even niet in de maand mei te doen. De reden is dat het gras dan alle ruimte krijgt om nog even lekker door te groeien. Want dat zit vol met heerlijkheden, voeding waar onder andere de bijtjes en de vlinders wel pap van lusten en ja, we weten inmiddels dat die heel erg belangrijk zijn voor ons voortbestaan.

Als dank bestuiven zij dan weer onze gewassen!

En wij, de mensheid, verbinden ons weer meer met de natuur.  

Ooit zijn we zo ook begonnen, toch?   

Haal nooit tompoezen met de fiets!

Haal nooit tompoezen met de fiets! Ik kwam daar afgelopen woensdagmorgen achter toen ik lekker duurzaam op de fiets tompoezen ging halen bij de bakker. Daar aangekomen zag ik een van de bakkers al hard aan het werk. Zijn hele werkbank lag vol met vrolijke tompoezen in de kleuren, roze, wit en geel. Hij was ze aan het snijden, een karweitje dat wel even de aandacht vraagt.

Net als het eten van een tompouce.

Er was vlak bij die werkbank een opstopping ontstaan want ik was niet de enige die, lichtelijk kwijlend, naar het schouwspel aan het kijken was. De felle kleuren brachten mij weer terug naar maandagmiddag, toen ons het droevige nieuws bereikte dat Henny Vrienten overleden was. Want hij en zijn band Doe Maar hebben in mijn jeugdjaren dit soort felle kleuren flink op de kaart gezet. Dat deden ze tijdens hun optredens en met hun platen. Maar ook door de Doe Maar merchandise zoals buttons en haar- en polsbandjes. Waarmee ze misschien deze kleuren wel toegankelijker gemaakt hebben voor onze generatie want ‘mijn kleuren’ waren voor die tijd beperkt tot zwart of blauwe. 

De behoefte om iets fel groens of roze te dragen had ik eigenlijk nooit.

Maar Henny en zijn kornuiten kleurden zo onze puberteit en ze gaven ons de Nederpop, popmuziek in eigen taal met teksten waar wij jeugdigen wel wat mee konden. We konden het verstaan, Google Translate bestond toen nog niet hè. Daarom hakte het overlijden van Henny er denk ik ook flink in. De liedjes van Doe Maar bekten lekker en de muziek, ja die muziek was ‘weer eens wat anders’. En heel kenbaar.

Vaak bij de eerst noten wist je al dat het Doe Maar was.

Nadat de band zichzelf opgeheven had vanwege hysterische taferelen á la The Beatles, verdween Henny een beetje op de achtergrond maar was wel dagelijks te horen. Hij nam de taak van Harry Bannink over en schreef liedjes voor Sesamstraat en Het Klokhuis. Hierdoor werden opnieuw generaties door hem beïnvloed, zonder dat ze het eigenlijk wisten.

Wie is er niet groot geworden met deze fantastische tv-programma’s!

Later toerde hij nog met twee andere grote muziekmannen, George Kooymans en Boudewijn de Groot of zagen we hem met zijn zoon hele mooie, ter plekke verzonnen kleine liedjes zingen bij de media-uitzending van de Wereld Draait Door. Als 32-jarige vond ik hem qua uiterlijk maar zo zo (daar dachten de meisjes anders over). Maar als oudere jongere vond ik hem altijd een mooie man, keurig in de kleren en een opmerkelijke vriendelijkheid en rust uitstralend. Dat ik dat zo voelde komt waarschijnlijk omdat we tegenwoordig zoveel schreeuwers om ons heen hebben, schreeuwers die er alleen maar op uit zijn om onrust te creëren voor eigen gewin. Heel wat anders dan die échte kerels die ik hierboven benoemd heb. Maar dat was. Misschien heb ik daarom wel de hele week dat liedje in mijn hoofd:

‘Alles gaat voorbij, alles gaat voorbij..’

Maar haal nooit tompoezen met de fiets! De doos die ik pakte bevatte vier tompoezen en even schoot het door mijn hoofd dat wij maar met zijn tweeën zijn. Zou ik die bakker vragen of hij er twee in een doosje kon doen of zou ik maar toegeven aan het lot? Was dit nu typisch zo’n welvaart dingetje? Maar die man was al zo druk met snijden, zijn handschoenen zaten al onder de bakkersroom en zoals ik al zei, het vraagt even de aandacht dat snijden. Ik liep met de doos en vier tompoezen door naar de kassa en bedacht dat we ze gingen opeten bij de ochtend- en avondkoffie.

Puur uit overmacht!

Toen ik weer thuis was pakte ik de doos uit de fietskrat en schrok enorm! Want ik zag door het venster van de doos een kleurenpalet van roze, geel en wit, net zoals ik eerder zag die dag op de werkbank van de bakker.

Maar niet meer in die volgorde van kleurschakering!

Het was een slagveld! Het was Picasso! Alles zat door elkaar en nadat ik de doos geopend had om twee van deze lekkernijen eruit te pakken, moest ik heel goed kijken welke onderdelen er bij welk gebakje hoorde. Gelukkig had ik goed opgelet bij de bakker hoe ze eruitzagen (tussen het kwijlen door) en na wat strijk- en glaceerwerk kon ik twee herkenbare tompoezen opdienen.  

En ’s avonds weer.

Maar haal nooit tompoezen met de fiets! Want dat is desastreus voor dit Koningsmaal. Ik had het doosje met vier tompoezen in het kratje van mijn fiets gelegd, op een lekkere, zachte boodschappentas. Daarna ben ik gaan fietsen. Tot zover niks aan de hand, wij Nederlanders zijn goed in fietsen, staan er zelfs wereldwijd om bekend. Maar nu komt het:

De angel zit in de overgangen tussen fietspad en straat of weg.

Daar gaat het mis. Oké, je hebt dan ook nog het bekende boomstronken probleem die zodra ze de kans krijgen menig fietspad op een hobbel brengen, maar dat is de natuur, daar valt mee te leven. Maar die overgangen, die aansluitingen lopen niet vlekkeloos en zorgen ervoor dat je boodschappen haast je kratje uitvliegen.

En bij mij, man, de ballen een flinke optater geven!

Er zal vast een reden voor zijn, dat ze het asfalt van het fietspad enkele centimeters eerder stoppen dan het aansluitende wegdek vereist. Alleen ik begrijp dat niet en probeer die reden te zoeken. Was het geld op? Was het vrijdagmiddag tegen einde dienst? Was het asfalt op? Was de benzine op van de asfalteermachine? Was er een spoedklus op de A7?

Wie het weet mag het zeggen.

Die avond stonden die andere twee tompoezen op het menu. Mijn vrouw nam er een cappuccino bij en ik een bakkie koffie. Normaal willen we nog wel eens een foto maken van iets lekkers dat wij of anderen gemaakt hebben maar deze tompoezen waren daar niet geschikt voor, dat zouden te heftige beelden geweest zijn.

Maar ach, wat zou het.

Waar het terecht komt is het toch donker!

De bom is gevallen… 

Even moest ik naar adem happen toen ik de binnen gekomen melding op mijn telefoon zag: Henny Vrienten op 73 -jarige leeftijd overleden. Dat sloeg bij mij en vele generatiegenoten in als een bom kan ik wel zeggen. 

De dood van Henny is net zo’n schrikbeeld als voor als de bom valt. 

Henny Vrienten, de voorman van de band Doe Maar, een band die in het Nederlands zong en met teksten kwam die heel veel jongeren aangesproken heeft. Liedjes zoals ‘1 Nacht alleen, Dansen met Alice, Doris Day, Heroïne, Is dit alles, Belle Hélène, Je loopt je lul achterna, Nachtzuster…’ 

Et cetera, et cetera…  

Teksten die vaak luidkeels meegezongen werden vanwege die herkenbaarheid voor ons, pubers in wording of volwaardige pubers. Want het was immers je eigen taal en ja, dat daalden de woorden net even wat makkelijker in dan als bij talen uit den vreemde. En zij vielen op met hun kleding maar ook met de stijl van hun platenhoezen, felle kleuren waarmee je gezien kon worden. Die kleuren verwerkte je dan weer in je kleding.  

Dat gaf een beetje kleur aan onze soms best wel kleurloze puberbestaan.  

Maar ook de overbekende buttons. Die spelde je op je jas, voor mij naast de buttons van Madness of de bekende Smiley en hoorde je er helemaal bij. Of je droeg de felgekleurde haarbanden alhoewel ik dat dan weer net even te ver vond gaan. Het allermooiste vond ik de aankondiging dat ze zouden stoppen, dat ze de band gingen opheffen. Dat klinkt raar maar ik had daar alleen maar bewondering voor: 

Op het hoogtepunt stoppen. 

Want het liep namelijk vreselijk uit de hand, zó populair werden ze. En dat zij het lef hadden om te stoppen tekende ze juist, de stekker eruit te trekken en vervolgens op een andere manier verder gaan met teksten en muziek schrijven. Henny deed dat bijvoorbeeld door het stokje van Harry Bannink over te nemen bij Sesamstraat en Het Klokhuis. Hij vond dat een geweldige eer en dat sierde weer zijn bescheidenheid. En het was ook niet niks want Harry Bannink was ook een hele grote componist waarvan we heden ten dage nog steeds kunnen genieten, bijvoorbeeld ‘Nikkelen Nelis’, ‘Tearoom Tango’ of ‘Op een mooie Pinksterdag’.  

En dan nog enkele honderden liedjes die ertoe doen. 

Maar Henny was goed, heel goed. En dat werd terecht gezien. Later kwam Doe Maar weer even bij elkaar voor wat concerten. Het publiek was nu een stuk ouder maar je zag na afloop hun ogen weer glinsteren, ze herbeleefden weer even hun jeugd. Doe Maar was daar immers een onderdeel van en het mooie van hun liedjes was dat generatie na generatie liefhebber werd. Dat ondervond ik toen mijn nog jonge kinderen de muziek van Doe Maar begonnen af te spelen en ik samen met hen mee kon zingen. Waarmee maar weer aangetoond werd dat de liedjes van Doe Maar de tand des tijds prima doorstaan heeft.  

Zo goed waren ze!  

Zo goed zullen ze blijven. Maar we gaan Hennie missen. Zijn zachtaardigheid, zijn vriendelijkheid en zijn kijk op het leven, vertaald in allerlei liedjes. De ene keer grappig en klein, de andere keer groots en veel gevoelige snaren rakend.  

Toen vorig jaar september bekend werd dat de afscheidstournee afgelast werd vanwege ziekte van Henny, had ik een vermoeden maar wilde daar niks van weten. Ik had dat vermoeden omdat hoe grootst hij ook was, hoe klein hij zich kon maken. Geen toeters en bellen, geen plek in Boulevard of andere roddel programma’s maar gewoon klein en bescheiden.  

Een mooi mens. Een voorbeeld voor velen. Geen boos mens maar een mens die snapt dat het leven te kort is om steeds boos te zijn. Samen met die andere grote, Jan Rot, gaan ze het in die andere wereld als die bestaat opleuken. Die gedachte hou ik dan maar weer vast, dat de mensen waarvan wij al afscheid hebben moeten nemen nu kunnen genieten van deze twee mensen die ons zoveel gegeven hebben.  

Alles gaat voorbij:

Je leeft maar een keer
Dus weet wat je doet
Leef volledig zonder spijt
Want berouw doet niets goed
Zie het leven als een nachtbar
Vallen en weer opstaan
Alles maar dan ook alles gaat weer voorbij 

Rust zacht en bedankt voor al het moois. 

Effe een bakkie doen

“We kunnen natuurlijk zondag ook even naar je ouders gaan?” Dat gooide mijn vrouw vorige week ineens op tafel terwijl ik nog volop in het ritme van werken zat. Ze opperde dat omdat er drie vrije dagen in het verschiet lagen en op de een of andere manier keek ik daar erg naar uit.

Dat heb je wel eens.

Het moest even bezinken. Want het zou namelijk betekenen dat ik weer een verplichting had na een flink aantal werkdagen. En ‘even’ naar mijn ouders gaan vergt toch wel wat organisatie want ze wonen immers niet naast de deur. Maar met de uren die volgde werd ik eigenlijk steeds enthousiaster. Want de vooruitzichten waren eigenlijk optimaal: Het weerzien met mijn ouders, weer even ‘thuis zijn en de weersverwachting.

“Regel het maar.” zei ik tegen mijn secretaresse.

Ik laat dat soort dingen graag aan haar over en even later kwam ze met de dagindeling: 08:15 uur snelboot, 09:00 uur op Terschelli